Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4233

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7508 WW

uitspraak van 19 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 28 februari 2020 (primair besluit) heeft het UWV eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen, en bepaald dat eiser geen recht heeft op een dergelijke uitkering vanaf 18 februari 2020.


In een besluit van 4 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 juli 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door mr. J.F.C.A.M. Weterings.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser en zijn echtgenote hebben op 8 mei 2016 een zorgovereenkomst ondertekend. Daarin is opgenomen dat eiser vanaf 1 mei 2016 werkzaamheden gaat verrichten die bestaan uit de verpleging en persoonlijke verzorging van zijn echtgenote.

Na het overlijden van zijn echtgenote op 18 februari 2020 heeft eiser op 26 februari 2020 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. In het primaire besluit heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, en in het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard. Volgens het UWV kan eiser niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van WW, omdat hij zijn werkzaamheden niet heeft verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Eisers standpunt
2. Volgens eiser is zijn aanvraag om een WW-uitkering ten onrechte afgewezen. Op wat hij aanvoert ter onderbouwing van zijn standpunt wordt – voor zover relevant – in het hiernavolgende ingegaan.

Hoe moet de rechtbank toetsen?

3. Aan de orde is de vraag of eiser kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en aldus aanspraak kan maken op een WW-uitkering. In artikel 3, eerste lid, van de WW is als werknemer gedefinieerd de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.

5. Het ligt in beginsel op eisers weg als aanvrager om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op een WW-uitkering. Dit brengt met zich dat hij aannemelijk moet maken dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen hem en zijn echtgenote.

Eisers zorgovereenkomst van 8 mei 2016

6. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de door hem gesloten zorgovereenkomst van 8 mei 2016. Uit deze overeenkomst volgt dat eiser vanaf 1 mei 2016 werkzaamheden zou gaan verrichten die bestaan uit de verpleging en persoonlijke verzorging van zijn echtgenote. De werkzaamheden hebben een omvang van gemiddeld 31,5 uur, waarbij is opgemerkt dat eiser als echtgenoot altijd aanwezig is en de werkzaamheden dus op niet precies te benoemen tijden worden verricht. Er is een uurtarief opgenomen van € 23,-, en betalingen vinden plaats op basis van declaraties. In de zorgovereenkomst is ook bepaald dat deze eindigt bij het overlijden van eisers echtgenote.

7. Hoewel op grond van de zorgovereenkomst sprake was van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, en vaststaat dat deze arbeid ook daadwerkelijk is verricht, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat betrokkenen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. In de zorgovereenkomst is expliciet opgenomen dat deze geen arbeidsovereenkomst is, en dat deze kan worden gebruikt als de zorgverlener een partner of familielid is. In de overeenkomst ontbreken ook essentiële onderdelen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst, zoals de toepasbaarheid van een CAO, werktijden, vakantiedagen en vakantietoeslag en afspraken rond ziekmelden. Eisers gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd ook niet kunnen bevestigen dat eiser vakantiedagen heeft kunnen opnemen, of dat hij zich ziek heeft kunnen melden. Eiser heeft ook niet anderszins onderbouwd dat de zorgovereenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Anders dan eiser kennelijk meent, vormt de gesloten zorgovereenkomst daarom geen indicatie voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

8. De tekst van de overeenkomst is niet zonder meer leidend voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst. Er moet ook gekeken worden naar de omstandigheden van het geval. Zoals hiervoor overwogen, staat vast dat er arbeid is verricht. De rechtbank zal ook de andere elementen van een arbeidsovereenkomst, namelijk loon en gezagsverhouding, toetsen.

Was sprake van loon?

9. De wijze waarop eiser werd beloond voor zijn werkzaamheden mocht het UWV ook beschouwen als een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiser heeft middels een aanvullend beroepschrift van 26 juni 2021 declaratieformulieren en loonstroken van de Svb overgelegd. Daaruit blijkt weliswaar dat loonheffing en Zvw-premies zijn ingehouden op het door eiser gestelde loon, maar ook dat geen premies voor werknemersverzekeringen zijn afgedragen. Eiser heeft het standpunt van het UWV dat sprake was van een zogenoemde 'Opting-in' regeling (op grond waarvan geen sprake was van verzekering voor de ZW, WW en WAO/WIA) niet gemotiveerd betwist, en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Eisers beroep ter zitting op een uitspraak van de CRvB van 19 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011: BU7441) slaagt niet, nu daaruit – anders dan eiser kennelijk meent – niet kan worden afgeleid dat het UWV geen betekenis mag toekennen aan de omstandigheid dat geen premies werknemersverzekeringen zijn betaald.

Was sprake van een gezagsverhouding?

10. Het is vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de reeds aangehaalde uitspraak van 23 januari 2020) dat ook bij een arbeidsverhouding tussen partijen die tot elkaar in een familiebetrekking staan als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan gezag is onderworpen van de wederpartij. Van gezag is sprake als laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Het bestaan van een familierelatie is een element dat mede moet worden betrokken in de beoordeling.

11. Uit de zorgovereenkomst en de overige dossierstukken blijkt dat eiser 24 uur per dag aanwezig was, maar over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden moest verrichten is geen objectieve en controleerbare informatie verstrekt. Op basis van de dossierstukken kan niet worden vastgesteld dat eisers echtgenote als (pgb-)budgethouder aanwijzingen in een verhouding van werkgever/werknemer (werk)opdrachten heeft gegeven waarbij ook sprake is van werken door eiser in ondergeschiktheid. Ook kan niet worden vastgesteld of zij niet alleen bevoegd maar ook in staat was controle uit te oefenen op de voortgang van eisers werkzaamheden. In dit verband wijst de rechtbank erop dat eisers echtgenote blijkens de dossierstukken afhankelijk was in haar alledaagse levensbehoeften, en volledig was aangewezen op fulltime zorg. Eiser heeft onder meer gesteld dat in de nacht ook vaak een appèl werd gedaan op zijn zorg en dat hij werd 'opgepiept', maar dit maakt niet dat sprake was van een gezagsverhouding. De door hem aangevoerde omstandigheid dat sprake was van een in de woning ingepaste 'zorgafdeling' maakt evenmin dat sprake was van een dergelijke verhouding.

12. Eisers beroep op de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB: 2019:252) waarin een gezagsverhouding werd aangenomen tussen een moeder en dochter slaagt evenmin. De dochter in de betreffende zaak was professioneel zorgverlener die haar beroep uitoefende zowel voor als na de periode waarin zij haar moeder verzorgde. De CRvB concludeerde dat de betrokken dochter werkzaam was onder omstandigheden waaronder een vergelijkbare buitenstaander werkzaam zou zijn geweest, en dat geen verschil bestond tussen de zorg voor de moeder en de zorg die de dochter aan haar cliënten verleende. Van een dergelijke situatie is hier niet gebleken.

13. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, bezien in hun onderlinge verband en samenhang, komt een beeld naar voren van een arbeidsrelatie die werd beheerst door de familieverhouding tussen eiser/echtgenoot en zijn echtgenote, die in geen geval vergelijkbaar is met de arbeidsverhouding van een gewone werknemer. Van een gezagsverhouding is geen sprake geweest.

Conclusie

14. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiser is geen werknemer geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW, en hij was dus niet verzekerd voor de WW. Het UWV heeft daarom op goede gronden besloten dat eiser per 18 februari 2020 geen recht heeft op een WW-uitkering. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.