Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4230

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5582
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW/ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/5582 WW en 21/199 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 17 februari 2020 (primair besluit I) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 12 september 2019 beëindigd.

In het besluit van 3 oktober 2019 (primair besluit II) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 27 september 2019 beëindigd.

In de besluiten van 14 februari en 11 december 2020 (bestreden besluiten) heeft het UWV eisers bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het UWV heeft verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn besproken op de zitting van de rechtbank op 12 juli 2021. Eiser noch zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, verschenen. Namens het UWV is

[naam vertegenwoordiger] verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser is met ingang van 20 november 2017 werkzaam geweest als schoonmaker. Voor dat werk is hij op 22 maart 2019 uitgevallen. Blijkens de voorgeschiedenis is er door de jaren heen bij eiser sprake van herhaald langdurig verzuim. Op 27 juni 2019 heeft het UWV eiser weer geschikt geacht voor het eigen werk en zijn ZW-uitkering met ingang van die datum beëindigd. Op 28 juni 2019 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 8 juli 2019 heeft het UWV aan eiser met ingang van 27 juni 2019 een WW-uitkering toegekend met de mededeling als er niets veranderd is zijn situatie hij die uitkering tot en met 26 september 2019 ontvangt.

ZW-uitkering

Eiser heeft zich met ingang van 9 juli 2019 weer ziek gemeld met pijnklachten in het hele lichaam en vermoeidheidsklachten.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft het UWV aan eiser met ingang van 9 juli 2019 een ZW-uitkering toegekend en zijn WW-uitkering stopgezet.

Op 12 september 2019 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij weer geschikt wordt geacht voor het eigen werk. (hersteldverklaring)

Eiser heeft tegen de hersteldverklaring bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 februari 2020 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 17 februari 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank. (zaaknummer 20/5583) De rechtbank heeft dat beroep aan het UWV doorgestuurd om als bezwaar te worden behandeld. De rechtbank beschouwt de hersteldverklaring niet als een besluit en het besluit van 17 februari 2020 niet als een besluit op bezwaar maar als een primair besluit.

Met het besluit van 11 december 2020 (bestreden besluit I) heeft het UWV eisers bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2020 (primair besluit I) ongegrond verklaard. Volgens het UWV is eiser met ingang van 12 september 2019 weer geschikt voor zijn eigen werk als schoonmaker. Eisers ZW-uitkering wordt daarom met ingang van die datum beëindigd.

WW-uitkering

Op 19 september 2019 heeft eiser weer een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 24 september 2019 heeft het UWV eisers WW-uitkering met ingang van

12 september 2019 hervat met de mededeling dat als er niets in zijn situatie verandert hij recht heeft op een WW-uitkering tot en met 26 september 2019.

Met primair besluit II heeft het UWV eisers WW-uitkering met ingang van 27 september 2019 beëindigd.

Eiser heeft tegen primair besluit II bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 14 februari 2020 (bestreden besluit II) heeft het UWV eisers bezwaar tegen primair besluit II ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat er geen aanleiding is om de oorspronkelijke uitkeringsduur van eisers WW-uitkering, tot en met 26 september 2019, te verlengen. De duur kan worden verlengd als er gedurende (minstens) 13 weken recht heeft bestaan op een ZW-uitkering. Daar is in dit geval geen sprake van. Eiser heeft slechts over de periode van 9 juli tot 12 september 2019 een ZW-uitkering ontvangen. Omdat de ZW-periode minder dan 13 weken heeft geduurd, laat het UWV deze periode buiten beschouwing en wordt de duur van de WW-uitkering niet verlengd met 13 weken. De maximale duur van de WW-uitkering is daarom bereikt op 26 september 2019.

3. Beroepsgronden

ZW-uitkering

Eiser heeft tegen bestreden besluit I samengevat aangevoerd dat de verzekeringsartsen van het UWV zijn fysieke en psychische klachten hebben onderschat en zijn arbeidsmogelijk-heden overschat. Eiser heeft continue pijn over het hele lichaam en last van vermoeidheid. Er lopen medische onderzoeken (bij cardioloog en longarts) naar de aard en oorzaak van de klachten, maar die zijn nog niet gevonden. Door zijn klachten is eiser niet in staat om het werk als fulltime schoonmaker te verrichten.

WW-uitkering

Eiser stelt ten aanzien van bestreden besluit II dat hij op grond van zijn arbeidsverleden langer dan drie maanden recht heeft op een WW-uitkering. Zijn WW-uitkering heeft daarom op 26 september 2019 nog niet de maximale uitkeringsduur bereikt. Daarnaast stelt eiser dat hij langer dan 13 weken recht heeft op een ZW-uitkering. Het UWV heeft die uitkering ten onrechte beperkt tot de periode 9 juli tot 12 september 2019. Ook om die reden heeft zijn WW-uitkering op 26 september 2019 nog niet de maximale uitkeringsduur bereikt.

4. Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank

ZW-uitkering (bestreden besluit I)

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV op goede gronden eisers ZW-uitkering met ingang van 12 september 2019 heeft beëindigd.

Het UWV heeft die uitkering met ingang van 12 september 2019 beëindigd, omdat eiser per die datum weer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk, schoonmaker. Het UWV heeft dat besluit gebaseerd op de conclusies van een arts en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b).

De arts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De arts rapporteert dat eiser kampt met een heel scala aan ervaren klachten en belemmeringen. In het verleden zijn deze klachten meerdere malen beoordeeld. Veel van de klachten zijn medisch niet goed te verklaren en wijzen op somatisering. Eiser ervaart een grote lijdensdruk en mist de coping om hier mee om te gaan. Er is volgens de arts sprake van deconditionering op basis van inactiviteit. Op 27 juni 2019 is eiser hersteld verklaard voor het eigen werk. Twee weken daarna heeft eiser zich weer ziek gemeld. Volgens de arts zijn er geen nieuwe medische feiten. Er starten wel nieuwe onderzoeken maar gelet op de uitgebreide geschiedenis van somatisering is de kans dat er nu iets nieuws wordt gevonden zeer klein. Ook bij eigen lichamelijk en psychisch onderzoek vindt de arts geen verklaring en hij ziet dan ook geen reden om meer beperkingen aan te nemen dan op

27 juni 2019 gesteld. De arts komt tot de conclusie dat er geen medische verandering is en geen medische grondslag om anders te concluderen dan eerder en daarmee is er per datum ziekmelding geen sprake van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk.

De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd. Omdat eiser heeft afgezien van een hoorzitting, heeft de verzekeringsarts b&b hem niet gezien. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat hij geen aanleiding ziet om af te wijken van de bevindingen en conclusies van de primaire arts. Hij acht het onderzoek door de primaire arts zorgvuldig en zijn belastbaarheidsoordeel aanvaardbaar. Eiser is de afgelopen jaren veelvuldig door verzekeringsartsen gezien, waardoor zijn fysiek-energetische en mentale toestand grotendeels bekend is, evenals zijn preoccupatie met zijn gezondheidsklachten. Bij de laatste ziekmelding valt op dat dit slechts een herhaling is van de bekende klachten, sinds lang aanwezig en die eerder kennelijk niet belemmerend waren voor het schoonmaakwerk. De verzekeringsarts b&b stelt dat in bezwaar geen nieuwe medische feiten zijn gebleken. De subjectieve waardering door eiser van de arbeidsbeperkingen als gevolg van de klachten en aandoeningen wijkt af van de op basis van objectieve medische gegevens door de primaire arts reëel geachte arbeidsbeperkingen, die niet strijdig zijn met de uitvoering van het eigen werk. De in bezwaar geuite snelle vermoeidheid mist volgens de verzekeringsarts b&b een bevredigende medische verklaring, terwijl de geclaimde beperkingen (niet kunnen fietsen of autorijden en niet lang kunnen staan) geen onderdeel uitmaken van het eigen werk. De verzekeringsarts b&b acht eiser dan ook per 12 september 2019 geschikt voor het eigen werk.

De rechtbank leidt uit de rapportages van de (verzekerings)artsen af dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder zijn pijn- en vermoeidheidsklachten en psychische klachten. De (verzekerings)artsen hebben naar de klachten onderzoek gedaan. De primaire arts heeft eiser gezien en hem lichamelijk en psychisch onderzocht. Verder hebben de (verzekerings)artsen dossieronderzoek verricht. Daarmee is het medisch onderzoek naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig verricht.

Verder hebben de (verzekerings)artsen naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat eiser geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan hun bevindingen. Eiser heeft in bezwaar en in beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding kan geven voor de conclusie dat de (verzekerings)artsen geen goed beeld hadden van zijn belastbaarheid of om te twijfelen aan hun bevindingen. Ook anderszins ziet de rechtbank daarvoor geen reden. Dat de (verzekerings)artsen zijn fysieke en psychische klachten hebben onderschat en zijn arbeidsmogelijkheden overschat, zoals eiser heeft aangevoerd, volgt de rechtbank dan ook niet.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het besluit van het UWV tot beëindiging van eisers ZW-uitkering met ingang van 12 september 2019 daarom stand. Het beroep tegen bestreden besluit I zal daarom ongegrond worden verklaard.

WW-uitkering (bestreden besluit II)

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV op goede gronden eisers WW-uitkering met ingang van 27 september 2019 heeft beëindigd.

