Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4323

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
C/02/370550 / FA RK 20-1595
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vechtscheiding. Mondelinge wijziging van het verzoek wordt toegestaan. Rechtbank stelt contactregeling vast afwijkend van advies van de Raad. Al langdurig bestaande wens van minderjarigen wordt gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaakgegevens: C/02/370550 / FA RK 20-1595

Nadere beschikking d.d. 24 augustus 2021


in de zaak van

[de vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,

tegen

[de man] (hierna: de man),

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,

ouders van de navolgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren te ‘ [geboorteplaats 1] op 15 januari 2007 (hierna: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op 18 augustus 2009 (hierna: [minderjarige 2] ).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg (hierna: de Raad), om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • -

    de beschikking van 1 september 2020 en alle daarin genoemde en vermelde stukken;

  • -

    de brief van 21 april 2021 van mr. Huijsmans;

  • -

    de op 22 juni 2021 ingekomen brief van de minderjarige [minderjarige 1] ;

  • -

    de op 22 juni 2021 ingekomen brief van de minderjarige [minderjarige 2] ;

  • -

    het rapport en advies van 1 juli 2021 van de Raad;

  • -

    de brief van 16 juli 2021 van mr. Huijsmans, tevens houdende een vermeerdering van de zelfstandige verzoeken;

  • -

    de brief van 19 juli 2021 van mr. Teusink.

1.2

Op 22 juli 2021 heeft de rechtbank de verzoeken – met gesloten deuren – (nader) mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.

1.3

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op 20 juli 2021, hebben de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens een afzonderlijk gesprek met de (kinder)rechter hun mening over de verzoeken kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft dit gesprek kort samengevat weergegeven bij de mondelinge behandeling.

2 De nadere beoordeling

2.1

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 1 september 2020. Hierbij is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen naar, kortgezegd, de vraag of wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen tegemoet komt aan de belangen van de minderjarigen en zo ja, hoe die regeling dan dient te worden vormgegeven. In afwachting van het rapport en advies van de Raad, heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken aangehouden.

2.2

Aan de orde zijn de verzoeken van de vrouw, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te wijzigen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 20 maart 2013 (252253 / FA RK 12-3551), en het ouderschapsplan d.d. 30 oktober 2012, alsmede de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 20 juni 2017 (C/02/328932 / JE RK 17-584), voor zover voormelde beschikkingen en het ouderschapsplan betreffen de daarin vastgestelde c.q. door partijen afgesproken zorgregeling van de man met de minderjarigen, en

- te bepalen dat de regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de man met de minderjarigen, behoudens voor zover het betreft de verdeling van de vakanties, feestdagen en speciale dagen, wordt gewijzigd en de minderjarigen voortaan bij de man verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur, althans zo te beslissen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Daarnaast zijn aan de orde de zelfstandige verzoeken van de man:

I. te bepalen dat de man omgang heeft met de minderjarigen gedurende éénmaal per veertien dagen vanaf donderdag 15:00 uur tot maandagochtend bij de start van de school;

II. de vrouw te veroordelen tot nakoming van deze omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 150,= voor iedere maal dat zij deels of geheel deze omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 15.000,=;

en het zelfstandige verzoek van de man (na vermeerdering van zijn zelfstandige verzoeken d.d. 16 juli 2021):

III. de vrouw te verbieden om zonder toestemming van de man de woonplaats van de minderjarigen te wijzigen.

2.3

Bij voornoemd rapport van 1 juli 2021 concludeert de Raad, samengevat, als volgt. Doordat partijen geen overeenstemming hebben over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, worden de minderjarigen al jarenlang belast met spanningen en wantrouwen tussen de ouders. De minderjarigen geven signalen af dat zij klem zitten tussen hun ouders en doen uitspraken die niet passend zijn bij hun leeftijd. De minderjarigen hebben voornamelijk een negatieve mening over de thuissituatie bij de vader, maar kunnen dat volgens de Raad niet concreet onderbouwen.

