Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4286

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_2658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO15

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/2658 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college betreffende een toegekende voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Bij besluit van 3 november 2020 heeft het college aan eiseres begeleiding toegekend (begeleiding licht) op grond van de Wmo 2015.

Eiseres heeft op 14 december 2020 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 december 2020 heeft het college eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken aanvullende bezwaargronden in te dienen en de beslistermijn daartoe opgeschort.

Bij brief van 1 april 2021 heeft het college de beslistermijn met zes weken verlengd.

Bij brief van 20 mei 2021 heeft eiseres het college in gebreke gesteld.

Op 22 juni 2021 heeft eiseres bij de rechtbank digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

Het college is bij brief van 23 juni 2021 en aangetekend verzonden herinnering van 13 juli 2021 in de gelegenheid gesteld de op de procedure betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. De rechtbank heeft tot op heden geen reactie van het college ontvangen.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Als het bestuursorgaan een bezwaarschriftencommissie heeft ingesteld, is de beslistermijn twaalf weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, en 7:13 van de Awb). Indien is verzocht een verzuim te herstellen, wordt de beslistermijn opgeschort tot de dag van het herstel of totdat de gestelde termijn is verstreken (artikel 7:10, tweede lid, van de Awb). De beslistermijn kan verder met zes weken worden verdaagd (artikel 7:10, derde lid, van de Awb).

De rechtbank stelt op basis van de door eiseres overgelegde stukken vast dat eiseres tijdig een bezwaarschrift, gedateerd 14 december 2020, heeft ingediend gericht tegen het primaire besluit van 3 november 2020. Het college heeft een bezwaarschriftencommissie ingesteld en met inachtneming van de bij brief van 1 april 2021 gemelde verlenging van de beslistermijn met zes weken, had uiterlijk op 20 april 2021 moeten worden beslist op het bezwaar. Indien de verlenging van de beslistermijn per 22 december 2020 met vier weken wordt meegenomen (eiseres betwist de rechtsgeldigheid van deze verlenging), dan zou de beslistermijn op 18 mei 2021 verstrijken. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn (in beide gevallen) is overschreden. Eiseres heeft het college op 20 mei 2021 in gebreke gesteld. Sindsdien zijn (meer dan) twee weken verstreken. Niet gebleken is dat het college inmiddels een beslissing op bezwaar heeft genomen.

Het beroep is kennelijk gegrond.

4. In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).

Niet gebleken is dat het college de hoogte van de dwangsom (juist) heeft vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling de dagtekening 20 mei 2021 heeft. Aangenomen wordt dat het college deze de dag nadien heeft ontvangen. De rechtbank constateert dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken en dat het college nog steeds niet op het bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

De rechtbank bepaalt dat het college binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen en aan eiseres moet bekendmaken.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op

bezwaar;

- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een beslissing op bezwaar te nemen en bekend te maken;

- stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag

waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 374,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 23 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.