Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4345

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_9660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/9660 WET

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

Wettelijk vertegenwoordiger: [naam vader] (vader),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen , verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 mei 2019 (primair besluit 1) heeft het college aan de ouders van [naam eiseres] over de periode van 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020 een jeugdhulp voorziening toegekend voor 5 uren persoonlijke verzorging en 6 uren individuele begeleiding per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

Tegen dit besluit hebben de ouders van [naam eiseres] bezwaar gemaakt.

In het besluit van 13 december 2019 (primair besluit 2) heeft het college het primaire besluit 1 ingetrokken en beslist dat de eerder toegekende 5 uren voor persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb gehandhaafd blijven. Het eerder toegekende pgb voor 6 uren individuele begeleiding komt te vervallen en wordt vervangen door een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel en begeleiding groep in de vorm van Zorg in Natura (ZIN) door een professionele zorgaanbieder. De hoogte van het pgb zoals toegekend bij het primaire besluit 1 blijft gehandhaafd.

In het besluit van 13 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1, herzien bij primaire besluit 2, gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het primaire besluit 2 herroepen door het besluit aan te vullen en de motivering aan te passen. De toegekende 5 uren voor persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb blijven gehandhaafd. Voor de overige 6 uren ondersteuning voor individuele begeleiding is ZIN passender dan een pgb omdat bij de ouders de deskundigheid ontbreekt om de benodigde specialistische begeleiding en zorg gericht op gedragsregulering te kunnen bieden. Omdat [naam eiseres] niet benadeeld mag worden door het instellen van bezwaar, wordt het totaalbedrag van het pgb zoals toegekend bij het primaire besluit 1 niet verlaagd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 11 juni 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vader, [naam vader] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

[naam eiseres] , geboren 28 maart 2007, is sinds haar geboorte bekend met een ontwikkelingsstoornis die gekenmerkt wordt door motorische stoornissen en een intellectuele achterstand. Er is sprake van een cerebrale parese, unilateraal rechts, type spastisch. Dit leidt ertoe dat [naam eiseres] uitval heeft over haar gehele rechterzijde. Zij kan haar rechterhand enkel als steunhand gebruiken. Zij maakt gebruik van een beenspalk en gebruikt een rolstoel voor langere afstanden.

Tot 28 februari 2019 ontvingen de ouders van [naam eiseres] een pgb voor 3 uren persoonlijke verzorging per week en 11 uren begeleiding individueel per week.

De ouders hebben in het ‘persoonlijk plan pgb’ van 25 maart 2019 om verlenging van de indicatie verzocht.

Bij besluit van 14 mei 2019 (primair besluit 1) heeft het college aan de ouders van [naam eiseres] over de periode van 1 maart 2019 tot 29 februari 2020 een jeugdhulp voorziening toegekend voor 5 uren persoonlijke verzorging en 6 uren individuele begeleiding per week in de vorm van een pgb. Het totale budget voor de looptijd van de indicatie is € 8.990,-.

Tegen dit besluit hebben de ouders van [naam eiseres] bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft de MO-zaak onderzoek verricht en op 6 november 2019 een advies uitgebracht. Na dossierstudie (waaronder het persoonlijk plan pgb), overleg met de jeugdconsulente van het college en een huisbezoek waarbij gesproken is met de vader van [naam eiseres] , heeft de MO-zaak geadviseerd tot begeleiding individueel en begeleiding groep in de vorm van ZIN en 3 uren per week persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb.

Vervolgens heeft het college het primaire besluit 1 ingetrokken en vervangen door het besluit van 13 december 2019 (primair besluit 2). De over de periode van 1 maart 2019 tot 29 februari 2020 toegekende 5 uren voor persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb blijft gehandhaafd. Op grond van artikel 3.6, zesde lid, van de Nadere regels Jeugdhulp wordt daarbij een tarief van € 26,25 per uur gehanteerd. Het totaalbudget voor het pgb betreft daarmee € 6.825,-, maar omdat de ouders van [naam eiseres] na het indienen van bezwaar niet benadeeld mogen worden, blijft de hoogte van het pgb zoals toegekend bij het primaire besluit 1 gehandhaafd (€ 8.990,-). De ouders van [naam eiseres] zijn er op gewezen dat bij een nieuwe aanvraag de uren persoonlijke verzorging tegen een tarief van € 20,- zullen worden toegekend. Daarnaast is het eerder toegekende pgb voor 6 uren individuele begeleiding komen te vervallen en vervangen door een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel en begeleiding groep toegekend in de vorm van ZIN door een professionele zorgaanbieder.

