Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4229

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_ 358
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/358 WIA

uitspraak van 19 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres/B.V.] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Amsterdam), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij de rechtbank Rotterdam beroep ingesteld tegen het besluit van 6 december 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de ongewijzigde voortzetting van de uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), die de (ex)werknemer van eiseres, [naam werknemer] (de werknemer), ontvangt.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep doorgestuurd om door deze rechtbank te worden behandeld.

De werknemer heeft geen toestemming verleend voor kennisneming door eiseres van stukken die medische gegevens bevatten. Bij beslissing van 26 februari 2021 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisname is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. De rechtbank heeft aan gemachtigde van eiseres, mr. L.J.Y. Hoeneveld-Mol, bijzondere toestemming verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 juli 2021. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat de werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken. Dit betekent dat in deze uitspraak geen melding zal worden gemaakt van specifieke op de werknemer betrekking hebbende medische gegevens.

1. Feiten en omstandigheden

De werknemer is bij eiseres, een eigenrisicodrager, werkzaam geweest als productiemedewerker. Voor dat werk is hij op 3 juli 2014 uitgevallen.

Bij besluit van 28 november 2016 heeft het UWV aan de werknemer met ingang van

10 november 2016, na verlenging van de periode van verplichte loondoorbetaling tijdens ziekte van eiseres (loonsanctie), een WIA-uitkering (een loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar bij besluit van 31 mei 2017 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen de bevindingen van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] en haar Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 november 2016, van verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) [naam verzekeringsarts 2] van 30 mei 2017 en van arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] van 18 november 2016 ten grondslag.

Op 25 september 2017 is de werknemer naar Italië verhuisd en sinds 26 november 2018 woont hij in Marokko.

Op 10 september 2018 heeft eiseres aan het UWV gevraagd de werknemer te herbeoordelen.

Bij besluit van 29 november 2018 is de loongerelateerde WGA-uitkering van de werknemer met ingang van 10 januari 2019 omgezet in een loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 4 juni 2019 (primair besluit) heeft het UWV met ingang van 23 mei 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer vastgesteld op 78,07% en zijn WIA-uitkering ongewijzigd voortgezet.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 23 mei 2019 heeft vastgesteld op 78,07%.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b.

4.1

De verzekeringsarts heeft de werknemer niet gezien omdat hij in het buitenland verblijft maar zich gebaseerd op medische informatie van derden. Er is in Marokko onderzoek verricht. De verzekeringsarts rapporteert dat melding wordt gedaan van verschillende klachten en diagnosen. De werknemer wordt slechts voor bepaalde klachten behandeld en gebruikt daarvoor medicatie. De werknemer leeft van dag tot dag, zonder vaste structuur, is voornamelijk thuis, eet in het fastfoodrestaurant in de buurt. Tijdens het gesprek is de werknemer in tranen, oogt angstig, apathisch. In vergelijking met de einde wachttijdbeoordeling in november 2016 is er volgens de verzekeringsarts geen verbetering opgetreden, gelet op het ongewijzigde klachtenpatroon, de presentatie bij onderzoek en de conclusies van de algemeen arts en expert in Marokko. De medische situatie van de werknemer zou kunnen verbeteren als hij behandeling zou krijgen. Voor bepaalde klachten wordt hij echter niet behandeld. Daarom zijn nog steeds belangrijke beperkingen aan de orde ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Voor wat betreft de lichamelijke belastbaarheid ziet de verzekeringsarts aanleiding om minder beperkingen aan te nemen dan in de voorgaande FML. De werknemer is wel ongeschikt voor zwaar fysiek werk in verband met versneld optredende vermoeidheid. Tot slot is er een indicatie voor beperkingen in de duurbelastbaarheid. De verzekeringsarts stelt dat het aannemelijk is dat er een stoornis is in de energieregulatie. De verzekeringsarts beschouwt de werknemer 20 uur per week belastbaar. De beperkingen en de belastbaarheid van de werknemer zijn neergelegd in de FML van 23 mei 2019.

De verzekeringsarts b&b heeft, blijkens zijn rapportage van 7 oktober 2019, dossieronderzoek verricht en rapporteert dat hij geen medische argumenten heeft om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De bevindingen van de arts in Marokko stemmen overeen met hetgeen al bekend was over de periode dat de werknemer in Nederland woonde. De verzekeringsarts b&b ziet geen reden om die bevindingen in twijfel te trekken. De verzekeringsarts b&b kan zich vinden in de FML die de primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld, waarin beperkingen zijn aangenomen rekening houdend met de bevindingen bij onderzoek en die plausibel zijn met de gevonden afwijkingen.

