Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4302

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6254 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. G.J.P.M. Mooren,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 22 november 2019 (primair besluit 1) heeft het college eisers recht op bijstand ingetrokken over de maanden maart 2019 en juli 2019.

In een besluit van 29 november 2019 (primair besluit 2) heeft het college de te veel betaalde bijstand over de maanden maart 2019 en juli 2019 van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 1.932,28.

In een besluit van 5 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 3 juni 2021. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en namens het college [naam aanwezige namens verweerder] .

De termijn voor het doen van uitspraak is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontving vanaf 25 september 2017 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een kentekensignaal op eisers naam is het college een onderzoek gestart naar eisers recht op bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft het college bij brief van
16 september 2019 bij eiser financiële gegevens opgevraagd. Vervolgens heeft het college eiser bij brief van 10 oktober 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 14 oktober 2019 en is eiser een hersteltermijn verleend voor het overleggen van de gevraagde gegevens. Eiser is op dit gesprek verschenen, maar het college heeft geen onderzoek kunnen verrichten tijdens dit gesprek. Hierop heeft het college bij brief van 28 oktober 2019 eisers bijstandsuitkering opgeschort per 14 oktober 2019. Tevens is eiser in deze brief uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2019 en is hem nogmaals een hersteltermijn verleend voor het overleggen van de gevraagde gegevens. Eiser is ook op dit gesprek verschenen.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om de primaire besluiten te nemen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij de hoorzitting van 3 februari 2020 heeft eiser zijn bezwaren toegelicht. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht de intrekking en terugvordering van eisers recht op bijstand over de maanden maart en juli 2019 heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit.

3. Beroepsgronden

Eiser bestrijdt de intrekking en terugvordering conform het bestreden besluit en stelt dat de intrekkingen in strijd zijn met het motiverings- en redelijkheidsbeginsel. Met betrekking tot de maand maart 2019 stelt eiser dat hij de vermogensgrens niet heeft overschreden. Eiser had wel bezwaar tegen de vermogensvaststelling van € 5.055,-. Eiser stelt dat het voertuig met kenteken [kenteken] enkel op verzoek van vriend [naam vriend eiser] ( [naam vriend eiser] ) op zijn naam stond, dat het voertuig niet van hem was en dat hij het voertuig dus ook niet heeft betaald. Dit is bevestigd door [naam vriend eiser] . Met betrekking tot de maand juli 2019 stelt eiser primair dat hij in juli 2019 niet werkzaam is geweest als koerier. Subsidiair stelt eiser dat, als hij al werkzaam zou zijn geweest als koerier, zijn recht over de maand juli 2019 (schattenderwijs) kon worden vastgesteld. Niet gebleken is dat eiser meer werkzaam is geweest dan op 2 juli 2019, waardoor hij veel te weinig kan hebben verdiend om in zijn levensonderhoud te voorzien.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Beoordeling

5.1.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:943).

5.1.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad (zie de uitspraak van de CRvB van 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:939).

Intrekking over de maand maart 2019

5.2.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2019 tot en met 31 maart 2019.

5.2.2.

Het college heeft meermaals bij eiser gegevens opgevraagd in verband met het op eisers naam geregistreerde voertuig met kenteken [kenteken] , waaronder het aankoopbewijs van het voertuig, controleerbaar en verifieerbaar bewijs over de aanschaf van het voertuig en bankafschriften.

5.2.3.

Eiser heeft in dit kader een handgeschreven verklaring van 24 september 2019 ingeleverd, waarin hij verklaart een korte periode het voertuig op zijn naam te hebben gehad voor een vriend ( [naam vriend eiser] ) die geen rijbewijs had, waarna de auto is overgezet naar de huidige eigenaar. Tevens heeft eiser een ongedateerde, getypte verklaring van [naam vriend eiser] ingeleverd, waarin eisers verhaal wordt bevestigd. Verder heeft eiser bankafschriften van de ABN
Amro-bankrekening, eindigend op 858, overgelegd over de periode van 1 juni 2019 tot en met 28 oktober 2019.

5.2.4.

Tijdens het gesprek met handhavingsmedewerkers van het college op 5 november 2019 heeft eiser over de tenaamstelling van het voertuig met kenteken [kenteken] zijn eerdere verklaring herhaald. Over de diverse pinbetalingen bij tankstations in en buiten [plaatsnaam] heeft eiser verklaard dat zijn broer, [naam vriend eiser] , deze betalingen heeft gedaan toen hij eisers pas leende om te tanken en dat het ook wel eens voorkwam dat eiser sigaretten kocht en geld extra pinde bij een tankstation.

5.2.5.

Het college heeft in het kader van het onderzoek naar eisers recht op bijstand gegevens bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) opgevraagd. Hieruit is gebleken dat volgens de kentekenhistorie in de periode van 6 maart 2019 tot 26 maart 2019 een bedrijfsauto [naam auto] met kenteken [kenteken] op eisers naam stond geregistreerd. Tevens is gebleken dat deze bedrijfsauto na 26 maart 2019 – in tegenstelling tot eisers verklaring – niet op naam van [naam vriend eiser] is gekomen, maar op naam van [naam] . Uit internetonderzoek van het college is gebleken dat de waarde van dit type voertuig ongeveer € 5.500 tot € 7.500,- is.