Op 9 juli 2020 vond de bezwaarhoorzitting plaats.

De bezwaaradviescommissie heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit 2 te herroepen. De commissie vindt dat het primaire besluit 2 niet compleet is omdat het onderdeel ‘individuele begeleiding’ onvoldoende is ingevuld. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom er gekozen is voor ZIN in plaats van een pgb.

Bij het bestreden besluit van 13 oktober 2020 is het bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie, gegrond verklaard. Besloten is het herziene primaire besluit te herroepen door het besluit aan te vullen en de motivering aan te passen. [naam eiseres] krijgt een maatwerkvoorziening voor 5 uren ondersteuning op het gebied van persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb. De MO-zaak heeft geadviseerd om een lager pgb toe te kennen, maar omdat [naam eiseres] niet benadeeld mag worden door het indienen van bezwaar wordt het totaalbedrag van het pgb zoals toegekend bij beschikking van 14 mei 2019 niet verlaagd. Het college stelt zich op standpunt dat voor de overige 6 uren ondersteuning voor individuele begeleiding, ZIN passender is dan een pgb. Een pgb kan worden verleend als voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 8.1.1. tweede lid, van de Jeugdwet. Het kernteam van de gemeente [plaatsnaam] is van mening dat niet wordt voldaan aan de derde voorwaarde, omdat de deskundigheid ontbreekt bij de ouders om de benodigde specialistische begeleiding en zorg gericht op gedragsregulering te kunnen bieden. Er is sprake van een systematische dynamiek tussen [naam eiseres] en haar ouders, waardoor professionele hulpverlening wordt afgehouden en [naam eiseres] niet de zorg krijgt die zij nodig heeft. Het verstrekken van een pgb voor begeleiding maakt dat dit patroon niet kan worden doorbroken. Om die reden besluit het college om voor de overige 6 uren geen pgb te verlenen, maar ZIN aan te bieden waarbij de ouders zelf op zoek kunnen gaan naar een mogelijke zorgaanbieder. De gemeente zal na overeenstemming met de ouders en de zorgaanbieder de maatwerkvoorziening toekennen

2. Het geschil

In geschil is (1) het totaal aantal uur dat aan Jeugdhulp is toegekend, en (2) de vorm van de toegekende uren voor begeleiding individueel voor [naam eiseres] (ZIN in plaats van zorg door de ouders met een pgb).

3. Beroepsgronden

Namens [naam eiseres] is aangevoerd dat de toegekende uren voor begeleiding individueel, net

als voorheen, in de vorm van een pgb verstrekt moeten worden in plaats van in de vorm van

ZIN. Het ‘advies’ van de MO-zaak mag zijns inziens niet als advies dienen omdat er veel

onjuistheden in staan. Zo is door de ouders nooit te kennen gegeven dat zij ontlast wilden

worden en is er niet gesproken over de hoeveelheid zorg die [naam eiseres] van hen ontvangt, terwijl

MO-zaak daar wel uitspraken over doet. De stelling in het bestreden besluit dat er voor de

begeleiding van [naam eiseres] ZIN nodig is omdat de ouders niet in staat zouden zijn de begeleiding

op verantwoorde wijze uit te voeren, is niet onderbouwd. Er heeft nooit een beoordeling van

dit punt plaatsgevonden. De moeder van [naam eiseres] is psycholoog bij de Raad voor de

Kinderbescherming. De ouders hebben aangegeven dat het hen niet lukt om geschikte ZIN te

vinden voor de begeleiding voor hun dochter. Het college helpt hen niet bij het vinden van

geschikte hulp en onttrekt zich daarbij aan zijn zorgplicht.

Ter zitting heeft vader aangevoerd dat hij, zoals ook al aangevoerd in bezwaar, het ook niet

eens is met het aantal uur dat het college aan hen heeft toegekend. Hij had om verlenging van

de indicatie (een pgb voor in totaal 14 uren) gevraagd, maar heeft slechts 11 uren toegekend

gekregen. Dat is te weinig, omdat het werkelijke aantal uren verleende zorg namelijk ruim boven die 14 uren ligt. Het college heeft het aantal uren gebaseerd op het onderzoek door MO-zaak, maar dat onderzoek is niet zorgvuldig geweest.

