Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4138

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8429
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8429 ZVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

en

Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 30 maart 2020 (het primaire besluit) heeft het CAK aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van € 410,49.

In het besluit van 7 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 22 juli 2021. Eiser is niet verschenen. Namens het CAK was [naam vertegenwoordiger verweerder] aanwezig.

Feiten en omstandigheden

1. Op 23 december 2019 heeft het CAK eiser een aanmaning gestuurd, omdat geconstateerd is dat hij geen zorgverzekering heeft in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarbij heeft het CAK medegedeeld dat een boete aan hem wordt opgelegd als hij zich niet binnen drie maanden (vóór 23 maart 2020) heeft verzekerd.

Bij het primaire besluit heeft het CAK aan eiser een boete van € 410,49 opgelegd, omdat hij heeft verzuimd binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering af te sluiten.

Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het CAK het bezwaar ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

2. Eiser stelt dat het CAK onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie. Hij komt uit een periode van detenties. Hij had geen werk of uitkering en leefde van leningen en giften van familie en vrienden. Volgens eiser is de boete daarom ten onrechte niet verlaagd of kwijtgescholden.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Zvw gaat het CAK na welke verzekeringsplichtigen in weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering verzekerd zijn.

Op grond van het tweede lid van dit artikel zendt het CAK een verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke aanmaning om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo'n verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Zvw legt het CAK, indien een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is verzonden niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is, hem een bestuurlijke boete op.

In artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

In artikel 5:46, derde lid, van de Awb is bepaald dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Ingevolge artikel 4:94a van de Awb kan een bestuursorgaan, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, een geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.

Overwegingen

4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft voldaan aan de aanmaning van het CAK om binnen de gestelde termijn een zorgverzekering af te sluiten. Het CAK was daarom op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden hem een boete op te leggen. Uit wat eiser heeft aangevoerd blijkt niet dat de beboete gedraging niet aan hem kan worden verweten, als bedoeld in artikel 5:41 van de Awb.

5. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat ook in een geval waarin sprake is van het vrijwel ontbreken van draagkracht, het toch geboden is een boete op te leggen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:547). Dit vanwege de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten waarvan het belang onder andere gelegen is in de waarborging van de volksgezondheid. Bij het opleggen van de boete dient wel rekening te worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van de verzekeringsplichtige.

6. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift gesteld dat hij de boete niet kan betalen. Het CAK heeft hem daarom bij brief van 28 april 2020 in de gelegenheid gesteld om (inkomens-) gegevens aan te leveren. In reactie hierop heeft eiser zijn bankafschriften over de periode van 1 december 2019 tot en met 31 maart 2020 overgelegd. In de bijgaande brief van 8 juni 2020 stelt hij dat hij een toezegging heeft gekregen voor een bijstandsuitkering voor drie maanden en dat hij een zorgverzekering zal afsluiten.

7. In het bestreden besluit stelt het CAK dat uit de bankafschriften van eiser blijkt dat hij in de periode waarop deze zien een gemiddeld inkomen had van € 756,70 per maand bestaande uit giften, leningen, stortingen, huurtoeslag, betalingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de terugbetaling van borg. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat hij de boete niet kan betalen. Ter zitting heeft het CAK verder toegelicht dat de boete alleen gematigd wordt als er niet of nauwelijks draagkracht is. Uit de bankafschriften blijkt echter dat er een saldo van meer dan € 600,- op eisers rekening stond. Bovendien ontving eiser huurtoeslag en is niet gebleken dat het niet mogelijk was om ook zorgtoeslag aan te vragen. Ook is niet gebleken dat hij niet eerder voor een bijstandsuitkering in aanmerking kon komen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het CAK zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser niet afdoende heeft aangetoond dat hij geen draagkracht heeft. Het CAK heeft dan ook geen reden hoeven zien om de boete met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb te matigen.

8. Gelet op het voorgaande heeft het CAK evenmin aanleiding hoeven zien om de boete kwijt te schelden. Ook anderszins is niet gebleken dat de boete voor eiser onevenredig nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 4:94a van de Awb heeft gehad.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 12 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.