Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4120

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6613 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. S. Klootwijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 13 augustus 2019 (primaire besluit) heeft het college het recht op bijstand ingetrokken vanaf 8 augustus 2019 en over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 en € 4.216,10 van eiseres teruggevorderd.

In het besluit van 24 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 juli 2021. Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde, en R. van Heugten namens het college.

Overwegingen

1. Feiten

Met een besluit van 24 mei 2018 heeft het college eiseres met ingang van 6 maart 2018 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Later is de uitkering gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Het college is in december 2018 een rechtmatigheidsonderzoek gestart naar het recht op uitkering van eiseres. Dit heeft ertoe geleid dat eiseres recht kreeg op een nabetaling over de periode van 6 maart 2018 tot 1 maart 2019.

Het college heeft het onderzoek voortgezet. Hieruit is onder andere gebleken dat eiseres betalingen ontving uit Tikkie-betaalverzoeken. Dit leidde ertoe dat het college met een besluit van 16 april 2019 het recht op uitkering ongewijzigd heeft voortgezet en dat de betalingen uit de Tikkie-betaalverzoeken werden verrekend met de nabetaling over de periode van 6 maart 2018 tot 1 maart 2019.

Met een brief van 2 juli 2019 heeft het college eiseres gevraagd om in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek ervoor te zorgen dat de gemeente uiterlijk op 12 juli 2019 heeft ontvangen: afschriften van de laatste drie maanden van de bankrekeningnummers ….5878 en …2089, het jaaroverzicht 2018 van deze bankrekeningen en een overzicht van de inkomsten uit zelfstandigheid. Daarbij is vermeld dat als de gegevens te laat of onvolledig zijn, eiseres het risico loopt dat de uitkering wordt opgeschort.

Met een mail van 4 juli 2019 heeft het college eiseres gevraagd om nog de volgende gegevens voor 11 juli 2019 over te leggen: bankafschriften over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 april 2019 en de boekhouding vanaf de periode dat eiseres inkomsten uit zelfstandigheid genereert.

Met een brief van 17 juli 2019 heeft het college eiseres gevraagd ervoor te zorgen dat de gemeente uiterlijk op 17 juli 2019 een overzicht van de bij- en afschrijvingen van het bankrekeningnummer …2089 over de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 juni 2019 heeft ontvangen. Daarbij is vermeld dat als de gegevens te laat of onvolledig zijn, eiseres het risico loopt dat de uitkering wordt opgeschort.

Met een brief van 1 augustus 2019, heeft het college eiseres uitgenodigd voor een rechtmatigheidsgesprek op 8 augustus 2019. Zij moet dan afschriften (alle bladen van alle volgnummers) van het bankrekeningnummer …5878 over de periodes van 6 maart 2018 tot en met 31 december 2018 en 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 meenemen. Ook is vermeld dat als zij deze gegevens niet verstrekt, zij het risico loopt dat de uitkering wordt beëindigd.

Met het besluit van 8 augustus 2019 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op uitkering met ingang van die dag opgeschort, omdat eiseres op 8 augustus 2019 niet op gesprek is verschenen en evenmin de gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Zij is, om het verzuim te herstellen, uitgenodigd voor een gesprek op 13 augustus 2019. Zij moet dan afschriften (alle bladen van alle volgnummers) meenemen van het bankrekeningnummer …5878 over de periodes van 6 maart 2018 tot en met 31 december 2018 en 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019. Ook is vermeld dat als zij op de afspraak verschijnt en deze gegevens verstrekt, zij voorkomt dat de uitkering wordt beëindigd en dat de opschorting dan ongedaan wordt gemaakt.

Met het primaire besluit heeft het college het recht op bijstand met ingang van 8 augustus 2019 ingetrokken, omdat eiseres die dag niet op gesprek is verschenen en niet heeft gereageerd op de vraag om voor 8 augustus 2019 de in het opschortingsbesluit gevraagde gegevens in te dienen. Het recht op uitkering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 wordt ingetrokken, omdat het recht op uitkering niet is vast te stellen. Eiseres heeft daardoor € 4.216,10 te veel bijstand ontvangen. Dit wordt teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht.

2. Standpunt van het college

Het college stelt zich over de intrekking van het recht op uitkering vanaf 8 augustus 2019 op het standpunt dat eiseres niet is verschenen op de afspraken van 8 en 13 augustus 2019. Tijdens die afspraken had zij de afschriften (alle bladen van alle volgnummers) van bankrekeningnummer …5878 over de periodes van 6 maart 2018 tot en met 31 december 2018 en 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019, waarom is gevraagd in de brieven van 1 en 8 augustus 2019, moeten inleveren. In zoverre is de intrekking gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet.

