Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4328

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_3214 VV + 21_3346 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van uitkering + afwijzing van aanvraag uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/3214 PW VV en BRE 21/3346 PW VV

uitspraak van 26 augustus 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 mei 2021 (bestreden besluit I) van Orionis inzake de intrekking en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Participatiewet. (zaaknummer 21/3214)

Voorts heeft verzoeker bij Orionis bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juli 2020 (bestreden besluit II) inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet. (zaaknummer 21/3346)

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter in verband met de bestreden besluiten verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 12 augustus 2021. Verzoeker is verschenen. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Verzoeker heeft de Belgische nationaliteit en had een duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland. Bij besluit van 2 januari 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid/IND het rechtmatig verblijf van verzoeker beëindigd. Op 14 april 2020 heeft verzoeker zich (opnieuw) in Nederland gevestigd. Op

13 mei 2020 heeft hij bij Orionis een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend.

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft Orionis die aanvraag afgewezen, omdat verzoeker geen verblijfsrecht (meer) heeft. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 10 juli 2020 toegewezen en bepaalt dat Orionis aan verzoeker met ingang van 2 juni 2020 voorschotten op een bijstandsuitkering dient te verstrekken naar de voor hem geldende bijstandsnorm. (zaaknummer 20/6752)

Bij brief van 21 juli 2020 heeft Orionis aan de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening op te heffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op

10 augustus 2020 afgewezen. (zaaknummer 20/7557)

Op 22 juli 2020 heeft verzoeker bij de IND een aanvraag tot inschrijving als burger van de Unie ingediend.

Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft Orionis verzoekers bezwaar tegen het besluit van

14 mei 2020 deels gegrond verklaard. Orionis kent aan verzoeker met ingang van

22 juli 2020 een bijstandsuitkering toe en vordert de ten onrechte betaalde bijstand over de periode 2 juni tot 22 juli 2020 van verzoeker terug. Verzoeker heeft tegen het besluit van

22 oktober 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank. (zaaknummer 20/9499)

Bij beschikking van 16 november 2020 heeft de IND, naar aanleiding van verzoekers verzoek van 22 juli 2020, vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Zijn aanvraag tot inschrijving als burger van de Unie wordt afgewezen. Verzoeker heeft geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en mag niet in Nederland zijn. Hij moet Nederland binnen 4 weken verlaten. Doet hij dat niet dan wordt hij uitgezet. Verzoeker heeft tegen dit besluit van de IND bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 januari 2021 heeft Orionis verzoekers recht op bijstand met ingang van

1 januari 2021 opgeschort, omdat verzoeker bepaalde gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

Bij besluit van 2 februari 2021 heeft Orionis verzoekers bijstandsuitkering met ingang van

1 januari 2021 ingetrokken, omdat hij nog steeds de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Verzoekers bezwaar tegen dit besluit heeft Orionis met het besluit van

8 april 2021 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. (zaaknummer 21/1773) Hangende het beroep heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter op 18 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald. (zaaknummer 21/1772)

Op 2 februari 2021 heeft verzoeker zich opnieuw bij Orionis gemeld voor een bijstandsuitkering. Bij besluit van 19 februari 2021 heeft Orionis aan verzoeker met ingang van 2 februari 2021 weer een bijstandsuitkering toegekend.

Op 23 maart 2021 heeft de IND aan Orionis meegedeeld dat verzoekers bezwaar tegen de vaststelling dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft - tegen de beschikking van

16 november 2020 - ongegrond is verklaard. Verzoeker heeft tegen de beschikking van de IND van 23 maart 2021 beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 april 2021 heeft Orionis verzoekers bijstandsuitkering met ingang van

23 maart 2021 opgeschort, omdat bepaalde gevraagde gegevens niet zijn overgelegd.

Bij besluit van 23 april 2021 (primair besluit I) heeft Orionis verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 23 maart 2021 ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering over de periode 23 tot en met 31 maart 2021 ten bedrage van € 211,86 teruggevorderd. Volgens Orionis heeft verzoeker geen recht meer op bijstand, omdat zijn verblijfsrecht is ingetrokken. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 30 juni 2021 heeft de vreemdelingenrechter van de rechtbank Den Haag verzoekers beroep tegen het besluit op bezwaar van de IND van 23 maart 2021 ongegrond verklaard. (zaaknummer 21/2276)

Op 16 juli 2021 heeft verzoeker wederom bij Orionis een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering.