Op basis van de zorgregeling waar partijen momenteel feitelijk uitvoering aan geven verblijven de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school en tot maandagochtend tot school bij de man. Daarnaast verblijven de minderjarigen in de andere week van woensdag na schooltijd tot donderdagochtend tot schooltijd bij de man. Uit het onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat deze zorgregeling bij de minderjarigen leidt tot onrust en stress. Daarnaast worden de minderjarigen beperkt bij het onderhouden van hun sociale bezigheden. De Raad vindt het echter wel in het belang van de (identiteits-)ontwikkeling van de minderjarigen dat de man structureel deel uitmaakt van het leven en de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Verder is gebleken dat de minderjarigen met beide ouders leuke momenten beleven en er zijn geen redenen naar voren gekomen om de zorgregeling te beperken. Het beperken van de tijd tussen de man en de minderjarigen doet bovendien af aan de kwaliteit van het contact. De Raad vindt de zorgregeling zoals door de vrouw is verzocht dan ook te minimaal.

Gelet op het voorgaande adviseert de Raad, naar de rechtbank begrijpt, om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en te bepalen dat de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van woensdag 19:00 uur en tot zondagavond bij de man verblijven, waarbij de minderjarigen uiterlijk om 21:00 uur bij de vrouw thuis zijn, en partijen het halen en brengen van de minderjarigen in nader onderling overleg dienen te bepalen. De Raad vindt het niet in het belang van de minderjarigen dat de zorgregeling tot maandagochtend zal duren vanwege de daarmee gepaard gaande haast en onrust voor de minderjarigen op maandagochtend voor school. Het terugbrengen op zondagavond leidt daarentegen tot meer rust en draagt bij aan een goede start van de nieuwe schoolweek. Deze wijziging zal voor de minderjarigen even wennen zijn, maar volgens de Raad op langere termijn wel meer rust creëren. Hoewel het advies van de Raad afwijkt van de mening van de minderjarigen, komt de Raad hen tegemoet doordat de woensdag in de andere week zal vervallen.

De Raad adviseert daarnaast om voor de minderjarigen een buddy aan te stellen. De Raad betwijfelt ten slotte de haalbaarheid van het inzetten van hulpverlening, aangezien dat in het verleden niet toereikend is geweest voor het wegnemen van bovengenoemde zorgen en het de strijd tussen partijen naar verwachting alleen maar zal verergeren.

2.4

Bij de op 22 juni 2021 ingekomen brieven en tijdens de gesprekken die de minderjarigen voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 20 juli 2021 afzonderlijk van elkaar hebben gevoerd met de (kinder)rechter, hebben beide minderjarigen aangegeven dat zij de huidige zorgregeling niet prettig vinden. Op maandagochtend moeten zij zich namelijk vaak haasten om op tijd op school te komen. Zij willen liever eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond na etenstijd bij hun vader verblijven. Zij hebben het gevoel dat er, ook door de Raad, niet naar hen geluisterd wordt.

2.5

Tijdens de mondelinge behandeling is namens en door de vrouw aangevoerd dat zij haar verzoek handhaaft en zij dus niet instemt met het advies van de Raad.

Ter onderbouwing daarvan stelt de vrouw dat de huidige zorgregeling niet in het belang van de minderjarigen is. Beide minderjarigen hebben behoefte aan meer structuur en minder onrust. Daarnaast vindt de vrouw dat de mening van de minderjarigen niet kan worden gepasseerd. Zij hebben een duidelijke mening over de zorgregeling met hun vader en voelen zich niet gehoord. Als het advies van de Raad wordt gevolgd en de mening van de minderjarigen wordt gepasseerd, dan zal er volgens de vrouw een geforceerde situatie ontstaan. De vrouw stelt dat zij de minderjarigen heeft horen zeggen dat zij dan zullen weglopen. Hoewel de minderjarigen volgens de vrouw waarschijnlijk niet daadwerkelijk zullen weglopen, geven zij daarmee uiting aan hun beleving en ongenoegen. Daarbij zal de door de Raad geadviseerde zorgregeling gelet op de weerstand van de minderjarigen en omdat de ouders nauwelijks met elkaar communiceren lastig uitvoerbaar zijn. De vrouw stelt ten slotte naar aanleiding van het verweer van de man dat zij en haar partner momenteel geen concrete verhuisplannen hebben en zij slechts de mogelijkheden daartoe onderzoeken. De verhuisplannen zijn niet concreet, omdat de minderjarigen nog naar school gaan, zij contact moeten hebben met hun vader en het met het oog op de huidige woningmarkt moeilijk is om een andere woning te kopen. Aan de andere kant, zo stelt de vrouw, is zij ook niet geïnformeerd door de man toen hij, weliswaar binnen [woonplaats 2] , is verhuisd. Ook is zij niet op de hoogte van de vakantieplannen van de man met de minderjarigen in de zomervakantie.