4. Wettelijk kader

De van belang zijnde wetsbepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1

Procesbelang

De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiseres voldoende procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. In beginsel is er geen procesbelang als het geschil de beoordeling betreft van een afgesloten periode in het verleden, zoals hier het geval is. Dat kan pas anders zijn als aannemelijk is dat schade is geleden, dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een indicatie in een toekomstige periode. De rechtbank is van oordeel dat dit (beide) het geval is. Ten eerste heeft [naam eiseres] minder uren voor de begeleiding toegekend gekregen dan waar zij om heeft gevraagd, terwijl de ouders die uren zorg naar eigen zeggen wel hebben verleend. Ten tweede zijn de ouders het niet eens met de vorm waarin de begeleiding individueel is toegekend. Een oordeel hierover is mede van belang voor (eventuele) toekomstige indicaties.

5.2

Inhoudelijk

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) het toetsingskader voor verzoeken om jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet uiteengezet. Daaruit blijkt dat eerst de hulpvraag in kaart moet worden gebracht (1) en vervolgens of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen (2). Daarna kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is (3). Pas nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hulpvraag voldoende in kaart gebracht. Dat is niet in geschil. Daarnaast staat tussen partijen vast dat sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen. Ten aanzien van de aard, omvang en vorm van de hulp overweegt de rechtbank het volgende.

5.2.1

Aard en omvang van de hulp

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het college niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, gelet op de rechtspraak van de CRvB. Het college heeft onvoldoende in kaart gebracht welke hulp naar aard en omvang voor [naam eiseres] nodig is (stap 3 van het stappenplan). Het is de rechtbank niet duidelijk hoe het college tot het aantal uren voor persoonlijke verzorging (5 uren) en voor individuele begeleiding (6 uren) komt. In het primaire besluit 2 staat vermeld dat de indicatie is gebaseerd op een onderzoek door MO-zaak. MO-zaak zou aan de hand van de richtlijnen uit Bijlage 1 van de Nadere Regels Jeugdhulp onderzoek hebben gedaan naar de vraag of er sprake was is van bovengebruikelijke hulp. De rechtbank ziet in het rapport van MO-zaak echter niets terug van een dergelijke beoordeling. MO-zaak heeft, zonder concrete onderbouwing daartoe, 3 uur voor persoonlijke verzorging geadviseerd en heeft begeleiding individueel en begeleiding groep geadviseerd zonder daaraan een concrete tijdsindicatie te koppelen.

Ter zitting heeft het college gesteld dat de indicatie is gebaseerd op het aantal uren dat op 5 mei 2019 door de ouders zelf is doorgegeven (3 uren persoonlijke verzorging door ouders en 8 uren individuele begeleiding door [naam begeleider] , in totaal 11 uren). De rechtbank leest in het ‘persoonlijk plan PGB’ echter dat de ouders vragen om verlenging van de voorheen geldende indicatie, zijnde 3 uren persoonlijke verzorging en 11 uren begeleiding individueel, in totaal 14 uur aan jeugdhulp. Dat de ouders 14 uren aan jeugdhulp hebben aangevraagd, blijkt ook uit het rapport van de MO-zaak. De stelling van het college dat de ouders in totaal het aantal uren hebben gekregen waar zij om hebben gevraagd, volgt de rechtbank dan ook niet.

Het voorgaande betekent dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe hij tot het totaal aantal geïndiceerde uren is gekomen. Het bestreden besluit komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

5.2.2.

Vorm van de hulp

Ook heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom begeleiding individueel in de vorm van ZIN in het geval van [naam eiseres] passender is dan in de vorm van een pgb. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat het college dit standpunt hoofdzakelijk baseert op het oordeel van het ‘Kernteam van de gemeente [plaatsnaam] ’. Dit Kernteam bestaat uit een procescoördinator sociaal domein, een coördinator publiekszaken, een GZ-psycholoog, een jeugdconsulent en een GGD-jeugdarts. Ter zitting is door het college toegelicht dat aan het Kernteam zaken worden voorgelegd voor advies. Verder is toegelicht dat het Kernteam adviseert na bestudering van het dossier en dat de ouders niet worden gehoord.

