Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4289

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6071
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6071 GEMWT

uitspraak van 1 september 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. B.H. Vader,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 24 maart 2020 (bestreden besluit) van het college over de invordering van een bedrag van € 50.000,- aan verbeurde dwangsommen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 21 juli 2021. Eiser was daar samen met zijn gemachtigde, [naam vertegenwoordiger college 1] en [naam vertegenwoordiger college 2] aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger college 3] en [naam vertegenwoordiger 4] .

Overwegingen

1. Feiten

Eiser is eigenaar van de recreatiewoning op het perceel aan de [adres 1] “ [naam perceel] ” [huisnummer] te [plaatsnaam 2] . Eiser is ook eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam 3] .


Bij besluit van 25 november 2014 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met het bestemmingsplan (laten) gebruiken van de recreatiewoning voor permanente bewoning.

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft het college opnieuw een last onder dwangsom opgelegd aan eiser inhoudende het beëindigen en beëindigd houden van het in strijd met het bestemmingsplan (laten) gebruiken van de recreatiewoning voor permanente bewoning. Aan die last heeft het college een dwangsom van € 10.000,- per week verbonden met een maximum van € 50.000,-. De begunstigingstermijn liep tot 3 juni 2019.

Op 2 juli 2019 heeft het college een controle uitgevoerd op het perceel. Ten aanzien van die controle is op dezelfde dag een controleverslag opgesteld. Tijdens de controle is volgens het college vastgesteld dat mevrouw [naam betrokkene 1] (hierna: [naam betrokkene 1] ) sinds 2018 haar hoofdverblijf had in de recreatiewoning.

Het college heeft eiser bij brief van 12 juli 2019 medegedeeld dat het volledige dwangsombedrag van € 50.000,- is verbeurd. Op 3 juni 2019, 10 juni 2019, 17 juni 2019, 24 juni 2019 en 1 juli 2019 is volgens het college telkens van rechtswege een dwangsom van € 10.000,- verbeurd.

Bij brief van 28 oktober 2019 heeft het college het voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om over te gaan tot invordering van het verbeurde dwangsombedrag. Eiser heeft daar op 7 november 2019 een zienswijze tegen ingediend.

Het college heeft bij besluit van 26 november 2019 (primair besluit) besloten tot invordering van het verbeurde dwangsombedrag.

Eiser heeft daar op 13 december 2019 bezwaar tegen gemaakt.

Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daar op 20 april 2020 beroep tegen ingesteld.

2. Gronden

Eiser heeft aangevoerd dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die maken dat het college van de invordering af had moeten zien. In februari 2019 heeft eiser een huurovereenkomst gesloten met [naam betrokkene 1] voor de woning in [plaatsnaam 3] . Ze hadden afgesproken dat zij enkele malen per week gebruik mocht maken van de tuin bij de recreatiewoning om de honden uit te laten. Op 16 juli 2019 heeft het college aan eiser medegedeeld dat de inschrijving van [naam betrokkene 1] op het adres in [plaatsnaam 3] is geweigerd, terwijl eerder aan eiser is medegedeeld dat zij correct op dat adres stond ingeschreven. Volgens eiser heeft het college hem welbewust in de waan gelaten dat de inschrijving op het adres in [plaatsnaam 3] correct was tot nadat de bezwaartermijn voor de last onder dwangsom was verstreken. Eiser heeft er alles aan gedaan om de bewoning van de recreatiewoning te beëindigen. Daar heeft eiser aan toegevoegd dat het invorderen van de dwangsommen strekt tot bestraffing van eiser, omdat de overtreding is beëindigd. Ook heeft eiser aangevoerd dat de dwangsommen disproportioneel hoog zijn en dat de invordering onredelijk is in verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Niet is gebleken dat enig belang van verweerder is geschonden, dat schade is geleden door verweerder of dat hinder is ondervonden. Ter zitting heeft eiser daar aan toegevoegd dat het college niet handhavend optreedt tegen het permanent bewonen van andere recreatiewoningen binnen de gemeente.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. De last onder dwangsom

4.1

De last onder dwangsom is op 16 mei 2019 verzonden. Dat betekent dat eiser tot uiterlijk 27 juni 2019 de tijd had om daar bezwaar tegen te maken.1 Dat heeft eiser niet gedaan, waardoor de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is.

4.2

In de procedure tegen de invorderingsbeschikking kunnen in beginsel geen gronden worden aangevoerd die gericht zijn tegen een daaraan ten grondslag liggende last onder dwangsom die formele rechtskracht heeft. Dit is slechts in uitzonderlijke gevallen anders.2 Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de hoogte van de dwangsom en de andere recreatiewoningen waar niet handhavend tegen zou zijn opgetreden kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer worden aangevoerd. Dat had eiser aan moeten voeren in een procedure tegen de last onder dwangsom. Van een uitzonderlijk geval is de rechtbank niet gebleken.