4.2

Beroepsgronden

Eiseres heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen de beperkingen van de werknemer hebben overschat. Er zijn teveel beperkingen aangenomen. Ter onderbouwing heeft eiseres een rapportage van verzekeringsarts/medisch adviseur [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] van 22 juni 2021 overgelegd. Deze rapportage is aanvullend op de rapportage van [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] van 20 augustus 2019 die in bezwaar is overgelegd. [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] stelt dat de primaire verzekeringsarts teveel beperkingen heeft aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, maar ook ten aanzien van de fysieke belastbaarheid en de urenbeperking.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in geschillen over de arbeidsongeschiktheids-wetten herhaaldelijk onderkend dat een belanghebbende werkgever niet veel anders kan dan trachten aannemelijk te maken dat het onderzoek van het UWV onvoldoende is geweest of dat de door het UWV gegeven motivering de beslissing niet kan dragen, waardoor de werkgever niet op geheel gelijke voet als een werknemer en het UWV aan het geding kan deelnemen. De aard van de betrokken belangen brengt mee dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren.1

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan deze eisen. Zij overweegt daartoe als volgt.

Eiseres heeft in bezwaar en beroep rapportages van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] overgelegd.

[naam verzekeringsarts/medisch adviseur] concludeert in haar eerste rapportage van 20 augustus 2019 dat er teveel beperkingen zijn aangenomen. [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] wijst daarbij op de bevindingen van de specialist in Marokko. Er is vermeld dat de werknemer goed verzorgd is, coöperatief en goed georiënteerd. Hij heeft een jaar lang alleen en zelfstandig in Italië gewoond. Vervolgens is hij verhuisd naar Marokko waar hij ook zelfstandig woont. Hij is in staat tot zelfzorg en reisvaardig. Op grond hiervan stelt [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] dat verschillende gestelde beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren niet aan de orde zijn. Dat geldt ook voor wat betreft de fysieke belastbaarheid, gelet op de bevindingen bij onderzoek en de al vrij lage normaalwaarden in het CBBS. Tot slot stelt [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] dat de urenbeperking veel te fors is. Er blijkt niet van een verhoogde dagelijkse rustbehoefte. Er is dus geen toegenomen recuperatienoodzaak.

In haar aanvullende rapportage van 20 augustus 2019 stelt [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] dat de verzekeringsarts b&b in bezwaar niet of nauwelijks is ingegaan op haar argumenten. Zij stelt voorts dat in de FML ten onrechte bepaalde beperkingen zijn aangenomen, aangezien niet is gebleken van geobjectiveerde klachten. Uit de dossiergegevens blijkt dat de werknemer al langere tijd, sinds 2017/2018, niet meer onder behandeling is, terwijl hij aangeeft wel klachten te ervaren. De werknemer vertoont daarom inadequaat herstelgedrag en niet is gebleken dat het UWV dit gedrag met de werknemer heeft besproken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzekeringsarts [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] in haar rapportages beargumenteerd onderbouwd waarom zij vindt dat er teveel beperkingen zijn gesteld en waarom de gestelde urenbeperking te fors is. Dat had voor de verzekeringsarts b&b aanleiding moeten vormen om daarop gemotiveerd in te gaan. Hij heeft dat echter nagelaten. Hij heeft de eerste rapportage van [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] in zijn rapport van 7 oktober 2019 in het geheel niet genoemd en alleen uit de vermelding van de gronden van bezwaar van 21 augustus 2019 onder ‘Onderzoeksactiviteiten’ zou afgeleid kunnen worden dat hij kennis heeft genomen van die rapportage. In beroep heeft de verzekeringsarts b&b over de aanvullende rapportage van [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] alleen gesteld dat [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] herhaalt dat er minder beperkingen zijn en dat dat hem geen aanleiding geeft tot wijziging van zijn standpunt.

De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is. De verzekeringsarts b&b is niet of nauwelijks ingegaan op de rapportages van [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] , terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit komt alleen al om die reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van het arbeidskundige onderzoek.

5. Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten of zelf in de zaak voorzien, omdat zij daarvoor te weinig gegevens voorhanden acht. Ook zal de rechtbank geen bestuurlijke lus toe passen. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken.

6. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

Daarnaast komen de kosten van de rapporten van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] in aanmerking voor vergoeding. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt eiseres voor die rapporten een forfaitaire vergoeding toe. Blijkens de rapportages heeft [naam verzekeringsarts/medisch adviseur] aan het rapport van 20 augustus 2019 3 uur besteed en aan het rapport van 22 juni 2021 1 uur.

Rekening houdend met een uurtarief in 2019 van € 126,47 en het aantal bestede uren in 2019 van 3 uur bedraagt de vergoeding € 379,41, zijnde € 459,09 inclusief 21% BTW.

Rekening houdend met een uurtarief in 2021 van € 134,04 en het aantal bestede uren in 2021 van 1 uur bedraagt de vergoeding € 134,04, zijnde € 162,19 inclusief 21% BTW.

In totaal is het UWV aan eiseres € 621,28 aan kosten van rapportages verschuldigd. Daarmee bedraagt de totale proceskostenvergoeding € 1.369,28.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.369,28.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 uitspraak van de CRvB van 23 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3309)