Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4305

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6609 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.J.M. van Rijsewijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 7 januari 2020 (primair besluit 1) heeft het college eisers bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ingetrokken over de periode van 30 juli 2019 tot en met 29 oktober 2019.

In een besluit van eveneens 7 januari 2020 (primair besluit 2) heeft het college eisers de over de periode van 1 januari 2019 tot en met 29 oktober 2019 te veel betaalde bijstand van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 5.117,50.

In een besluit van 2 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten gegrond verklaard. Het college heeft daarbij bepaald dat eisers recht op bijstand wordt ingetrokken over de periode van 21 augustus 2019 tot en met
30 oktober 2019. Eisers recht op bijstand wordt herzien over de maanden januari 2019, februari 2019 en april 2019. De hoogte van de terugvordering is vastgesteld op € 3.790,95.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 3 juni 2021. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en namens het college [naam vertegenwoordiger ] .

De termijn voor het doen van uitspraak is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontving vanaf 1 februari 2012 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

Na een melding heeft de politie op 30 oktober 2019 een hennepdrogerij/-kwekerij met 572 gram hennep aangetroffen in de woning van eiser. Hierop heeft het college eiser bij brief van 5 november 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 15 november 2019, onder medebrenging van onder andere financiële gegevens. Eiser is verschenen op dit gesprek, maar heeft niet de gevraagde gegevens overgelegd. Daarop heeft het college bij brief van 15 november 2019 eisers bijstandsuitkering opgeschort en eiser opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op
21 november 2019, onder medebrenging van gevraagde gegevens. Eiser is verschenen op dit gesprek, maar heeft niet de gevraagde gegevens overgelegd. Aansluitend aan het gesprek hebben handhavingsmedewerkers een huisbezoek afgelegd aan eisers woning.

Bij brieven van 4 december en 19 december 2019 heeft het college eiser wederom gevraagd gegevens te overleggen. In reactie op deze brieven heeft de gemachtigde van eiser op
18 december en 30 december 2019 gegevens overgelegd aan het college.

Vervolgens heeft het college de primaire besluiten genomen. Na de hoorzitting in bezwaar van 7 februari 2020 heeft het college het bestreden besluit genomen.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht in het bestreden besluit de intrekking van eisers recht op bijstand over de periode 21 augustus 2019 tot en met 30 oktober 2019, de herziening over de maanden januari 2019, februari 2019 en april 2019, en de terugvordering van de te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 3.790,95 heeft gehandhaafd.

3. Beroepsgronden

Ten aanzien van de hennep stelt eiser – zakelijk weergegeven – primair dat geen sprake is geweest van een hennepkwekerij in zijn woning, dat hij enkel voor eigen gebruik hennep heeft laten drogen in zijn woning en hiermee nooit inkomsten heeft verworven. Subsidiair stelt eiser dat het moment van aanvang van de activiteiten onjuist is vastgesteld, omdat de hennep pas anderhalve week in eisers woning aanwezig was. Hierdoor heeft het college niet aan de bewijslast voldaan en mocht het maximaal anderhalve week bijstand terugvorderen.

Ten aanzien van de stortingen stelt eiser – zakelijk weergegeven – dat hij slechts vier keer een bedrag heeft gestort, dat hij deze bedragen in de loop der jaren had gespaard met zijn bijstandsuitkering en het geld dat hij voor zijn verjaardag in december ontving. Verder stelt eiser dat hij dit beperkte vermogen mocht hebben als bijstandsgerechtigde. Het college is ten onrechte tot terugvordering van de € 770,- overgegaan.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Beoordeling

5.1.1. De te beoordelen periode loopt van 21 augustus 2019 tot en met 30 oktober 2019.

5.1.2. Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:941).

Hennep

5.2.1. Vaststaat dat de politie op 30 oktober 2019 in eisers woning 572 gram hennep in een hennepdrogerij en – ook in eisers tuin en berging – hennep gerelateerde spullen, zoals lampen en bloempotten, zijn aangetroffen en dat eiser dit niet heeft gemeld bij het college.

5.2.2. De aanwezigheid van een hennepdrogerij met 572 gram hennep in de woning van eiser rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de vooronderstelling dat eiser daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst ook hem ten goede is gekomen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1262, en van 12 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1111). Gelet op de aard en omvang van de hennepdrogerij is de rechtbank van oordeel dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op de omvang van zijn recht op bijstand en dat hij het college hiervan onverwijld mededeling had moeten doen. Door van de aanwezigheid van de hennepdrogerij
in zijn woning geen mededeling te doen, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht
geschonden.

5.2.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad (zie de uitspraak van de CRvB van 12 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1111).