5. De invorderingsbeschikking

5.1

Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, dient een invorderingsbeschikking te geven, indien het van oordeel is dat dwangsommen zijn verbeurd en het daarom tot invordering wil overgaan.3 Met de invorderingsbeschikking worden de betalingsverplichting en de hoogte van het verschuldigde bedrag vastgesteld en aan de betrokkene kenbaar gemaakt.4

5.2

Bij besluit van 26 november 2019 heeft het college besloten tot invordering van € 50.000,- aan dwangsommen, omdat de volledige dwangsommen ten aanzien van de last onder dwangsom van 14 mei 2019 volgens het college verbeurd waren. Volgens het college heeft eiser op 3 juni 2019, 10 juni 2019, 17 juni 2019, 24 juni 2019 en op 1 juli 2019 telkens een dwangsom van € 10.000,- verbeurd door de last te overtreden. Het college baseert dit op een controle die heeft plaatsgevonden op 2 juli 2019.

5.3

Aan een invorderingsbesluit dient volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)5 een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Het is niet zo dat alle relevante feiten en omstandigheden die aan een invorderingsbesluit ten grondslag worden gelegd, daadwerkelijk door toezichthouders zelf dienen te zijn waargenomen. Relevante feiten en omstandigheden kunnen door toezichthouders ook worden vastgesteld.

5.4

De rechtbank stelt voorop dat de begunstigingstermijn op 3 juni 2021 is verstreken. Het college heeft door middel van het door een toezichthouder van de gemeente ondertekende controlerapport van 2 juli 2019 voldoende aannemelijk gemaakt dat de recreatiewoning in de periode van 3 juni 2019 tot 2 juli 2019 bewoond werd door [naam betrokkene 1] . Uit het controlerapport blijkt dat zij op 2 juli 2019 in de recreatiewoning aanwezig was en dat zij heeft verklaard dat zij sinds 2018 samen met mevrouw [naam betrokkene 2] onafgebroken in de recreatiewoning heeft gewoond. Tussen haar en eiser zijn afspraken gemaakt over het gebruik van de recreatiewoning en de reguliere woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam 3] . Om die afspraken na te komen verblijft mevrouw [naam betrokkene 1] een paar uur per week in de reguliere woning. Verder heeft [naam betrokkene 1] verklaard dat zij niet in de reguliere woning kan wonen in verband met haar honden en omdat in de reguliere woning slechts minimale voorzieningen aanwezig zijn. Gelet daarop heeft het college terecht vastgesteld dat tijdens de controle is vastgesteld dat de recreatiewoning gedurende vijf weken na het verstrijken van de begunstigingstermijn werd gebruikt voor permanent wonen en dat op 3 juni 2019, 10 juni 2019, 17 juni 2019, 24 juni 2019 en 1 juli 2019 dwangsommen zijn verbeurd van in totaal € 50.000,-. Voor die verbeurde dwangsommen mocht het college een invorderingsbeschikking vaststellen.

5.5

Uit jurisprudentie van de ABRvS6 blijkt verder dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend aan het belang van de invordering. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.7 Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Dat impliceert naar het oordeel van de rechtbank ook dat het invorderen van de dwangsommen niet strekt tot bestraffing van eiser zoals hij zelf stelt. Gelet daarop is dus ook geen sprake van misbruik van de bevoegdheid tot invordering. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

5.6

In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan tot invordering. Het na de last voldoen aan de begunstigingstermijn is volgens de ABRvS8 geen reden om van invordering af te zien. In samenhang met andere bijzondere omstandigheden, zou dit wel een bijzondere omstandigheid kunnen vormen op grond waarvan het college van invordering had behoren af te zien.9 De rechtbank is echter niet gebleken van dergelijke andere bijzondere omstandigheden. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het college hem in de waan heeft gelaten dat de inschrijving van [naam betrokkene 1] in de woning in [plaatsnaam 3] correct zou zijn. Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat geen enkele hinder is ondervonden, omdat een klacht over geluidshinder ten grondslag heeft gelegen aan het starten van de handhavingsprocedure.

6. Conclusie

6.1

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:37 van de Awb

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

  2. Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.

  3. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek.

1 Artikel 6:7 jo. 6:8, eerste lid, jo. 3:41, eerste lid, van de Awb.

2 ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, r.o. 2.2.

3 Artikel 5:37 van de Awb.

4 ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3320, r.o. 3.2.

5 ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, r.o. 8.

6 ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3471, r.o. 13.1.

7 Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 115.

8 ABRvS 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:802, r.o. 4.2.

9 ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3111, r.o. 5.1.