Het UWV heeft die uitkering met ingang van 27 september 2019 beëindigd, omdat de maximale uitkeringsduur van 3 maanden op 26 september 2019 is bereikt en die periode niet verlengd kan worden. Verlenging zou aan de orde kunnen zijn als eiser – tussen beëindiging van zijn WW-uitkering op 9 juli 2019 en de herleving daarvan – minstens 13 weken recht zou hebben gehad op een ZW-uitkering, maar dat is niet het geval.

Uitkeringsduur

Met het besluit van 8 juli 2019 heeft het UWV aan eiser over de periode 27 juni tot en met

26 september 2019 een WW-uitkering is toegekend. Daarmee is de uitkeringsduur, die is gebaseerd op eiseres arbeidsverleden, bepaald op 3 maanden.

Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Als gevolg daarvan staat de uitkeringsduur van 3 maanden in rechte vast. Eisers grond dat hij vanwege zijn arbeidsverleden recht heeft op een WW-uitkering van meer dan 3 maanden, kan daarom geen doel treffen. Eiser had die grond kunnen en moeten aanvoeren tegen het besluit van

8 juli 2019. Dat hij dat heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te blijven.

Verlenging uitkeringsperiode

Er zou wel sprake kunnen zijn van een langere WW-uitkering, als die uitkering bij herleving verlengd zou moeten worden. Daarvan kan op grond van artikel 43 van de WW sprake zijn als een zieke werkloze over een langere periode dan de eerste 13 weken van ziekte ziekengeld krijgt en geen WW-uitkering ontvangt. Als er sprake is van een kortere periode dan 13 weken ziekengeld dan wordt deze periode bij de bepaling van de uitkeringsduur na herleving van de WW-uitkering buiten beschouwing wordt gelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV bij de herleving van eisers WW-uitkering op 12 september 2019 terecht zijn ZW-uitkering buiten beschouwing gelaten en de WW-uitkeringsperiode niet verlengd met de periode van onderbreking. Zoals reeds overwogen houdt het besluit van het UWV tot beëindiging van eisers ZW-uitkering met ingang van

12 september 2019 stand. Daarmee heeft eisers ZW-uitkering, die was toegekend met ingang van 9 juli 2019, niet langer geduurd dan 13 weken en dient die uitkering buiten beschouwing te worden gelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het besluit van het UWV, waarbij eisers WW-uitkering met ingang van 27 september 2019 is beëindigd, daarom stand. Het beroep tegen bestreden besluit II zal daarom ongegrond worden verklaard.

6. Conclusie

De beroepen zijn ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

WERKLOOSHEIDSWET

Artikel 19

1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:

a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;

Artikel 20

1. Het recht op uitkering eindigt:

a. met ingang van de dag waarop de werknemer geen recht op uitkering meer heeft op grond van artikel 19;

b. met ingang van de dag waarop de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken;

Artikel 21

1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of c, is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van het tweede lid, de in artikel 8 en het derde lid genoemde termijnen, het vierde lid en de op grond van het vijfde lid gestelde regels.

Artikel 42

1. De uitkeringsduur is ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.

2. Indien de werknemer:

a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar respectievelijk over 208 of meer uren per kalenderjaar loon te hebben ontvangen, waarbij voor 1 januari 2013 52 of meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren; of

b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c of d;

1° is de uitkeringsduur een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden voor zover het arbeidsverleden niet meer dan tien kalenderjaren is; en

2° wordt de uitkeringsduur, voor zover het arbeidsverleden meer is dan tien kalenderjaren, verlengd met een halve maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden gelegen na 2015 en met een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden gelegen voor 2016. Bij het berekenen van de uitkeringsduur worden de maanden en de halve maanden bij elkaar opgeteld en wanneer die berekening niet leidt tot een aantal gehele maanden, telt een halve maand voor 15 kalenderdagen.

Artikel 43

1. Telkens nadat het recht op uitkering na eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt de uitkering zoveel later dan de in artikel 42, eerste, tweede en derde lid, bedoelde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.

2. Voor de persoon, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder 1°, van de Ziektewet die eerder dan de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid een uitkering ontvangt op grond van die wet wordt voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering, de periode waarin het ziekengeld wordt uitbetaald tijdens de eerste 13 weken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, buiten beschouwing gelaten.

ZIEKTEWET

Artikel 19

1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

5. Ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.

Artikel 29

2. Het ziekengeld wordt uitgekeerd over iedere dag van ongeschiktheid tot werken, doch over maximaal vijf dagen per kalenderweek en niet over zaterdagen en zondagen. In de eerste kalenderweek wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste zin het ziekengeld uitgekeerd over zaterdag en zondag, doch over maximaal vijf dagen per kalenderweek, indien de zaterdag of zondag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, met dien verstande dat:

(…)

Het ziekengeld wordt uitgekeerd aan:

d. de verzekerde die:

1°. op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken of zo veel eerder als de uitkering, bedoeld in dat onderdeel, eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet;