Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4324

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
C/02/351891 / FA RK 18-6125
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder wordt met gezag belast nadat oma voogdij heeft uitgeoefend. Minderjarige woont in pleeggezin. Vaststelling contactregeling met moeder en oma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg

Zaakgegevens : C/02/351891 / FA RK 18-6125

C/02/351892 / FA RK 18-6126

Nadere beschikking d.d. 24 augustus 2021

in de zaken van

[grootmoeder] , de grootmoeder moederszijde en tevens voogdes van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] (hierna: de grootmoeder mz),

wonende te [woonplaats 1] , verzoekster,

advocaat: mr. Ç. Bayrak te Bergen op Zoom,

tegen

[de vrouw] (hierna: de moeder), wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in de zaak FA RK 18-6125, advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,

en

[de man] (hierna: de vader),

verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres, doch ingeschreven te [woonplaats 3] ,

verweerder in de zaak FA RK 18-6126,

advocaat: mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom (onttrokken). De rechtbank merkt als belanghebbende in beide zaken aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT (hierna: de GI), locatie Roosendaal.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg (hierna: de Raad).

Verweerders zijn de ouders van het navolgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op 7 december 2013 (hierna: [minderjarige] ).

1 Het verdere procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

C/02/351891 / FA RK 18-6125:

- de beschikking van 20 augustus 2019 en alle daarin genoemde en vermelde stukken;

- het rapport en advies van 6 maart 2020 van de Raad;

- het F9-formulier van 25 maart 2020 van mr. Bayrak;

- het F9-formulier van 6 april 2020 van mr. Swart;

- het rapport en advies van 22 januari 2021 van de Raad;

- het F9-formulier van 1 maart 2021 van mr. Swart;

- het F9-formulier van 2 maart 2021 van mr. Bayrak;

- het rapport en advies van 9 juli 2021 van de Raad;

- de brief van 12 juli 2021 van mr. Bayrak.

C/02/351892 / FA RK 18-6126:

- de beschikking van 20 augustus 2019 en alle daarin genoemde en vermelde stukken;

- het rapport en advies van 6 maart 2020 van de Raad;

- het F9-formulier van 9 april 2020 van mr. Bayrak;

- het F9-formulier van 6 oktober 2020 van mr. De Vos;

- het rapport en advies van 22 januari 2021 van de Raad;

- het F9-formulier van 2 maart 2021 van mr. Bayrak;

- de brief van 10 maart 2021 van mr. De Vos;

- het F9-formulier van 18 mei 2021 van mr. Bayrak, met bijlagen;

- het rapport en advies van 9 juli 2021 van de Raad;

- de brief van 12 juli 2021 van mr. Bayrak;

- het F9-formulier van 22 juli 2021 van mr. De Vos;

- het F2-formulier van 22 juli 2021 van mr. De Vos.

Op 22 juli 2021 heeft de rechtbank de zaken – met gesloten deuren – nader mondeling behandeld, gelijktijdig met de nadere behandeling van de verzoeken bij de kinderrechter over uithuisplaatsing van [minderjarige] (met de zaaknummers: C/02/385562 / JE RK 21-992 en C/02/386044 / JE RK 21-1094), op welke verzoeken de kinderrechter afzonderlijk heeft beslist.

Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Swart;

- een vertegenwoordigster namens de GI;

- een vertegenwoordiger namens de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de grootmoeder mz en mr. Bayrak, met bericht van afmelding;

- de vader, zonder bericht van afmelding.

2 De nadere beoordeling

2.1

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 20 augustus 2019. Hierbij heeft de rechtbank aan de Raad verzocht om nader te rapporteren en te adviseren over de voorliggende verzoeken over gezag en omgang ten aanzien van [minderjarige] . In afwachting daarvan heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken in beide zaken pro forma aangehouden tot 18 februari 2020. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen afgewezen en de grootmoeder mz niet- ontvankelijk verklaard in haar verzoek over het betalen van kinderalimentatie.

2.2

Aan de orde zijn nog de verzoeken van de grootmoeder mz: C/02/351891 / FA RK 18-6125:

- te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de moeder één weekend per 14 dagen

van vrijdag tot en met zondag omgang heeft met [minderjarige] , alsmede gedurende één derde van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader (de rechtbank begrijpt: de moeder) zorg zal dragen voor het vervoer van [minderjarige] bij het halen en brengen;

- kosten rechtens;

C/02/351892 / FA RK 18-6126:

- te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vader één weekend per 14 dagen van vrijdag tot en met zondag omgang heeft met [minderjarige] , alsmede gedurende één derde van de vakanties en feestdagen, waarbij de vader zorg zal dragen voor het vervoer van [minderjarige] bij het halen en brengen;

- kosten rechtens.

2.3

In de zaak C/02/351891 / FA RK 18-6125 zijn daarnaast nog aan de orde de zelfstandige verzoeken van de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar gedurende één weekend per 14 dagen van vrijdag na school tot en met zondag na het avondeten, alsmede gedurende één derde van de vakanties en feestdagen, alsmede enkele middagen/avonden doordeweeks wanneer het rooster van de moeder toestaat waarbij de moeder direct na ontvangst van haar rooster contact zal leggen met de grootmoeder mz teneinde door te geven wanneer de extra omgangsmomenten kunnen plaatsvinden, althans een zodanige regeling die de rechtbank in goede justitie juist acht;

- te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren op 7 december 2013, voortaan aan de moeder toekomt;

- althans zodanige regelingen ter zake van bovenstaande verzoeken welke de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

- kosten rechtens.

2.4

In de zaak C/02/351892 / FA RK 18-6126 zijn daarnaast nog aan de orde de zelfstandige verzoeken van de vader, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de vader samen met de moeder zal worden belast met ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

- te bepalen dat de vader contact heeft met [minderjarige] zolang zij bij haar oma woont:

o tot en met 18 augustus 2019 gedurende een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag tot en met maandagochtend, alsmede gedurende het 1/3 deel

van de vakanties en feestdagen, waarbij hij zorg draagt voor het halen en terug brengen van [minderjarige] ;

o vanaf 18 augustus 2019 gedurende een weekend per 14 dagen van donderdagmiddag tot en met maandagochtend, alsmede gedurende het 1/3 deel van de vakanties en feestdagen, waarbij hij zorg draagt voor het halen en terug brengen van [minderjarige] .

2.5

Bij voornoemd rapport van 6 maart 2020 heeft de Raad, kortgezegd, geadviseerd om de beslissing over de verzoeken over gezag en omgang ten aanzien van [minderjarige] in beide zaken aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad heeft toegezegd dat hij kort voorafgaand aan het aflopen van die periode (nader) zal rapporteren en adviseren. Gelet daarop, heeft de rechtbank de beslissing over de voorliggende verzoeken in beide zaken, met instemming van de grootmoeder mz en de moeder, pro forma aangehouden tot 6 oktober 2020, in afwachting van het (nadere) rapport en advies van de Raad.

2.6

Bij F9-formulier van 6 oktober 2020 heeft mr. De Vos, namens de vader, voor zover van belang, het zelfstandig verzoek d.d. 14 februari 2020 van de vader gewijzigd c.q. aangevuld, in die zin dat de vader nu tevens verzoekt om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben.

2.7

Bij voornoemd rapport van 22 januari 2021 heeft de Raad nader gerapporteerd en, kortgezegd, geadviseerd om de voogdij van de grootmoeder mz over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast. Daarnaast adviseert de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen en een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd en tot zondagavond 19:00 uur bij de moeder verblijft, alsmede tijdens de helft van de vakanties en feestdagen.

2.8

Bij brief van 10 maart 2021 heeft mr. De Vos, namens de vader, kortgezegd, aangevoerd dat hij grotendeels kan instemmen met het advies van de Raad, maar dat hij het niet langer in het belang van [minderjarige] acht om de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten. Anders dan hij bij zijn oorspronkelijke zelfstandige verzoek heeft verzocht, verzoekt de vader dan ook om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Daarnaast verzoekt de vader om een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan [minderjarige] en de moeder eenmaal per veertien dagen van vrijdag na schooltijd en tot zondag contact met elkaar hebben. De vader kan er ten slotte mee instemmen dat er een contactregeling tussen [minderjarige] en de grootmoeder mz wordt vastgelegd.

2.9

Naar aanleiding van ontwikkelingen na maart 2021, heeft de Raad zijn advies van 22 januari 2021 heroverwogen en bij voornoemde rapport en advies d.d. 9 juli 2021 opnieuw (aanvullend) gerapporteerd en geadviseerd.