Volgens het college is het Kernteam van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 8.1.1, tweede lid, onder 3 van de Jeugdwet. Op grond van dit artikel wordt het pgb verstrekt als (onder meer) naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

Volgens het Kernteam zou de deskundigheid ontbreken bij de ouders om de benodigde specialistische begeleiding en zorg gericht op gedragsregulering te kunnen bieden. Er zou sprake zijn van een systematische dynamiek tussen [naam eiseres] en haar ouders, waardoor professionele hulpverlening wordt afgehouden en [naam eiseres] niet de zorg krijgt die zij nodig heeft. Het verstrekken van een pgb voor begeleiding maakt dat dit patroon niet kan worden doorbroken. In het verweerschrift heeft het college een nadere toelichting namens het Kernteam verstrekt: “Doelen bij de individuele begeleiding waren onder andere gericht op emotieregulatie, zichzelf vermaken en verbreden van sociaal netwerk. Het kernteam is van mening dat dit lastig te realiseren is met ouders die heel dichtbij staan. Derhalve is het bevorderlijk dit te doen met een onafhankelijke zorgaanbieder. Zo is de inschatting van het kernteam, dat [naam eiseres] niet zal kunnen groeien als de ouders taken oppakken die meer passend zijn bij hulpverlening. Benadrukt wordt dat een zorgaanbieder in overleg veel kan bieden, doch niet altijd op de momenten dat de ouders dat eisen. Dit was en is de reden waarom de ouders niet akkoord konden gaan met een zorgaanbieder. De doelen die geformuleerd zijn, zijn passend bij de tijden dat een zorgaanbieder deze kan oppakken. Dit hoeft niet, zoals de ouders wensen, op afroep of op onmogelijke tijden te zijn. Het is de overtuiging van het kernteam, dat hier een professional nodig is om stappen te kunnen maken. Zodat [naam eiseres] minder afhankelijk wordt van haar ouders, hetgeen ook past bij haar leeftijd. Dit kan niet worden uitgevoerd door de ouders zelf.”

Het is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk hoe het Kernteam tot de conclusie komt dat de ouders van [naam eiseres] niet over de vereiste deskundigheid zouden beschikken om de vereiste hulp aan [naam eiseres] te bieden. Een rapportage, waaruit de bevindingen van het Kernteam blijken, ontbreekt immers. De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd waarom de ouders niet geschikt zouden kunnen zijn voor begeleiding bij emotieregulatie, zichzelf vermaken en het verbreden van het sociaal netwerk van [naam eiseres] . De ouders hebben aangevoerd dat moeder psycholoog is bij de Raad voor de Kinderbescherming. Uit de door het college weergegeven passages blijkt niet of en zo ja in hoeverre het Kernteam dit gegeven heeft meegewogen, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank wel relevant is voor de vraag of de ouders de vereiste deskundigheid bezitten om de benodigde zorg aan hun dochter te bieden. Op dit punt bevat het bestreden besluit eveneens een motiveringsgebrek.

6. Conclusie

6.1

Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens de hiervoor genoemde motiveringsgebreken. De rechtbank draagt het college op opnieuw onderzoek te verrichten op de punten hiervoor onder 5.2 genoemd, en daarbij zowel de ouders als [naam eiseres] zelf te betrekken. Vervolgens zal het college, mede op grond van de onderzoeksbevindingen een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen. Daarbij zal het college ook moeten beslissen over de door vader gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

6.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

6.3

Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten. Nu de vader van eiseres geen professionele rechtsbijstandsverlener is, wordt het verzoek afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak na een nieuw onderzoek zoals opgedragen onder rechtsoverweging 6.1;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. J.E.C. Vriends, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 26 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

Jeugdwet

Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

  1. gezond en veilig op te groeien;

  2. te groeien naar zelfstandigheid, en

  3. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, het college hun een pgb verstrekt dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een pgb verstrekt indien:

  • -

    de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • -

    de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder, niet passend achten; en

  • -

    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan bij verordening worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van iemand die behoort tot het sociale netwerk.

Artikel 8.1.4, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget kan herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:

  1. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

  2. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen,

  3. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten,

  4. e jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of

  5. de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

Op grond van het tweede lid van dit artikel bepaalt het college in de beslissing als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.

Verordening jeugdhulp gemeente [plaatsnaam] 2015

Artikel 6 - Regels voor pgb

  1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  2. Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.