2. Bestreden besluit I

Met het besluit op bezwaar van 25 mei 2021 (bestreden besluit I) heeft Orionis het bezwaar van verzoeker tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Orionis stelt dat verzoeker geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Verzoeker heeft de Belgische nationaliteit en geen rechtmatig verblijf in Nederland. Door de beschikking van de IND van 23 maart 2021 en omdat er geen rechterlijke uitspraak is waarin wordt gelast dat verzoekers uitzetting achterwege moet blijven, kan hij niet langer worden gelijkgesteld met een Nederlander. Orionis stelt daarom terecht verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 23 april 2021 te hebben ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering te hebben teruggevorderd.

3. Bestreden besluit II

Bij besluit van 22 juli 2021 (bestreden besluit II) heeft Orionis verzoekers aanvraag van

16 juli 2021 om een bijstandsuitkering afgewezen, omdat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit heeft en officieel niet langer is toegelaten in Nederland. Verzoeker kan niet worden gelijkgesteld met een Nederlander.

4. Verzoeken

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij als onderdaan van België nog steeds rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dit recht kan niet worden ingetrokken vanwege een verblijf buiten Nederland langer dan 6 maanden. Zijn verblijfsrecht duurt voort na 2 januari 2018 op grond van artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zodat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder b, van de Vw 2000. Als gevolg daarvan kan verzoeker worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Overigens heeft verzoeker het besluit van de IND van 2 januari 2018 nooit ontvangen. Dat besluit is naar een onjuist adres gezonden, terwijl dat niet het laatst bekende adres was. Verzoeker heeft daarom ook nu pas bezwaar daartegen kunnen maken. Door dat bezwaar is het besluit van 2 januari 2018 geschorst.

Verzoeker heeft verder gesteld dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering op grond van artikel 11, derde lid, onder a, van de Participatiewet en het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (het Benelux-verdrag).

Verzoeker heeft bij de IND op 18 december 2020 een aanvraag ingediend om zijn onbeperkt verblijfsrecht als Benelux-onderdaan vast te stellen. In verband met het uitblijven van een besluit heeft verzoeker de IND in gebreke gesteld.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om bestreden besluit I te schorsen dan wel in verband met bestreden besluit II te bepalen dat Orionis aan hem voorschotten dient toe te kennen.

5. Toetsingskader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

6. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

7. Oordeel van de voorzieningenrechter

7.1

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de griffierechten niet zijn betaald. Verzoeker heeft om vrijstelling van het griffierecht verzocht wegens betalingsonmacht. Deze verzoeken zijn ingewilligd, zodat de verzoeken om een voorlopige voorziening inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.

7.2

Voor een voorlopige voorziening dient een spoedeisend belang aanwezig te zijn. Met betrekking tot de terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand is dat spoedeisend belang niet aangetoond. Verzoeker heeft niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat de behandeling van het beroep op dit punt niet kan worden afgewacht.

7.3

Ter beoordeling ligt aan de voorzieningenrechter daarom alleen voor of de verwachting bestaat dat de besluiten van Orionis, waarbij verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 23 maart 2021 is ingetrokken en zijn aanvraag van 16 juli 2021 om een bijstandsuitkering is afgewezen, in beroep respectievelijk bezwaar standhouden. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

Orionis heeft verzoekers bijstandsuitkering ingetrokken en zijn aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft en hij niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Verzoeker betwist dit en heeft daarbij onder meer verwezen naar artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet en het Benelux-verdrag.

Benelux-verdrag

De voorzieningenrechter stelt vast dat het Benelux-verdrag slechts voorziet in de coördinatie van het economische, financiële en sociale beleid (artikel 1, tweede lid, onder a van het verdrag). Dit geldt ook voor het opvolgende Verdrag tot instelling van de Benelux Unie van 17 juni 2008. In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a wordt immers bepaald dat de Benelux Unie zich met name richt op afstemming van het beleid op economisch, financieel en sociaal gebied. Het verdrag ziet dus niet op harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten. De verdragsregels impliceren ook niet dat een betrokkene niet hoeft te voldoen aan voorwaarden van de wetgeving van het betreffende land om aanspraak te kunnen maken op de sociale zekerheidsregelingen. Er zijn immers verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op het gebied van sociale zekerheid.

Voordat verzoeker recht heeft op een Nederlandse bijstandsuitkering zal hij derhalve dienen te voldoen aan de voorwaarden van de Participatiewet.

Nederlandse wetgeving/Participatiewet

Op grond van de Participatiewet bestaat eerst recht op een bijstandsuitkering als de bijstandsaanvrager Nederlander is of een vreemdeling is die daarmee gelijkgesteld kan worden. Een vreemdeling kan onder meer gelijkgesteld worden als hij rechtmatig verblijf in Nederland houdt, zoals bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, (artikel 11, tweede lid, van de Participatiewet) of op grond van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een verdrag (artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet).

