Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4232

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8001
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIOW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8001 WIOW

uitspraak van 19 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 11 juni 2020 (primair besluit I) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) herzien, en een bedrag van € 5.871,25 teruggevorderd. In een besluit van 12 juni 2020 (primair besluit II) heeft het UWV bepaald wanneer en hoe eiser dit bedrag moet terugbetalen.

In een besluit van 28 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 juli 2021. Eiser is, zonder afmelding, niet verschenen. Het UWV werd vertegenwoordigd door mr. J.F.C.A.M. Weterings.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Het UWV heeft in een besluit van 12 maart 2019 aan eiser een IOW-uitkering toegekend met ingang van 26 maart 2019. In primair besluit I heeft het UWV deze uitkering herzien over de periode van 1 april 2019 tot en met 13 maart 2020, en een bedrag van € 5.871,25 aan teveel te veel ontvangen IOW-uitkering teruggevorderd. In primair besluit II heeft het UWV bepaald wanneer en hoe eiser dit bedrag moet terugbetalen. In het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Standpunt UWV

2.
Het UWV werpt eiser tegen dat hij niet heeft gemeld dat hij vanaf 1 april 2019 een pensioen ontvangt via [naam bedrijf] , en vanaf 1 maart 2020 een pensioen via [naam stichting] voor de Bouwnijverheid. Volgens het UWV moeten de betreffende inkomsten worden aangemerkt als 'overig inkomen' in de zin van artikel 2:4, eerste lid, sub m, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheids-wetten (AIB), dat op grond van artikel 10, vierde lid, van de IOW volledig in mindering moet worden gebracht op de IOW-uitkering.

Eisers standpunt

3. Volgens eiser is het UWV ten onrechte overgegaan tot het herzien en terugvorderen van zijn IOW-uitkering. Op wat hij aanvoert ter onderbouwing van zijn standpunt wordt – voor zover relevant – in het hiernavolgende ingegaan.

Relevante wet- en regelgeving

4. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage die is gehecht aan deze uitspraak.

Is sprake van 'overig inkomen' in de zin van het AIB?

5. Uit de in het dossier gevoegde informatie uit Suwinet volgt dat het bij eisers inkomsten via [naam bedrijf] en [naam stichting] voor de Bouwnijverheid gaat om 'overig inkomen' als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, van het AIB. Dit is door eiser ook niet weersproken in het beroepschrift. Op grond van artikel 9 van de IOW was het UWV verplicht om deze inkomsten geheel in mindering te brengen op eisers IOW-uitkering. Verder was het UWV verplicht deze uitkering te herzien over de periode van 1 april 2019 tot en met 13 maart 2020, vanaf de datum waarop de uitbetaling van het vroegpensioen heeft plaatsgevonden. Ook was het UWV op grond van de wet verplicht de onverschuldigd betaalde IOW-uitkering van eiser terug te vorderen.

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel

6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn broer in een soortgelijke situatie zat, en dat het UWV het korten van diens prepensioen heeft teruggedraaid. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Eisers beroep op dit beginsel slaagt niet, omdat hij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd dat het UWV in het geval van zijn broer anders heeft beslist dan in zijn geval. Zo heeft eiser geen BSN-nummer van zijn broer verstrekt aan het UWV, terwijl het UWV hier wel om heeft gevraagd blijkens een telefoonnotie van 11 januari 2019. Het UWV kon hierdoor niet uitzoeken of het gaat om gelijke gevallen. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat als het UWV in individuele gevallen een onjuist besluit neemt – wat hier niet is gebleken – dit niet betekent dat het gehouden is om gemaakte fouten te herhalen.

Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel

7. Eiser heeft verder gesteld dat een medewerker van het UWV hem desgevraagd heeft bevestigd dat opgebouwde pensioenrechten geen inkomsten uit arbeid zijn, en dat deze daarom ook niet in mindering worden gebracht op een IOW-uitkering. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep hierop is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1968) vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het is aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de dossierstukken geen aanknopingspunten die eisers stelling ondersteunen, integendeel. Uit de dossierstukken blijkt dat eiser in 2019 verschillende keren naar het UWV heeft gebeld met de vraag wat er gebeurt met zijn IOW-uitkering als hij pensioen ontvangt. Hem is verteld dat het bij opgebouwde pensioenrechten gaat om inkomen uit arbeid, en dat de betreffende inkomsten worden gekort. In het toekenningsbesluit van 12 maart 2019 staat bovendien ook duidelijk dat pensioen volledig wordt afgetrokken van het basisbedrag aan IOW. Het is mogelijk dat eiser de uitlatingen van de betrokken medewerker(s) van het UWV verkeerd heeft begrepen. Dit neemt echter niet weg dat het op zijn weg lag om zich nader te laten informeren over de vraag of de pensioenuitkeringen nu wel of niet van belang waren voor zijn IOW-uitkering. Gezien het voorgaande slaagt eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

Dringende redenen, hoogte terugvorderingsbedrag

8. De rechtbank overweegt verder dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van dringende redenen die maken dat het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering had moeten afzien. Eiser heeft de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet betwist, en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om dit bedrag onjuist te achten. De rechtbank concludeert daarom dat het UWV terecht is overgegaan tot de bestreden herziening en terugvordering van eisers IOW-uitkering.

Conclusie

9. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage – relevante wet- en regelgeving

Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de IOW wordt overig inkomen geheel in mindering gebracht op de uitkering. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder 'overig inkomen' als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan. Deze algemene maatregel van bestuur is het AIB.

Op grond van artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, van het AIB wordt onder 'overig inkomen' verstaan: een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een regeling van vervroegde uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de IOW is bepaald dat het UWV beschikkingen op grond van deze wet herziet of dergelijke beschikkingen intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 12 (zijnde de informatieplicht) en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld en indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens het tweede lid van dit artikel kan het UWV, indien daarvoor dringende redenen zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van de IOW, voor zover van belang, wordt een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 9 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt door het UWV teruggevorderd.

In artikel 35, vierde lid, van de IOW is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.