  3. Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

  4. Het college verstrekt geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

Nadere regels Jeugdhulp gemeente [plaatsnaam] 2017

Artikel 2.2. - Aanvraag persoonsgebonden budget (PGB)

1. Als de jeugdige of zijn Ouder(-)s zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten, dan kunnen zij er voor kiezen om een gemotiveerde aanvraag voor een persoonsgebonden budget in te dienen. De aanvraag bevat in elk geval:

  1. de te treffen individuele voorziening en het beoogde doel:

  2. de voorgenomen uitvoering daarvan inclusief uitvoerder en kosten.

  3. de kwalificaties van zorgaanbieder of de zorgverlener uit het sociaal netwerk.

  4. e motivering waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde

zorgaanbieder (individuele voorziening in natura) niet passend is volgens de aanvrager(s).

Artikel 3.5. - Aanvullende criteria persoonsgebonden budget (PGB)

1. Het college kent in aanvulling op de in artikel 2.2 genoemde criteria een persoonsgebonden budget toe als in het gesprek als bedoeld in artikel 3.3 en op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 is vastgesteld dat:

  1. de ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen en in staat zijn te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren,

  2. voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend en toereikend wordt geacht;

  3. gewaarborgd is dat de voorziening die met het persoonsgebonden budget betaald wordt van goede kwaliteit is. De hulpvrager moet in de aanvraag weergeven op welke manier hij heeft gecontroleerd dat de voorziening van goede kwaliteit is.

2. Drie maanden voor afloop van het persoonsgebonden budget vraagt de budgethouder indien nodig een verlenging aan.

Artikel 3.6. - Hoogte van het persoonsgebonden budget (PGB)

  1. Het persoonsgebonden budget bedraagt ten hoogste 75% van de vergelijkbare ingekochte zorg in natura, zoals deze door de Zeeuwse gemeenten is ingekocht en vermeld staat op de website [naam website] . Meerkosten worden betaald door de ouders.

  2. In afwijking van het eerste lid kan het college een hoger persoonsgebonden budget toekennen als voor deze hulpvraag geen passende individuele voorziening in natura beschikbaar is en 75% van de kostprijs van de meest vergelijkbare individuele voorziening in natura niet toereikend is om de bij de hulpvraag passende jeugdhulp in te kopen. Het persoonsgebonden budget dat het college toekent, bedraagt maximaal 100% van de meest vergelijkbare individuele voorziening in natura.

  3. PBG voor inzet van sociaal netwerk wordt slechts toegekend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. het leidt aantoonbaar tot betere en effectieve ondersteuning;

  2. er is voldaan aan regelgeving rondom de te verlenen zorg;

  3. de te verlenen zorg via het sociaal netwerk werd niet verleend op het tijdstip van, of voorafgaand aan de aanvraag, en de te verlenen zorg overstijgt het niveau van de gebruikelijke hulp, zoals vermeld in bijlage 1.

  4. e zorgverlener is op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht werkzaam;

  5. de inzet van sociaal netwerk is goedkoper dan de inzet van een professionele kracht;

  6. er is een zorgplan opgesteld voor de in te zetten zorg, waarin omschreven is hoe het PGB wordt ingezet om een veilige, doelmatige, cliëntgerichte en kwalitatief goede jeugdhulp inclusief vervoer te bereiken.

4. PGB voor inzet van sociaal netwerk wordt door het college geweigerd of vastgesteld met een lager aantal uren dan aangevraagd als het college van oordeel is dat het verlenen van de zorg of het verlenen van zorg in die mate als is aangevraagd door de zorgverlener leidt tot (dreigende) overbelasting van de zorgverlener.

5. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening uit het sociale netwerk bedraagt maximaal € 20 per uur, tenzij er feiten en omstandigheden zijn om in het individuele geval een hogere vergoeding toe te kennen. Deze hogere vergoeding bedraagt maximaal 75% van vergelijkbare ingekochte zorg in natura..

6. Indien er sprake is van een verlenging van het PGB en er voordien sprake was van een hoger tarief voor inzet vanuit het sociaal netwerk, geldt een overgangsregeling. Voor het eerste jaar van verlenging geldt een tarief van 75% van het eerder vastgestelde tarief, met een minimum van € 20 per uur. In het tweede jaar en de daarop volgende jaren van verlenging geldt het tarief van maximaal € 20 per uur.

7. Het persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt in de vorm van een trekkingsrecht.

8. Er wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt voor bemiddelingskosten.