Bij voornoemd rapport van 9 juli 2021 handhaaft de Raad het advies om de voogdij van de grootmoeder mz te beëindigen. De Raad legt daaraan ten grondslag dat, hoewel [minderjarige] niet langer bij haar vader opgroeit, de verhouding tussen haar en de grootmoeder mz ongewijzigd is. [minderjarige] verblijft momenteel met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin en dus niet bij de grootmoeder mz. De Raad verwijst naar het rapport en advies d.d. 22 januari 2021. Hieruit is gebleken dat de grootmoeder mz onvoldoende kan aansluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] . Daarnaast verblijft [minderjarige] al enige tijd niet meer bij de grootmoeder mz, waardoor zij meer op afstand van elkaar zijn komen te staan. De Raad is van mening dat het voor [minderjarige] duidelijk moet zijn dat een terugplaatsing bij haar oma niet

meer aan de orde is.

In tegenstelling tot zijn advies van 22 januari 2021, waarbij de Raad heeft geadviseerd om beide ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten, adviseert de Raad nu om de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Gelet op de ontwikkelingen na maart 2021 zijn de ouders naar de mening van de Raad niet (meer) in staat om gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De vader heeft zich in de afgelopen periode namelijk volledig onttrokken aan alle verantwoording met betrekking tot [minderjarige] . Hij is niet bereikbaar voor de moeder, de grootmoeder mz en de hulpverlening en hij reageert nergens meer op. Daarnaast is het onduidelijk of de vader in Nederland zal blijven of dat hij naar Aruba zal vertrekken. Om te voorkomen dat er geen (gezags-)beslissingen meer kunnen worden genomen over [minderjarige] of dit in de toekomst moeizaam zal verlopen, vindt de Raad het op dit moment niet mogelijk om de vader (mede) te belasten met het gezag over [minderjarige] . De Raad is van mening dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] dient te worden belast. De Raad vindt het van belang dat er nu duidelijkheid komt over het gezag.

Hoewel het tegenstrijdig lijkt om de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten nu het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin lijkt gelegen, heeft de Raad hierbij afgewogen dat de moeder de huidige plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin accepteert en ondersteunt en zij [minderjarige] niet lijkt te belasten met haar eigen emoties daarover. Ook respecteert de moeder de rol van de grootmoeder mz in het leven van [minderjarige] . Nu [minderjarige] bij het pleeggezin verblijft, is het volgens de Raad voor de moeder bovendien wellicht gemakkelijker om invulling te geven aan haar moederrol. Voortzetting van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is volgens de Raad nog wel noodzakelijk gelet op de recente plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. Mogelijk kan de plaatsing van [minderjarige] , aldus de Raad, op termijn op vrijwillige basis worden voortgezet.

Over de contacten tussen [minderjarige] en haar moeder/de grootmoeder mz stelt de Raad dat partijen hierover in de afgelopen periode afspraken hebben gemaakt. [minderjarige] zal eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school en tot zondag 19:00 uur bij haar moeder verblijven, alsmede tijdens (een deel van) de vakanties en feestdagen. De concrete invulling hiervan zal in het kader van de ondertoezichtstelling verder worden uitgewerkt. In de andere week zal [minderjarige] van vrijdag uit school tot 18:30 uur contact hebben met de grootmoeder mz.

Daarnaast zal [minderjarige] tijdens de vakanties soms bij haar oma logeren en is er sprake van tweewekelijks belcontact.

Over het contact tussen [minderjarige] en de ex-partner van de vader ( [ex partner vader] ) zijn geen structurele afspraken gemaakt. Dit zal steeds vrijblijvend plaatsvinden.

Over het contact tussen [minderjarige] en haar vader zijn evenmin afspraken gemaakt, omdat de vader niet reageert op uitnodigingen van de GI om het gesprek hierover aan te gaan. De Raad vindt het van belang dat [minderjarige] contact heeft met haar vader. Hoewel het nog onduidelijk is of de vader daadwerkelijk naar Aruba zal vertrekken, is het volgens de Raad wel van belang is dat [minderjarige] afscheid van hem kan nemen als hij vertrekt. Daarnaast dienen er afspraken te worden gemaakt over het contact op afstand. Zo zou er eenmaal per week een (beeld)contactmoment kunnen plaatsvinden. Als de vader besluit om in Nederland te blijven, dan vindt het Raad het van belang dat er een structurele omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] wordt vastgelegd, waarbij zij (minimaal) eenmaal per week gedurende twee uren contact met elkaar hebben. Nu de vader niet meer wordt ondersteund door zijn ex-partner, lijkt hij volgens de Raad niet bij machte om [minderjarige] bij hem te laten logeren.

De Raad complimenteert ten slotte de moeder, de grootmoeder mz en de GI vanwege hun inspanningen in de afgelopen periode.

2.10

Bij brief van 12 juli 2021 heeft mr. Bayrak, namens de grootmoeder mz, kortgezegd, aangevoerd dat zij het nog steeds oneens is met uithuisplaatsing van [minderjarige] in een

pleeggezin en zij vindt dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar dient te worden bepaald. Nu de kinderrechter echter ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend, berust zij zich in de situatie en stemt zij in met de adviezen van de Raad. Gelet daarop heeft mr. Bayrak, namens de grootmoeder mz, haar primaire verzoeken tot het vaststellen van omgang tussen [minderjarige] en beide ouders ingetrokken. Daarnaast verzoekt de grootmoeder mz om de omgangsregeling waar zij en [minderjarige] momenteel uitvoering aan geven op te nemen in deze beschikking. Zij verzoekt dan ook, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [minderjarige] om de week van vrijdag uit school en tot 18:30 uur bij de grootmoeder mz verblijft, zij om de week een belcontact hebben en [minderjarige] in de schoolvakanties bij de grootmoeder mz zal logeren.

2.11

Bij F2-formulier van 22 juli 2021 heeft mr. De Vos zich onttrokken als advocaat van de vader in deze procedure. Uit het bijgevoegde F9-formulier van 22 juli 2021 blijkt dat mr. De Vos zich daartoe genoodzaakt ziet, omdat zij sinds eind mei / begin juni 2021 niet meer in contact kan komen met de vader.

2.12

De rechtbank heeft de voorliggende verzoeken vervolgens nader mondeling behandeld op 22 juli 2021, gelijktijdig met de nadere behandeling van de verzoeken bij de kinderrechter over uithuisplaatsing van [minderjarige] .

2.13

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 juli 2021 (met de zaaknummers: C/02/385562 / JE RK 21-992 en C/02/386044 / JE RK 21-1094) is, voor zover van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 maart 2022.

2.14

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.

Het gezag over [minderjarige]

2.15

Beide ouders verzoeken – de vader na wijziging van zijn verzoek d.d. 10 maart 2021

– om te worden belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.16

Artikel 1:253b, eerste, tweede en vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat in het geval de moeder ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, op het tijdstip dat de moeder bevoegd wordt tot het verkrijgen van gezag, verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten. Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

2.17

Artikel 1:253c, eerste lid BW bepaalt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Uit het vierde lid van voornoemd artikel volgt dat wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts wordt afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

2.18

De rechtbank is van oordeel dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]

dient te worden belast en niet de vader.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] minderjarig was waardoor zij destijds onbevoegd was om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen, maar dat zij inmiddels al enkele jaren meerderjarig is en dus bevoegd om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Uit de rapportages van de Raad, die meermaals uitvoerig onderzoek heeft verricht, voldoende blijkt dat de moeder de plaatsing van [minderjarige] in het huidige pleeggezin accepteert en ondersteunt. Zij neemt haar verantwoordelijkheid voor [minderjarige] . De moeder belast [minderjarige] niet met haar eigen emoties over de uithuisplaatsing en zij respecteert de rol van de grootmoeder mz als oma in het leven van [minderjarige] . Gelet daarop adviseert de Raad om de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten. Ook de GI stemt daarmee in.

Daartegenover staat, zo blijkt uit het laatste rapport en advies van de Raad d.d. 9 juli 2021, dat de vader in de afgelopen maanden alle verantwoordelijkheid met betrekking tot [minderjarige] heeft afgehouden, hij niet bereikbaar is voor de moeder, de grootmoeder mz en de hulpverlening en hij nergens op reageert. De vader komt wel onaangekondigd langs en hij heeft tegen [minderjarige] gezegd dat zij haar pleegmoeder moet vragen om hem, zonder tussenkomst van de GI, te bellen. Dat is dan hun geheim, zo heeft de vader volgens de GI tegen [minderjarige] gezegd. [minderjarige] weet echter niet hoe zij hiermee moet omgaan. De vader wil niet samenwerken met de GI en is het nog onduidelijk of de vader naar Aruba zal vertrekken. Voor het uitoefenen van het gezag over een minderjarige is echter vereist dat de gezagsdrager betrokken is bij de minderjarige en bereikbaar om (gezags-)beslissingen te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook gegronde vrees dat dat bij inwilliging van het verzoek van de vader er een gezagsvacuüm zal ontstaan waardoor de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Gelet hierop alsmede het uitgangspunt van de wetgever dat aan gezag van een ouder de voorkeur moet worden gegeven boven een derde, tenzij sprake is van hiervoor genoemde ontzeggingsgrond, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen in die zin dat de moeder met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] zal worden belast. Het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Nu de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal worden belast, vervalt de voogdij van de grootmoeder mz over [minderjarige] van rechtswege.

De omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar moeder / de grootmoeder mz

2.19

Artikel 1:377a, eerste lid, eerste volzin BW bepaalt dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

2.20

De rechtbank stelt vast dat de moeder als zijnde ouder van [minderjarige] recht heeft op omgang met [minderjarige] op grond van hiervoor genoemd artikel. Daarnaast bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder mz en [minderjarige] , aangezien [minderjarige] langere tijd bij haar heeft gewoond en de grootmoeder mz tot heden de voogdes van [minderjarige] is (geweest). Gelet hierop kunnen zowel de moeder als de grootmoeder mz naar het oordeel van de rechtbank worden ontvangen in hun (gewijzigde) verzoeken tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige] .

2.21

Gebleken is dat de moeder en de grootmoeder mz in de afgelopen periode in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de contacten tussen hen en [minderjarige] . Op

basis daarvan verblijft [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school en tot zondag 19:00 uur bij haar moeder, alsmede tijdens (een deel van) de vakanties en feestdagen. De concrete invulling van die zorgregeling zal in het kader van de ondertoezichtstelling nader worden uitgewerkt. In de andere week verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot 18:30 uur bij de grootmoeder mz. Daarnaast zal [minderjarige] tijdens de vakanties soms bij haar oma logeren en is er sprake van tweewekelijks belcontact.

2.22

Gelet op de overeenstemming tussen de moeder en de grootmoeder mz zal de rechtbank voornoemde omgangsregelingen tussen [minderjarige] en haar moeder / de grootmoeder mz dienovereenkomstig vaststellen. Hoewel de GI tijdens de mondelinge behandeling haar twijfels heeft geuit over het vaststellen van voornoemde omgangsregelingen omdat het, zodra daar ruimte voor zal ontstaan, dan lastig zal zijn om daarnaast nog een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om haar nu duidelijkheid te geven over haar contacten met haar moeder en de grootmoeder mz. Daarbij gaat de rechtbank er van uit dat zodra er ruimte ontstaat voor omgang tussen [minderjarige] en de vader, de GI daarover regie zal voeren.

Het gewijzigde verzoek van de grootmoeder mz en het zelfstandige verzoek van de moeder tot het vaststellen van omgang zal dan ook op onderstaande wijze worden toegewezen.

De omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vader

2.23

De vader heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht, kortgezegd, om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen zolang zij nog bij de grootmoeder mz woont. Aangezien [minderjarige] momenteel met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verblijft en dus niet meer bij de grootmoeder mz, is dit verzoek naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

2.24

Aangezien de vader belangrijk is en blijft in het leven van [minderjarige] , hoopt de rechtbank dat ook de vader de komende periode zal meewerken met de hulpverlening en er een structurele omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] tot stand zal komen. [minderjarige] heeft behoefte aan contact met hem. De vader moet zich dan wel houden aan de afspraken. Er moet worden voorkomen dat [minderjarige] opnieuw een verlieservaring zal meemaken.

Het hoofdverblijf

2.25

Aan de rechtbank ligt nog voor het gewijzigde c.q. aangevulde zelfstandige verzoek van de vader d.d. 6 oktober 2020 om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben. Nu de ouders niet gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en de moeder, zoals hiervoor is overwogen, met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] zal worden belast, is het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader niet aan de orde. Het verzoek van de vader om het hoofdverblijf bij hem te bepalen zal dan ook worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

C/02/351891 / FA RK 18-6125:

belast de moeder, mevrouw [de vrouw] , geboren op 19 mei 1998 te [geboorteplaats 2] , vanaf heden met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op 7 december 2013;

verstaat dat de voogdij van de grootmoeder moederszijde over de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] daarmee van rechtswege eindigt;

bepaalt dat de moeder en de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur, alsmede tijdens (een deel van) de vakanties en feestdagen;

bepaalt dat de grootmoeder mz en de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] in de week dat er geen contactregeling is met de moeder gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar op vrijdag uit school en tot diezelfde dag om 18:30 uur. Daarnaast zal [minderjarige] tijdens de vakanties soms bij de grootmoeder mz logeren en is er sprake van tweewekelijks belcontact;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af;

C/02/351892 / FA RK 18-6126:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. van Triest, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021, bijgestaan door mr. B.T.M. Wallerbos als griffier.

(BW)

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen

op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.