5.2.6.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eiser het op zijn naam registreren van het voertuig met kenteken [kenteken] op 6 maart 2019 niet uit eigen beweging heeft gemeld bij het college. Tevens heeft eiser onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar bewijs overgelegd over de aanschaf van het voertuig en de verklaring van [naam vriend eiser] , zodat de financiering van het voertuig onduidelijk is gebleven. Voertuigen tellen als bezittingen mee voor de vermogensvaststelling en kunnen daarmee van invloed zijn op het recht op bijstand. Verder heeft eiser ook ten aanzien van de vermogensvaststelling, zoals neergelegd in het bestreden besluit, onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar bewijs overgelegd om deze te bestrijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden door de registratie van het voertuig niet te melden en onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, indien hij aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, in de te beoordelen periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Eisers recht op bijstand kan over de maand maart 2019 niet worden vastgesteld. Eisers gronden ten aanzien van de intrekking over de maand maart 2019 slagen niet.

Intrekking over de maand juli 2019

5.3.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2019 tot en met 31 juli 2019.

5.3.2.

Het college heeft middels een politiemutatie kennisgenomen van de staandehouding van eiser op 2 juli 2019 langs de A28 in [plaatsnaam 2] . In de mutatie is eiser genoemd als bestuurder van de bestelauto met kenteken [kenteken 2] , met zijn broer [naam vriend eiser] als bijrijder. Ook is in de mutatie opgenomen dat eiser verklaarde pakketten te bezorgen voor het koeriersbedrijf van zijn broer, SB Goederenvervoer, dat hij een rittenstaat liet zien met de adressen waar zij langsgingen, dat er pakketten in de laadruimte lagen en dat een
proces-verbaal is opgemaakt voor het rijden zonder NIWO-vergunning.

5.3.3.

Eiser stelt primair in beroep dat hij in juli 2019 niet werkzaam is geweest als koerier. In dit kader heeft hij tijdens het gesprek met handhavingsmedewerkers van het college op 5 november 2019 verklaard dat hij op 2 juli 2019 was aangehouden samen met zijn broer toen zij een kapotte bestelbus van het koeriersbedrijf van zijn broer ophaalden op een parkeerplaats bij [plaatsnaam 2] , dat deze bus in [plaatsnaam] moest worden gemaakt, dat hij slechts bestuurder was van de bus en dat hij niet werkzaam was als koerier. Subsidiair stelt eiser dat zijn recht op bijstand over de maand juli 2019 (schattenderwijs) kon worden vastgesteld als wordt aangenomen dat hij op 2 juli 2019 heeft gewerkt.

5.3.4.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Of het om bedrijfsmatig verrichte of, zoals appellanten hebben aangevoerd, bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de Participatiewet dus geen relevant onderscheid (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 7 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:874).

5.3.5.

De rechtbank overweegt dat er geen reden is om te twijfelen aan wat in de politiemutatie over 2 juli 2019 is geschreven door de agent, mede over eisers verklaring en de door eiser overgelegde rittenstaat. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eiser zijn stelling dat hij op 2 juli 2019 níet werkzaam was als koerier onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Eiser heeft immers zelf gezegd tegen de politie dat hij pakketten bezorgde en heeft geen gegevens overgelegd waaruit het tegendeel is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor genoegzaam gebleken dat eiser werkzaamheden heeft verricht in de maand juli 2019, in ieder geval op 2 juli 2019, en dat hij dit, evenals de ontvangst van eventuele inkomsten uit deze werkzaamheden, niet heeft gemeld bij het college. Door het niet melden van de werkzaamheden en de eventueel daaruit ontvangen inkomsten heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Hoewel dit op zijn weg lag, heeft eiser vervolgens niet met financiële gegevens, bijvoorbeeld loonstroken, onderbouwd dat hij in de maand juli 2019 recht had op (aanvullende) bijstand. Eisers gronden ten aanzien van de intrekking over de maand juli 2019 slagen hierom niet.

Terugvordering

5.4.1.

Het college heeft de te veel betaalde bijstand van eiser teruggevorderd over de maanden maart 2019 en juli 2019 vanwege het schenden van de inlichtingenplicht.

5.4.2.

Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aangevoerd. De rechtbank overweegt dan ook dat uit overwegingen 5.2.1 tot en met 5.3.5 volgt dat het college vanwege de schending van de inlichtingenplicht gehouden was de te veel betaalde bijstandsuitkering over de maanden maart 2019 en juli 2019 van eiser terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet. Eiser heeft geen dringende reden aannemelijk gemaakt op grond waarvan moet worden afgezien van terugvordering.

5.5.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de overige gronden van eiser niet tot een andere beoordeling leiden. Deze gronden behoeven hier dan ook geen nadere bespreking.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 24 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet bepaalt, voor zover van belang, dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt, voor zover van belang, dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Het achtste lid van dit artikel bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.