Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4290

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6394 WABOA

uitspraak van 1 september 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. J. Boogaard,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Als vergunninghoudster heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghoudster] , te [plaatsnaam 2] .

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2020 (bestreden besluit) van het college over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een luxe cafetaria met bovenwoning aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] .

Het beroep is behandeld op zitting in Middelburg op 21 juli 2021. Eiser was daar samen met zijn gemachtigde bij aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger college] . Namens vergunninghoudster was [naam vertegenwoordiger vergunninghoudster] aanwezig.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser woont aan de [adres 2] te [plaatsnaam 1] .


Op 30 september 2019 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een luxe cafetaria met bovenwoning aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] .

Het college heeft die omgevingsvergunning bij besluit van 28 november 2019 verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit het bouwen van een bouwwerk.

Eiser heeft daar bij brief van 6 januari 2020 bezwaar tegen gemaakt.

Het college heeft dat bezwaar bij bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft daar op 6 mei 2020 beroep tegen ingesteld.

2. Wettelijk kader


De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3. Brieven van eiser van 12 juli 2021 en 14 juli 2021

3.1

De rechtbank heeft een brief van eiser van 12 juli 2021 met aanvullende gronden per fax op 12 juli 2021 en per post op 15 juli 2021 ontvangen. Daarnaast heeft de rechtbank van eiser een brief van 14 juli 2021 met aanvullende gronden per fax ontvangen op 14 juli 2021 en per post ontvangen op 16 juli 2021. Beide brieven heeft de rechtbank binnen de 10 dagen termijn ontvangen als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb.

3.2

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de brieven wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. De brieven en aanvullende gronden zijn niet van die omvang dat (het voorbereiden van) een adequate reactie daarop door verweerder na de ontvangst van de brieven niet mogelijk zou zijn. Overigens heeft verweerder ter zitting ook gereageerd op de daarin genoemde gronden.

4. Limitatief imperatief stelsel

4.1

Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het bouwen van een bouwwerk. Het toetsingskader voor die omgevingsvergunning staat opgenomen in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die bepaling bevat een zogenoemd limitatief imperatief stelsel: wanneer één van de weigeringsgronden aan de orde is, moet het college de omgevingsvergunning weigeren (imperatief) en daarnaast mag het college de aanvraag alleen weigeren wanneer één van de daar genoemde weigeringsgronden aan de orde is (limitatief). Dat laatste betekent dat het college de bouwvergunning niet mag weigeren om andere redenen dan die staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Het college heeft dus geen ruimte om een eigen belangenafweging te maken.1

4.2

Eiser heeft aangevoerd dat het college economisch onderzoek had moeten verrichten naar de vestiging van een tweede cafetaria in de kern [plaatsnaam 1] , omdat die een bedreiging vormt voor de reeds gevestigde cafetaria. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijk ordening, dat het zal leiden tot hinder en dat bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer worden overtreden. De rechtbank stelt vast dat die gronden betrekking hebben op belangen die niet als weigeringsgrond staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Deze belangen mochten voor het college geen aanleiding vormen om de omgevingsvergunning te weigeren. De rechter dient de keuze van de wetgever, op grond waarvan artikel 2.10 van de Wabo geen ruimte laat om deze aspecten te toetsen, te respecteren. Deze gronden kunnen daarom geen rol spelen bij deze beoordeling. De rechtbank voegt daar aan toe dat het eiser altijd vrij staat om bij het bevoegd gezag een handhavingsverzoek in te dienen in het geval normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Activiteitenregeling milieubeheer niet worden nageleefd.

5. Strijd met het bestemmingsplan

5.1

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat binnen de bestemming ‘gemengd’ meer dan drie horecabedrijven aanwezig zijn. Ook blijkt volgens eiser uit gemeentelijk beleid dat de bovenwoning bewoond moet worden door de uitbater van de cafetaria. Door toe te laten dat de bovenwoning wordt verhuurd aan derden schept het college precedenten.

5.2

Het college is niet bevoegd een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te verlenen, wanneer het bouwplan of het beoogd gebruik van het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan.2

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht besloten dat het bouwplan niet in strijd is met bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . In dat bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming ‘Gemengd’ toegekend. In de planregels staat dat de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden onder andere bestemd zijn voor wonen.3 Dat betekent dat in ieder geval het wonen op de bovenverdieping is toegelaten binnen de bestemming. Uit het bestemmingsplan volgt op geen enkele wijze dat die bovenverdieping alleen bewoond mag worden door de uitbater van de cafetaria op de begane grond. Daarnaast staat in de planregels dat horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten binnen de bestemming zijn toegelaten, met dien verstande dat het aantal horecabedrijven binnen de bestemming Gemengd ten hoogste 3 bedraagt.4 In die Staat worden verschillende horeca-activiteiten onderscheiden. Categorie 1 betreft lichte horeca. Dit zijn bedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Onder categorie 1a wordt ‘cafetaria’ genoemd. Dat betekent dat de cafetaria op de begane grond is toegestaan. Uit de planregels volgt dat het aantal horecabedrijven binnen de bestemming Gemengd ten hoogste 3 mag bedragen. Uit de planregels volgt niet dat die eis geldt voor het gehele plangebied. Volgens het college is op dit moment slechts één ander horecabedrijf (een chinees restaurant) aanwezig binnen de bestemming ‘Gemengd’. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat meer dan drie horecabedrijven gevestigd zijn binnen die bestemming.

6. Parkeren

6.1

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerruimte. Dat is volgens eiser is strijd met de Bouwverordening van de gemeente Veere .

