Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4292

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VEROR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7433 VEROR

uitspraak van 6 september 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , te [plaatsnaam] , eisers,

gemachtigde: mr. E.J. Van Heiningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als vergunninghouder heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [plaatsnaam] .

Procesverloop

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de beslissing op bezwaar van 30 oktober 2019 (bestreden besluit) van het college over het in bezwaar alsnog verlenen van een omzettingsvergunning aan vergunninghouder voor het omzetten van het pand aan de [adres 1] te [plaatsnaam] naar 5 onzelfstandige kamers voor maximaal 5 personen. Het college heeft dat bezwaar aangemerkt als een beroepschrift en heeft dat doorgezonden aan de rechtbank.

Het beroep is behandeld op zitting in Breda op 11 augustus 2021. [naam eiser 1] was daarbij samen met zijn gemachtigde aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . Vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten


Eisers wonen aan de [adres 2] te [plaatsnaam] .


Vergunninghouder heeft op 4 september 2019 een omzettingsvergunning aangevraagd voor het pand aan de [adres 1] te [plaatsnaam] .

Bij besluit van 9 september 2019 (primair besluit) heeft het college die aanvraag geweigerd.

Vergunninghouder heeft daar bezwaar tegen gemaakt.

Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit herroepen en heeft alsnog een omzettingsvergunning verleend voor het omzetten van het pand naar 5 onzelfstandige kamers voor maximaal 5 personen.

Eisers hebben daar op 5 juli 2020 bezwaar tegen gemaakt. Bij brief van 10 juli 2020 heeft het college dat bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

Op 27 juli 2020 heeft het college in het gemeenteblad gepubliceerd dat de omzettingsvergunning is verleend.

2. Gronden

Eisers hebben aangevoerd dat het college de omzettingsvergunning heeft verleend in strijd met artikel 2.1 van de Beleidsregels Huisvestingsverordening Tilburg 2018. In een straal van 50 meter is een pand gevestigd waar kamerverhuur plaatsvindt of vergund is. Volgens eisers is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dat beleid met toepassing van artikel 4:84 van de Awb rechtvaardigen. In het primaire besluit heeft het college vastgesteld dat het verlenen van de omzettingsvergunning zou leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu. In het bestreden besluit heeft het college niet gemotiveerd, waarom een dergelijke aantasting niet meer aan de orde is. Het verlenen van de omzettingsvergunning leidt tot een onevenredig zware belasting op het woon- en leefmilieu van eisers. Zij ondervinden geluidsoverlast, parkeeroverlast en geuroverlast van het gebruik van de woning aan de [adres 1] . Binnen een straal van 50 meter zijn twee panden omgezet ten behoeve van kamerverhuur. Daarnaast wordt binnen diezelfde straal een immigrantenhotel gebouwd en is binnen die straal een GGZ instelling, een islamitisch centrum en een moskee aanwezig. Daar hebben eisers aan toegevoegd dat vergunninghouder het pand in juni 2019 heeft gekocht en dat hij de aanvraag pas op 4 september heeft ingediend. Door met die aanvraag te wachten tot september heeft hij het risico genomen dat een ander in de tussentijd een aanvraag om een omzettingsvergunning zou indienen.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Tijdigheid beroep

4.1

Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Eiser stellen dat zij tijdig beroep hebben ingesteld, omdat het besluit tot verlening van de omzettingsvergunning niet bekend is gemaakt aan eisers en pas na het indienen van het bezwaarschrift door eisers op 17 juli 2020 is gepubliceerd. Vrijwel direct nadat eisers bekend werden met de verleende vergunning is bezwaar gemaakt.
Het college stelt zich op het standpunt dat eisers het beroepschrift niet tijdig hebben ingediend, omdat zij op 4 maart 2020 bekend zijn geraakt met de verleende omzettingsvergunning en daar pas op 5 juli 2020 bezwaar tegen hebben gemaakt. Het college stelt zich op dat standpunt, omdat zij de verleende omzettingsvergunning op 4 maart 2020 hebben toegezonden aan [naam betrokkenen] en eisers in een brief van 2 augustus 2020 schrijven dat zij ook spreken namens die persoon. Gelet daarop gaat het college ervan uit dat eisers ook per die datum bekend waren met het bestreden besluit. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 blijkt vervolgens dat het indienen van een beroepschrift na de beroepstermijn alleen verschoonbaar kan worden geacht, wanneer een belanghebbende zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen twee weken) na kennisneming van een besluit beroep instelt tegen dat besluit. Door pas op 5 juli 2020 beroep in te stellen is daar volgens het college niet aan voldaan.