Algemene maatregel van bestuur

De in artikel 11, derde lid, van de Participatiewet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ. (het Besluit gelijkstelling)

In het Besluit gelijkstelling is kortgezegd bepaald dat een vreemdeling met een Nederlander kan worden gelijkgesteld als hij na rechtmatig verblijf te hebben gehad tijdig dan wel verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van zijn toelating. De gelijkstelling eindigt als onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist of de uitzetting is gelast, tenzij deze op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven. In het Besluit gelijkstelling wordt het Benelux-verdrag niet genoemd als grond voor gelijkstelling.

Rechtmatig verblijf

Volgens vaste rechtspraak is het de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris/ IND om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, brengt mee dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene op de weg van de bijstandverlenende instantie om in overleg met de staatssecretaris/IND te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en voor toepassing van de Participatiewet met een Nederlander gelijk moet worden gesteld.1

Orionis heeft op 14 mei 2020 contact opgenomen met de IND om verzoekers verblijfsstatus na te gaan. Voorts heeft Orionis op 15 juli, 12 augustus en 10 september 2020 met de IND contact gehad. De IND heeft bij besluit van 16 november 2020 vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. De IND heeft dat bezwaar op 23 maart 2021 ongegrond verklaard. Orionis mag in beginsel uitgaan van de juistheid van deze besluiten van de IND. Indien zich echter na deze besluiten een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die kan leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, zou dat voor Orionis aanleiding moeten vormen om nader met de IND in overleg te treden.

Verzoeker heeft gesteld dat hij het besluit van de IND van 2 januari 2018, waarbij zijn rechtmatig verblijf is beëindigd, nooit heeft ontvangen, omdat dat naar een onjuist adres is verzonden. Inmiddels heeft hij tegen dat besluit bij de IND bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de vreemdelingenrechter verzocht om herziening van zijn uitspraak van 30 juni 2021.

Orionis heeft aangegeven dat hij op 9 augustus 2021 nogmaals contact heeft opgenomen met de IND. Volgens de IND zijn er nog twee lopende procedures van verzoeker: hoger beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Volgens de IND zijn er naast deze procedures geen nieuwe aanvragen en mogen de procedures niet in Nederland worden afgewacht.

De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan deze informatie. Daarnaast ziet zij geen aanleiding om op dit moment niet uit te gaan van de juistheid van de besluiten van de IND. Op basis van die besluiten heeft verzoeker nu geen rechtmatig verblijf in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoeker op grond van zijn verblijfstitel – vanwege het ontbreken daarvan – dan ook niet worden gelijkgesteld met een Nederlander.

8. Conclusie

Nu verzoeker niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, heeft hij geen recht op een bijstandsuitkering. Orionis heeft dan ook op goede gronden verzoekers bijstands-uitkering ingetrokken en zijn aanvraag afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter de verwachting heeft dat die besluiten in bezwaar dan wel beroep standhouden ziet zij geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Zij wijst de verzoeken daartoe daarom af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 26 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: Wettelijk kader

PARTICIPATIEWET

Artikel 11

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

Artikel 54

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58

1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

BESLUIT GELIJKSTELLING VREEMDELINGEN PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ

Artikel 1

1. Voor de toepassing van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

VREEMDELINGENWET 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

Artikel 20

1. Onze Minister is bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;

c. ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van artikel 45d is ingetrokken.

2. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder beperkingen verleend. Aan de vergunning worden geen voorschriften verbonden.

VERDRAG TOT INSTELLING VAN DE BENELUX ECONOMISCHE UNIE

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2012]

1. De onderdanen van elk der Hoge Verdragsluitende Partijen zijn bevoegd het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen binnen te komen en te verlaten.

2. Zij genieten er de behandeling welke voor de eigen onderdanen geldt voor wat betreft:

e) aanspraken inzake sociale zekerheid;

VERDRAG TOT INSTELLING VAN DE BENELUX UNIE

Artikel 2

1. De Benelux Unie heeft tot doel de samenwerking tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen te verdiepen en uit te bouwen, opdat deze verder een voortrekkersrol kan vervullen binnen de Europese Unie en de grensoverschrijdende samenwerking op alle niveaus kan versterken en verbeteren.

2. De Benelux Unie richt zich met name op:

a. het voortbestaan en de verdere ontwikkeling van een economische unie, die een vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten omvat en die een afgestemd beleid op economisch, financieel en sociaal gebied betreft, met inbegrip van een gezamenlijk beleid in de economische relaties met derde landen;

Artikel 4

De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit Deel 1 en Deel 3 van het Verdrag van 1958 zijn onverminderd van kracht, tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald.

1 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 februari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:307)