Het college stelt zich over de intrekking van het recht op uitkering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 op het standpunt dat eiseres zich op bestelling bezig hield met het borduren en bedrukken van textiel en voorwerpen (hierna: boorduuractiviteiten). Dit zijn in het economisch verkeer op geld waardeerbare activiteiten. Eiseres had daaruit inkomsten. Zij heeft dit niet uit eigen beweging aan het college gemeld. Zij heeft niet alle gevraagde bankafschriften ingeleverd en heeft geen deugdelijke administratie van haar activiteiten bijgehouden. Eiseres heeft de omvang van haar borduuractiviteiten daarom niet aannemelijk gemaakt. Daardoor kan geen (aanvullend) recht op bijstand worden vastgesteld. Het recht op bijstand over deze periode is dan ook terecht ingetrokken en het ten onrechte verleende bedrag aan bijstand van € 4.216,10 is terecht van eiseres teruggevorderd. In zoverre is de intrekking gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de Participatiewet en de terugvordering op artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet.

3. Beroepsgronden van eiseres

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van het recht op uitkering vanaf 8 augustus 2019 en tegen de intrekking en terugvordering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019.

Eiseres voert over de intrekking vanaf 8 augustus 2019 aan dat het college haar in meerdere brieven telkens andere stukken heeft gevraagd. Dat was onoverzichtelijk en niet nodig. De bankafschriften over de periode van 6 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 waren overbodig, omdat eiseres het financieel jaaroverzicht 2018 van die bankrekening al had overgelegd.

Zij voert ook aan dat het college op 1 augustus 2019 met een mail een afspraak op 6 augustus 2019 heeft afgezegd. Volgens de gemeente was die afspraak op 8 augustus 2019. In overleg met mevrouw Beuger van de gemeente is afgestemd dat deze afspraak verzet zou worden naar eind augustus 2020. Eiseres ging hier dan ook vanuit.

Ook heeft eiseres de brieven van het college van 1 en 8 augustus 2019 niet ontvangen.

Eiseres verkeerde bovendien in zodanige omstandigheden dat het voor haar onmogelijk was om op de afspraak van 6/8 augustus 2019 te verschijnen.

Eiseres voert over de intrekking en terugvordering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 aan dat zij betwist dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden, dat zij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en dat zij dit niet (tijdig) heeft doorgegeven aan de gemeente. Eiseres heeft de brieven van 1 en 8 augustus 2019 over de afspraken van 8 en 13 augustus niet ontvangen. Daardoor kon ze de gegevens over juli en augustus 2019 niet inleveren.

De contactpersonen bij de gemeente hadden aangegeven dat eiseres moest gaan werken. Eiseres borduurde eerst voor mensen in de privésfeer en later voor klanten. Ze deed het af en toe. Haar contactpersonen bij de gemeente wisten van deze activiteiten en van de inkomsten. Eiseres heeft de activiteiten en inkomsten altijd doorgegeven aan het college en kreeg dan per mail een ontvangstbevestiging. Het was haar eerst niet duidelijk voor welke datum, hoe vaak en hoe zij haar inkomensgegevens moest doorgeven. Eiseres heeft Excel bestanden waaruit haar inkomsten blijken, ingeleverd.

Eiseres vindt het niet bovendien redelijk dat het gehele recht op uitkering is ingetrokken en teruggevorderd. Het college had kunnen volstaan met het verrekenen van de ontvangsten uit de tikkies.

4. Wetgeving

De wetgeving die van toepassing is, is opgenomen in een bijlage aan het slot van deze uitspraak.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1

Over de intrekking vanaf 8 augustus 2019

5.1.1

De rechtbank moet beoordelen of de in het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 8 augustus 2019 in rechte stand kan houden.

5.1.2

De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen het opschortingsbesluit geen bezwaar heeft gemaakt.

5.1.3

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd was om de bijstandsuitkering van eiseres in te trekken, moet beoordeeld worden of eiseres verzuimd heeft om te verschijnen op de afspraken van 8 en 13 augustus 2019 waarbij zij de afschriften van bankrekeningnummer …5878 over de periodes van 6 maart 2018 tot en met 31 december 2018 en 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 had moeten inleveren.

Als dat het geval is, moet worden nagegaan of eiseres hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

Vast staat dat eiseres niet op de afspraken is verschenen en dat zij de gevraagde bankafschriften niet heeft ingeleverd.

De rechtbank is met het college van oordeel dat het verschijnen op de afspraken van belang was voor het vaststellen van het recht op bijstand, omdat daar, onder andere aan de hand van de in te leveren bankafschriften, de inkomsten van eiseres uit haar borduuractiviteiten besproken zouden worden. Het ging het college dus om het verkrijgen van inzicht in de financiële situatie van eiseres. De gevraagde afschriften van de bankrekening zijn om dezelfde reden ook van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat om inzicht te krijgen in de financiële situatie van eiseres in 2018, zij niet kon volstaan met het jaaroverzicht over dat jaar dat zij al eerder had ingeleverd. Uit een jaaroverzicht blijken immers niet de inkomsten en uitgaven, maar alleen een saldo aan het begin en aan het einde van het betreffende jaar.

Volgens eiseres kan haar niet verweten worden dat zij op 8 en 13 augustus 2019 niet is verschenen. Zij stelt dat de afspraak van 6/8 augustus 2019 is verzet naar het einde van die maand.

De rechtbank begrijpt uit de beschikbare gegevens dat eiseres op 6 augustus 2019 een afspraak met de gemeente had, en dat de contactpersoon die afspraak op 1 augustus 2019 per mail heeft afgezegd. Zij heeft in die mail eiseres gevraagd om de ontvangst te bevestigen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de mail van de contactpersoon niet dat de afspraak is verzet naar eind augustus 2019. Verder blijkt uit de bevestigingsmail van eiseres niet dat zij heeft gevraagd om de afspraak naar eind augustus 2019 te verzetten. Uit de andere beschikbare gegevens blijkt verder niet dat aan eiseres op 1 augustus 2019 concreet is toegezegd dat de eerstvolgende afspraak na de zomer zou plaatsvinden. Verder blijkt uit de mails van de contactpersoon en van eiseres niets over het verzetten van de afspraak van 8 augustus 2019.

Eiseres stelt ook dat zij de uitnodigingen voor de afspraken op 8 en 13 augustus 2019 niet heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat het college de uitnodigingsbrieven van 1 en 8 (het opschortingsbesluit) augustus 2019 heeft gestuurd aan het juiste adres. Het college heeft tijdens de zitting bij de rechtbank echter laten weten dat er geen postregistratiesysteem is en dat het niet kan bewijzen dat de brieven zijn verzonden. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1050) kunnen contra-indicaties meebrengen dat in zo’n geval geoordeeld moet worden dat een brief of besluit toch moet zijn ontvangen. Dan is – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk en is ook aannemelijk dat de aanbieding van het betreffende poststuk aan het adres van de betrokkene wel heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van zulke contra-indicaties. In dit verband is van belang dat eiseres in haar bezwaarschrift van 21 augustus 2019 tegen het primaire besluit schrijft dat zij in augustus enige tijd bij haar zus heeft gelogeerd en dat toen ze naar huis ging haar zus haar post geordend had en vervolgens “kwamen alle afspraken te zien”. De rechtbank leidt hieruit af dat de brieven over de afspraken op 8 en 13 augustus 2019 eiseres bereikt moeten hebben. Desgevraagd ter zitting heeft eiseres geantwoord dat ze het niet meer weet, maar dit antwoord is niet geloofwaardig, ook al omdat eiseres heeft verklaard dat alle post meestal aan komt op haar adres. Dat eiseres de brieven te laat gezien heeft, komt voor haar eigen risico. Het is immers haar eigen verantwoordelijkheid om haar post bij te houden, ook wanneer ze tijdelijk niet op het postadres verblijft. Bovendien had eiseres door de mededeling van de contactpersoon in de mail van 1 augustus 2019 dat eiseres op korte termijn een nieuwe uitnodiging zou ontvangen, kunnen weten dat ze haar post goed in de gaten moest houden.

Eiseres heeft haar stelling dat ze in zodanige omstandigheden verkeerde dat het voor haar onmogelijk was om op de afspraken van 8 en 13 augustus 2019 te verschijnen, niet concreet en controleerbaar onderbouwd. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.

De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat eiseres niet kan worden verweten dat ze op 8 en 13 augustus 2019 niet op de afspraken is verschenen waarbij zij de bankafschriften had moeten inleveren.

Het college was daarom op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd om het recht op bijstand per 8 augustus 2019 in te trekken.

Het college kon naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik maken.

5.1.4

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de in het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 8 augustus 2019 in rechte stand kan houden.

5.2

Over de intrekking en terugvordering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019

5.2.1

De rechtbank moet beoordelen of de in het bestreden besluit gehandhaafde intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 (beoordelingsperiode) in rechte stand kunnen houden.