6.2

Het college is niet bevoegd een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te verlenen, wanneer de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening.5 In artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Veere staat: ‘Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat het college op basis van de aanvraag op juiste gronden heeft besloten dat niet aannemelijk is (gemaakt) dat het bouwplan in strijd is met regels uit de Bouwverordening. Ter zitting heeft vergunninghoudster namelijk toegelicht dat wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op een aangrenzend parkeerterrein dat in eigendom is van vergunninghoudster. Dat parkeerterrein bevat 26 parkeerplaatsen. Dat de kerk toestemming heeft gekregen van vergunninghoudster om daar op zondag te parkeren maakt niet aannemelijk dat onvoldoende parkeerplaatsen resteren voor bezoekers van de cafetaria. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat kerken over het algemeen op andere tijdstippen worden bezocht dan een cafetaria.

7. Het bouwbesluit

7.1

Verder heeft eiser aangevoerd dat de verdunningsfactorberekening ontbreekt in de bouwfysische berekeningen. Dat is relevant om te kunnen beoordelen hoeveel rookgasafvoer en ventilatorafvoer plaatsvindt in relatie tot de woning van eiser. Ook ontbreken technische gegevens van de installatie, in het bijzonder over geluid. Daarnaast bestaat onduidelijkheid over de afzuiging van de cafetaria. Het is niet duidelijk wat voor soort geurfilterkast zal worden gebruikt. Omdat het bouwplan voorziet in een afvoerpijp, is volgens eiser waarschijnlijk dat de geurfilterkast geen koolstoffilter of zakfilter zal hebben. Die afvoerpijp moet dan twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing geplaatst worden.

7.2

Voor zover de bouwtechnische gronden van eiser betrekking hebben op normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer verwijst de rechtbank naar wat is overwogen onder rechtsoverweging 4.

7.3

Daarnaast is het college niet bevoegd om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te verlenen, wanneer de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan het Bouwbesluit.6 Eiser heeft echter niet onderbouwd met welke bepalingen uit het bouwbesluit het bouwplan in strijd zou zijn en heeft dat ook niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Artikel 3.33 van het Bouwbesluit geeft normen over de verdunningsfactor, maar die gelden alleen voor nieuwbouwprojecten waar in dit geval geen sprake van is. Gelet op het voorgaande heeft het college eveneens op goede gronden besloten dat op grond van de aanvraag niet aannemelijk is dat het bouwplan in strijd is met regels uit het Bouwbesluit.

8. Evidente privaatrechtelijke belemmeringen

8.1

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat sprake is van twee evident privaatrechtelijke belemmeringen die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. Eiser heeft een recht van overpad over de gehele baan die is gelegen tussen de [adres 2] en de [adres 1] om vanuit de straat zijn woning te kunnen bereiken en andersom. Het bouwplan voorziet in een toegangsdeur die naar buiten opendraait over de baan waarop de erfdienstbaarheid toepasselijk is. Dit belemmert het recht op overpad van eiser. Daarnaast staat op de grens van [adres 2] en [adres 1] een gemetselde stenen muur. Overeengekomen is dat de muur een scheidsmuur zou worden als bedoeld in artikel 5:36 van het Burgerlijk Wetboek. Deze scheidsmuur is gebouwd in opdracht en voor rekening van eiser. Het vergunde bouwplan is getekend op de scheidsmuur en dat is zonder toestemming van eiser niet toegestaan op grond van artikel 5:67 van het Burgerlijk Wetboek.

8.2

De rechtbank stelt vast dat evidente privaatrechtelijke belemmeringen niet staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen weigeren op grond van eventuele evidente privaatrechtelijke belemmeringen. De jurisprudentie over evidente belemmeringen geldt daarom niet voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (zie analoog ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4290, i.h.b. r.o. 5.1|).

8.3

De rechtbank voegt daar ten overvloede aan toe dat vergunninghoudster ter zitting heeft toegezegd dat hij ervoor zal zorgen dat de deur aan de zijkant van het gebouw naar binnen en niet naar buiten toe open zal draaien.
9. Conclusie

9.1

De rechtbank zal het beroep gelet op het voorgaande ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10 van de Wabo

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

  1. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

  2. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

  3. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

  4. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

  5. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.


Het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]

In het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] is aan het perceel aan de [adres 1] de bestemming ‘Gemengd’ toegekend.

Artikel 6.1 van de planregels

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven uit ten hoogste categorie 1B van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging";

  2. detailhandel;

  3. dienstverlening,

  4. horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, met dien verstande dat het aantal horecabedrijven binnen de bestemming Gemengd ten hoogste 3 bedraagt;

  5. ter plaatse van de aanduiding "horeca tot en met horecacategorie 2": horecabedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;

  6. kantoren;

  7. maatschappelijk in de vorm van bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening, verenigingsleven en religie;

  8. wonen;

  9. bedrijfswoningen, daaronder begrepen de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

  10. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, groen, water, erven, tuinen, sport-, speel- en nutsvoorzieningen.

Artikel 6.4.1, onder f, van de planregels

Het aantal horecabedrijven binnen de bestemming Gemengd bedraagt ten hoogste 3.

1 ABRvS 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1532, r.o. 6.1.

2 Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo.

3 Artikel 6.1, onder h, van de planregels.

4 Artikel 6.1, onder d, jo. 6.4.1, onder f, van de planregels.

5 Artikel 2.10, eerste lid, onder b, van de Wabo.

6 Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo.