Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4162

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IOAW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7144 IOAW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 25 maart 2020 (primair besluit) heeft het college aan eiser een uitkering op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) toegekend met ingang van 6 maart 2020.

In een besluit van 26 mei 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank in Breda op 13 augustus 2021.

Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontving van het UWV een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) tot en met 15 februari 2020.

Vervolgens heeft eiser zich op 6 maart 2020 bij het college gemeld voor het aanvragen van een IOAW-uitkering.

In het primaire besluit heeft het college aan eiser een IOAW-uitkering toegekend met als ingangsdatum 6 maart 2020.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In het bestreden besluit heeft het college de ingangsdatum van eisers IOAW-uitkering gehandhaafd conform het primaire besluit.

2. Geschil

In geschil is of het college in het bestreden besluit terecht de ingangsdatum van eisers IOAW-uitkering heeft gehandhaafd.

3. Beroepsgronden

Eiser heeft in beroep zijn bezwaargronden herhaald. Eiser stelt dat de ingangsdatum van zijn IOAW-uitkering 16 februari 2020 dient te zijn, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiser wist namelijk niet wanneer zijn WW-uitkering zou worden beëindigd. Dit wist hij pas op 5 maart 2020, doordat hij toen slechts een WW-uitkering ontving over de periode 1 februari 2020 tot en met 15 februari 2020, en niet al met het besluit van
17 december 2019, omdat daarin stond opgenomen dat zijn WW-uitkering zou eindigen op 15 februari 2020 “als er niets in uw situatie wijzigt”. Daarop heeft eiser op 6 maart 2020 direct een IOAW-uitkering aangevraagd.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de IOAW stelt het college het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast.

Op grond van artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen.

5. Beoordeling

5.1.

Vaststaat dat eiser zich niet eerder dan op 6 maart 2020 bij het college heeft gemeld voor het aanvragen van een IOAW-uitkering.

5.2.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 16a, eerste lid, van de IOAW meebrengt dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien gebleken is dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden (zie de uitspraak van de CRvB van
22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:197).

5.3.

De rechtbank overweegt dat eiser in de brief van het UWV van 17 december 2019 al was geïnformeerd dat hij recht had op een WW-uitkering tot en met 15 februari 2020. Eiser was hierdoor tijdig op de hoogte van de beëindigingsdatum van zijn WW-uitkering, omdat hij, in ieder geval bij kennisname van de brief van 17 december 2019, kon weten dat zijn WW-uitkering met ingang van 16 februari 2020 zou worden beëindigd. Dat hij zich desondanks niet eerder dan op 6 maart 2020 bij het college heeft gemeld voor het aanvragen van een uitkering, komt voor zijn risico. De toevoeging in voornoemde brief “als er niets in uw situatie wijzigt”, maakt dat niet anders, omdat niet gebleken is van wijziging in omstandigheden. Indien en voor zover er bij eiser onduidelijkheid bestond over zijn rechten op een uitkering, had het op zijn weg gelegen om zich daarover te laten informeren. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in overweging 5.2, aannemelijk heeft gemaakt die maken dat het college tot toekenning van de IOAW-uitkering met terugwerkende kracht tot 16 februari 2020 had moeten overgaan. Eisers gronden slagen niet.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 19 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.