5.2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat op 30 oktober 2019 in eisers woning niet alleen een hennepdrogerij is aangetroffen, maar ook een (niet in werking zijnde) hennepkwekerij, gelet op de aangetroffen spullen. Bovendien waren er indicatoren voor eerdere/meerdere oogsten. Tijdens het huisbezoek op 21 november 2019 waren alle hennep gerelateerde spullen verdwenen uit eisers woning. Vaststaat dat eiser geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij in zijn woning en zijn activiteiten in de kwekerij, waardoor hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Terecht is uitgegaan van één kweekcyclus van 10 weken, waardoor eiser 10 weken op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in de kwekerij. Eiser heeft geen administratie bijgehouden van de inkomsten uit hennepteelt en heeft niet aangetoond dat de hennepkwekerij/-drogerij en spullen aan iemand anders toebehoren, wat voor zijn rekening en risico komt. Het bestreden besluit kan in stand blijven.

5.2.5. De rechtbank overweegt dat eiser zijn stelling dat hij enkel voor eigen gebruik hennep heeft laten drogen en dat hij daarmee nooit inkomsten heeft verworven, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank acht in dit kader onder andere van belang dat uit vaste rechtspraak volgt dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. In dit licht is hier niet van belang of betrokkene daadwerkelijk inkomsten heeft verkregen uit de hennepdrogerij (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646). De rechtbank betrekt voorts bij haar oordeel dat eiser geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden en dat mede gelet daarop zijn recht op bijstand over genoemde periode niet is vast te stellen.

Zoals onder overweging 5.2.2 al is opgenomen, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. De rechtbank overweegt voorts dat eiser niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd dat het moment van aanvang van de activiteiten onjuist is vastgesteld door het college. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij wel recht had op bijstand. De door eiser aangevoerde gronden slagen niet.

Stortingen

5.3.1. Uit de door eiser op 18 december 2019 overgelegde bankafschriften over de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 november 2019 is gebleken dat vier contante stortingen op eisers bankrekening hebben plaatsgevonden: op 24 januari 2019 een bedrag van € 20,-, op
25 februari 2019 een bedrag van € 200,-, op 15 april 2019 een bedrag van € 400,- en op
18 april 2019 een bedrag van € 150,-.

5.3.2. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat de vier stortingen van een beperkt bedrag aan contant spaargeld zijn gedaan, omdat hij onvoldoende saldo op zijn bankrekening had voor het verrichten van betalingen. In bezwaar heeft eiser echter verklaard dat hij de vier stortingen heeft gedaan met spaargeld wat hij onder andere in december 2018 van vrienden en familie had ontvangen voor zijn verjaardag. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij contant geld van zijn rekening afhaalde, waarna hij het geld wat hij aan het einde van de maand overhield terugstortte op zijn bankrekening. Ook het contant geld wat hij ontving voor zijn verjaardag stortte hij op zijn bankrekening. Eiser stelt jarenlang gespaard te hebben voor het contante bedrag van € 770,-.

5.3.3. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de vier contante stortingen. De stelling dat hij het geld had gekregen voor zijn verjaardag is ongeloofwaardig gelet op de hoogte van het gestorte bedrag en het tijdsverloop tussen de verjaardag en de stortingen. Het bedrag is dan ook aangemerkt als inkomsten, waardoor eisers recht op bijstand over die maanden diende te worden herzien.

5.3.4. Kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Bij kasstortingen is sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de bron in beginsel onduidelijk is. Als het bedrag van een kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen (zie de uitspraak van de CRvB van 11 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:280).

Eiser is daarin niet geslaagd. Hij heeft de herkomst van de stortingen niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens. Zo komen de verklaringen die eiser heeft overgelegd over de herkomst van het geld niet overeen. Ook blijkt uit de omschrijving bij de stortingen op bankafschriften niet wat de herkomst van de stortingen was. Eiser heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de bedragen van de stortingen heeft besteed aan het betalen van onder andere een boete, aanschaf van een fiets en aanschaf van auto-onderdelen. Van eiser mochten meer en duidelijker inlichtingen worden verwacht. Eisers gronden ten aanzien van de stortingen slagen niet.

Terugvordering

5.4.1. Eiser stelt ten aanzien van de hennep dat het college over een periode van maximaal anderhalve week zijn recht op bijstand had mogen terugvorderen, omdat de hennep pas anderhalve week in zijn woning aanwezig was. Ten aanzien van de stortingen stelt eiser dat het college ten onrechte tot terugvordering is overgegaan, mede omdat hij dat beperkte vermogen van € 770,- mocht hebben als bijstandsgerechtigde.

5.4.2. Uit overwegingen 5.1.1 tot en met 5.3.4 volgt echter dat vaststaat dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank was het college dan ook gehouden de ten onrechte aan eiser verstrekte bijstand terug te vorderen. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De door eiser overgelegde printscreen van een achterstallige betaling aan eisers zorgverzekering is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft eiser onvoldoende met objectieve bewijsstukken onderbouwd dat de hennep pas anderhalve week in zijn woning aanwezig was. Eisers gronden ten aanzien van de terugvordering slagen niet.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 24 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand..

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten […].

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet dan wel intrekt een besluit tot toekenning van bijstand, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Het achtste lid van dit artikel bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.