4.2

Uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.2 De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.3 De omzettingsvergunning is in de bezwaarprocedure alsnog verleend op 30 oktober 2019 en verzonden aan vergunninghouder op 2 december 2019. Op die wijze heeft het college de omzettingsvergunning naar het oordeel van de rechtbank op de juiste wijze bekendgemaakt. De rechtbank is niet gebleken van een wettelijke verplichting tot het publiceren van die omzettingsvergunning. Gelet op het voorgaande liep de beroepstermijn tot uiterlijk 13 januari 2020. Eisers hebben het beroepschrift op 5 juli 2020 ingediend bij het college.4 Dat betekent dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank acht die termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest.5 Eisers zijn niet door kennisgeving of publicatie op de hoogte gesteld van het op de juiste wijze bekend gemaakte besluit. Gelet daarop kan hen redelijkerwijs niet worden verweten dat zij niet tijdig beroep hebben ingesteld. Uit rechtspraak van de ABRvS6 blijkt zoals het college terecht stelt dat een belanghebbende in dat geval beroep in kan stellen binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt. Dat het college het bestreden besluit op 4 maart 2020 heeft toegezonden aan [naam betrokkenen] maakt niet meteen aannemelijk dat eisers ook per die datum op de hoogte waren van het bestreden besluit. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij pas in eind juni/begin juli 2020 op de hoogte zijn gesteld van het besluit door [naam betrokkenen] . De rechtbank heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat het college het besluit op 27 juli 2020 alsnog heeft gepubliceerd en dat in die publicatie staat aangegeven dat binnen zes weken na die publicatie beroep kon worden ingesteld.

5. Beoordeling

5.1

Op grond van de Huisvestingwet 2014 (hierna Huisvestingswet) in samenhang met de Huisvestingsverordening Tilburg 20187 (hierna: Huisvestingsverordening) is het verboden om zonder omzettingsvergunning woonruimte binnen de bebouwde kom van de gemeente Tilburg van zelfstandige woonruimte om te zetten in onzelfstandige woonruimten, waarbij bewoning door drie of meer personen plaatsvindt.

5.2

Het college heeft aan vergunninghouder een omzettingsvergunning verleend voor het omzetten van de zelfstandige woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] naar vijf onzelfstandige kamers voor maximaal vijf personen.

5.3

In de Huisvestingsverordening staat dat een omzettingsvergunning onder andere kan worden geweigerd, indien het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand.8 In de door het college vastgestelde Beleidsregels huisvestingsverordening Tilburg 20189 staat dat een dergelijke onaanvaardbare inbreuk in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien binnen een afstand van 50 meter, gemeten vanaf de kadastrale perceelgrens, al een pand gevestigd is waar kamerverhuur plaatsvindt of vergund is, dan wel een maatschappelijke voorziening aanwezig is die van invloed wordt geacht voor de leefbaarheid.

5.4

Het college heeft de aanvraag van vergunninghouder bij primair besluit geweigerd, omdat binnen voornoemde straal een kamerverhuurpand aanwezig is, te weten [adres 3] te [plaatsnaam] . In het bestreden besluit heeft het college de omzettingsvergunning in afwijking van het beleid alsnog verleend met toepassing van artikel 4:84 van de Awb. Volgens het college heeft het handelen overeenkomstig de beleidsregel voor vergunninghouder gevolgen die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De besluiten op de aanvragen voor een omzettingsvergunning voor de panden aan de [adres 1] en de [adres 3] dateren allebei van 9 september 2019. Volgens het college heeft vergunninghouder er alles aan gedaan om te achterhalen of binnen de straal van 50 meter al een pand aanwezig was voor kamerverhuur. Voordat vergunninghouder over is gegaan tot aankoop van het pand heeft hij de gemeente Tilburg gebeld om te informeren of binnen de 50 meter straal relevante objecten aanwezig waren. In dat telefoongesprek is vergunninghouder gewezen op een website met bijbehorende kaart en lijst met bij de gemeente bekende kamerverhuurpanden. In juni 2019 heeft vergunninghouder het pand gekocht, de akte is bij de notaris gepasseerd op 3 september 2019 en vergunninghouder heeft op 4 september 2019 een aanvraag ingediend voor een omzettingsvergunning. Op geen van deze momenten stond het pand aan de [adres 3] als kamerverhuurpand op voornoemde website vermeld. De aanvraag voor een omzettingsvergunning voor de [adres 3] is ook niet gepubliceerd en was voor derden niet kenbaar.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen vaststellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het in afwijking van het beleid verlenen van de omzettingsvergunning. Vergunninghouder mocht er gelet op voornoemde omstandigheden vanuit gaan dat in een straal van 50 meter rondom de woning geen ander pand gevestigd of vergund was voor kamerverhuur. Op basis daarvan is hij tot aankoop van het pand overgegaan. Vergunninghouder heeft ook niet te lang gewacht met het aanvragen van de omzettingsvergunning, omdat hij die vergunning de dag na het passeren van de akte bij de notaris heeft aangevraagd. Het handelen overeenkomstig de beleidsregel zou leiden tot nadelige gevolgen voor vergunninghouder die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5.6