2.6

Tijdens de mondelinge behandeling is namens en door de man aangevoerd dat hij instemt met het advies van de Raad. Gelet daarop heeft mr. Huijsmans tijdens de mondelinge behandeling, namens de man, het zelfstandig verzoek tot wijziging van de zorgregeling mondeling gewijzigd in die zin dat de man nu verzoekt om de zorgregeling tussen hem en de minderjarigen te wijzigen overeenkomstig het advies van de Raad. Hij verzoekt nu dus, onder wijziging van de bestaande zorgregeling tussen de man en de minderjarigen, om een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van woensdag 19:00 uur en tot zondagavond bij de man verblijven, waarbij de minderjarigen uiterlijk om 21:00 uur bij de vrouw thuis zijn, en partijen het halen en brengen van de minderjarigen in nader onderling overleg zullen bepalen. Anders dan bij zijn oorspronkelijke zelfstandige verzoek, heeft hij niet verzocht om het toepassen van een dwangsom indien de vrouw de (gewijzigde) zorgregeling niet zou nakomen.

Namens en door de man is daartoe aangevoerd dat hij gezien de slechte verstandhouding tussen partijen, de daarmee gepaard gaande spanningen en mogelijk druk die de minderjarigen ervaren, betwijfelt in hoeverre zij in staat zijn om hun daadwerkelijke wensen en behoeften te uiten. De man gelooft niet dat de minderjarigen zullen weglopen wanneer er afwijkend van hun mening zal worden beslist, aangezien de contacten op zichzelf positief verlopen. Daarnaast brengen de minderjarigen al minder tijd met hem door dan met de vrouw. Over de aankomende vakantie van de man met de minderjarigen stelt de man dat zij in Nederland zullen blijven en hij daarvoor dan ook geen toestemming behoeft van de vrouw.

Mondelinge wijziging van de zelfstandige verzoeken van de man

2.7

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek mondeling gewijzigd. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de wet vereist dat een wijziging of vermeerdering van een verzoek schriftelijk wordt gedaan, valt, gelet op de aard van de verzoekschriftprocedure, die in beginsel aan minder vormen is gebonden dan de dagvaardingsprocedure, aan te nemen dat onder omstandigheden ook een verandering of vermeerdering van verzoeken mondeling kan plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich voor. Door de wijziging wordt de vrouw, niet onredelijk bemoeilijkt in de mogelijkheid tot het voeren van verweer. De man heeft zijn verzoek immers overeenkomstig het advies van de Raad vermeerderd. De vrouw heeft zich daarop al kunnen voorbereiden en, nu zij heeft mogen reageren op het conceptrapport van de Raad, haar standpunt kunnen bepalen. Daarnaast vindt de rechtbank het, gelet op de aard van de verzoeken over en weer, in het belang van de minderjarigen dat zij conform het advies van de Raad kan beslissen, ook al hebben beide partijen bij hun inleidende (zelfstandige) verzoeken niet aan de rechtbank (subsidiair) verzocht om een andere in goede justitie te bepalen zorgregeling vast te stellen. Het bezwaar van de vrouw tegen de mondelinge wijziging van het verzoek zal dan ook worden verworpen.

Wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

2.8

De rechtbank overweegt dat de minderjarigen al jarenlang in een situatie verkeren waarin zij klem zitten tussen hun ouders. Ook geven beide minderjarigen al langere tijd aan dat zij niet meer op woensdagen naar hun vader willen gaan. De man ziet deze wens van de minderjarigen als uiting van de klemsituatie waarin de minderjarigen verkeren, terwijl de vrouw overtuigd is van de oprechtheid van de wens van de minderjarigen. De rechtbank vindt dat de minderjarigen in een moeilijke situatie zitten en dat beide ouders daar debet aan zijn. Beide ouders blijken niet bereid om, in het belang van de minderjarigen, de al jarenlang aanwezige onderlinge strijd te staken en de strijdbijl te begraven. De Raad heeft in de afgelopen periode uitvoerig onderzoek verricht en komt eveneens tot de conclusie dat de minderjarigen al veel te lang door de ouders in de strijd worden betrokken. De Raad heeft daarom een advies opgesteld dat afwijkt van de verzoeken die beide ouders in eerste instantie hebben gedaan. De rechtbank vindt echter dat het tijd wordt dat het gemakkelijker wordt voor deze jongens en zal de wens die zij al langdurig uiten daarom volgen. Juist omdat de minderjarigen deze wens al langdurig uiten, twijfelt de rechtbank niet aan de oprechtheid daarvan. De rechtbank benadrukt daarbij dat het contact tussen de man en de minderjarigen van wezenlijk belang is voor hun identiteitsontwikkeling, maar vindt het daarnaast ook van belang dat de tijd die de man en de minderjarigen met elkaar doorbrengen onbeladen is en positief kan worden ingevuld. De man dient zich dan ook niet slechts te richten op de tijdsduur van het contact die hij met de minderjarigen heeft, maar juist op de kwaliteit daarvan. De rechtbank heeft de verwachting dat, indien er een zorgregeling wordt opgelegd waar de minderjarigen niet achter zeggen te staan, de kwaliteit van het contact tussen de man en de minderjarigen niet ten goede zal komen. Ook begrijpt de rechtbank dat contact tot maandagochtend of zondagavond laat niet wenselijk is met het oog op de schoolgang van de minderjarigen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, onder wijziging van de bestaande reguliere zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 20 maart 2013 (252253 / FA RK 12-3551), en het ouderschapsplan d.d. 30 oktober 2012, bepalen dat de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van vrijdag na schooltijd en tot zondagavond 19:00 uur bij de man zullen zijn, waarbij de minderjarigen op zondagavond de avondmaaltijd bij de man zullen nuttigen. Anders dan door de vrouw is verzocht, behoeft de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2017 (C/02/328932 / JE RK 17-584) naar het oordeel van de rechtbank niet te worden gewijzigd, omdat daarbij slechts de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen met betrekking tot de vakanties, feestdagen en speciale dagen is gewijzigd en niet de reguliere zorgregeling. De in voornoemde beschikking van de kinderrechter opgenomen verdeling van de vakanties, feestdagen en speciale dagen blijft dus onverminderd van kracht.

Verhuisverbod

2.9

Wat betreft het zelfstandige verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw niet zonder zijn toestemming met de minderjarigen mag verhuizen, stelt de rechtbank vast dat het vereiste dat de ouder bij wie een minderjarige zijn hoofdverblijf heeft de toestemming behoeft van de andere ouder ingeval de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast reeds voortvloeit uit de wet. Hieruit volgt dat louter het vaststellen daarvan geen beslissing van de rechtbank behoeft. De vrouw heeft echter blijkbaar wel plannen om te verhuizen en zij heeft de man daar tot nu toe niet in meegenomen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het zelfstandige verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw niet zonder zijn toestemming met de minderjarigen mag verhuizen op juridische gronden afwijzen. De rechtbank spreekt daarbij wel de hoop uit dat partijen binnen het hulpverleningstraject dat zij via Kind in Scheiding Zeeland (KisZ) gaan volgen zullen leren om elkaar als opvoedpartners te zien, leren te communiceren op ouderniveau en dat zij elkaar in een vroegtijdig stadium zullen meenemen in belangrijke plannen en zaken die de minderjarigen aangaan. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de vakantieplannen die de ouders met de minderjarigen hebben. Ouders met gezag behoren immers te weten waar hun kinderen verblijven, ook al verblijft de andere ouder met de minderjarigen in Nederland. Ook hoort een vakantiebestemming voor de minderjarigen geen geheim te zijn dat zij niet met de andere ouder mogen delen, maar juist iets leuks waar zij zich met beide ouders op kunnen verheugen.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 20 maart 2013 (252253 / FA RK 12-3551), en het ouderschapsplan d.d. 30 oktober 2012, voor zover het de (reguliere) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen betreft, en:

bepaalt dat de man en de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op 15 januari 2007;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op 18 augustus 2009,

gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag uit school en tot zondagavond 19:00 uur, waarbij de minderjarigen op zondagavond de avondmaaltijd bij de man zullen nuttigen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. van Triest, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021, bijgestaan door mr. B.T.M. Wallerbos als griffier.

(BW)

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.