Dat neemt niet weg dat het college in het bestreden besluit nog steeds had moeten motiveren dat het alsnog verlenen van de omzettingsvergunning niet zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dat in het bestreden besluit onvoldoende gedaan. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het college in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van de omzettingsvergunning niet zal leiden tot een dergelijke onaanvaardbare inbreuk. Ter zitting heeft het college namelijk toegelicht dat de twee kamerverhuurpanden 45,14 meter uit elkaar gelegen zijn en dat de door eisers gestelde overlast niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd. Ook hebben eisers niet onderbouwd dat de aanwezigheid van het kamerverhuurpand in combinatie met de aanwezigheid van een GGZ-instelling, islamitisch medisch centrum, moskee en immigrantenhotel leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu. Daarnaast waarborgen de voorschriften die zijn verbonden aan de omzettingsvergunning in voldoende mate dat omwonenden tegen overlast zullen worden beschermd. In die voorschriften staat opgenomen dat huurders zich fatsoenlijk naar buren en omwonenden moeten gedragen en dat de eigenaar op moet treden naar de huurders indien dit niet het geval is. De verhuurder moet richting omwonenden aangeven waar hij bereikbaar is bij overlast. Indien de huurders overlast veroorzaken en de omwonenden bij deze huurders geen gehoor krijgen over deze klachten, gaat de verhuurder hierover het gesprek aan met de huurder. De verhuurder is verantwoordelijk voor het oplossen van eventuele conflicten. In de vergunning staat verder dat het college kan besluiten om de omzettingsvergunning in te trekken wanneer blijkt dat de vergunninghouder zich niet houdt aan deze voorwaarden.


6. Conclusie

6.1

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

6.2

Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen het griffierecht aan eisers te vergoeden.

6.3

De rechtbank zal het college daarnaast veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,-, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 6 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Huisvestingswet 2014


Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet
Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden.

Huisvestingsverordening Tilburg 2018

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening

Het is verboden om een woonruimte, zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswetwet, van zelfstandige ruimte om te zetten tot onzelfstandige woonruimten, waarbij bewoning door 3 of meer personen plaatsvindt.

Artikel 2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening

De vergunningplicht heeft betrekking op alle woonruimte binnen de bebouwde kom van de gemeente Tilburg.

Artikel 4 van de Huisvestingsverordening

1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2 van deze huisvestingsverordening jo. artikel 21 van de wet kan worden geweigerd als:

  1. Naar het oordeel van het college het belang van het behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met de onttrekking of de omzetting gediende belang;

  2. Het onder 1a. genoemde belang van het behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;

  3. De toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft zich uit oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen omzetting verzet;

  4. Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand;

  5. Vergunningverlening zou leiden tot strijdigheid met het bestemmingsplan, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is afgegeven waarin is besloten tot een afwijking op het bestemmingsplan.

2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet jo. artikel 2 van deze verordening kan eveneens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Beleidsregels Huisvestingsverordening Tilburg 2018

Artikel 2.1, onder a, van de Beleidsregels

Bij aanvragen voor een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2 van de Huisvestingsverordening 2018 jo. artikel 21 van de Huisvestingswet worden de volgende beleidsregels voor de weigering van een vergunning gehanteerd: Geen omzetting toe te staan als binnen een afstand van 50 meter, gemeten vanaf de kadastrale perceelgrens, al een pand gevestigd is waar kamerverhuur plaatsvindt of vergund is, dan wel een maatschappelijke voorziening aanwezig is die van invloed wordt geacht voor de leefbaarheid.

1 ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:859 en ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3974.

2 Artikel 6:7 jo. 6:8, eerste lid, van de Awb.

3 Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.

4 Het moment van het indienen bij het college is bepalend (Artikel 6:15, derde lid, van de Awb).

5 Artikel 6:11 van de Awb.

6 ABRvS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1508, r.o. 4.1, ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1645, r.o. 4.3.

7 Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet jo. artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening.

8 Artikel 4, eerste lid, onder d, van de Huisvestingsverordening.

9 Artikel 2.1, onder a, van de Beleidsregels.