5.2.2

Intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering zijn voor eiseres belastende besluiten. Daarom moet het college in beginsel aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 (beoordelingsperiode).

5.2.3

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres in de beoordelingsperiode op bestelling van derden de borduuractiviteiten bestaande uit het borduren en bedrukken van textiel en voorwerpen heeft verricht.

Evenmin is in geschil dat zij hiervoor een vergoeding kreeg in de vorm van betalingen uit tikkies. Gelet op de commerciële aard, de omvang en het terugkerende karakter van deze activiteiten, zoals die blijken uit de bijschrijvingen uit tikkies op de bankafschriften van eiseres, het Excel bestand dat eiseres van haar activiteiten heeft ingediend, het wijzigingsformulier over juni 2019 dat zij heeft ingediend en de gegevens op Facebook, is de rechtbank met het college van oordeel dat deze activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn, ongeacht de intentie waarmee eiseres ze verricht heeft. Eiseres heeft haar stelling op de zitting bij de rechtbank dat zij deze activiteiten slechts af en toe verrichtte niet concreet en controleerbaar onderbouwd. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. Dat geldt ook voor de stelling van eiseres op de zitting dat zij ook bijschrijvingen uit tikkies ontving van vriendinnen voor een etentje dat zij samen gehad hadden.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:119) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten.

Uit artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet in verbinding met de artikelen 31, eerste lid, en 32, eerste lid, van die wet volgt dat op geld waardeerbare activiteiten onverwijld aan het college moeten worden gemeld.

De rechtbank stelt verder vast dat het college eiseres in het toekenningsbesluit van 24 mei 2018 en in het besluit van 16 april 2019 er op heeft gewezen dat zij tijdig en volledig alle gegevens moet verstrekken die de gemeente nodig heeft om het recht op uitkering te kunnen vaststellen. Zij is er ook op gewezen dat zij daarvoor gebruik moet maken van een wijzigingsformulier.

De rechtbank overweegt over de beroepsgrond van eiseres dat zij de borduuractiviteiten en de inkomsten daaruit altijd gemeld heeft het volgende.

In het dossier bevindt zich alleen het wijzigingsformulier over juni 2019 dat eiseres op 3 juli 2019 heeft ingediend bij het college. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting verklaard dat hij alleen dit formulier in het cliëntarchief heeft gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel daaraan. Eiseres heeft bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet concreet en controleerbaar aannemelijk gemaakt dat zij ook over de andere maanden van de beoordelingsperiode wijzigingsformulieren heeft ingediend. Het formulier over juli 2019 had zij overigens vóór het einde van die maand moeten inleveren. Op dat moment ontving zij immers nog een bijstandsuitkering.

Eiseres stelt dat zij haar contactpersonen bij de gemeente op de hoogte heeft gesteld van de borduuractiviteiten en van de inkomsten daaruit. In het licht van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB: 2013:2876) kan de mededeling van eiseres in gesprekken met haar contactpersonen dat zij op bestelling borduuractiviteiten verricht en daaruit inkomsten ontvangt, niet meebrengen dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake kan zijn. Een dergelijke mededeling doet namelijk niet af aan haar verplichting om wijzigingen via de wijzigingsformulieren schriftelijk door te geven. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college eiseres hierop ook gewezen met de besluiten van 24 mei 2018 en 16 april 2019. Het college moet met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de wet kunnen afgaan op het correct gebruik van de wijzigingsformulieren. Verder volgt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2985) dat ook als het college uit overgelegde bankafschriften kan afleiden dat een betrokkene middelen heeft ontvangen, dat onverlet laat dat deze de ontvangst hiervan uit eigen beweging expliciet moet melden.

Eiseres is niet verschenen op de afspraken van 8 en 13 augustus 2019, terwijl zij daar zoals de rechtbank in overweging 5.1 heeft overwogen, geen goede reden voor had. Bovendien heeft eiseres ondanks de herhaalde verzoeken van het college niet de bankafschriften over de periodes van 6 maart 2018 tot en met 31 december 2018 en 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 verstrekt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet heeft geschonden.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3123) is schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond om de bijstandsuitkering in te trekken wanneer door die schending niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. De betrokkene moet dan aannemelijk maken dat zij over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad, wanneer zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan.

Omdat, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, eiseres over de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019 heeft nagelaten het college onverwijld op de hoogte te stellen van de borduuractiviteiten en de daarmee verworven inkomsten, lag het naar het oordeel van de rechtbank op haar weg om daarover concrete en controleerbare gegevens in te leveren opdat het (aanvullend) recht op bijstand alsnog kon worden vastgesteld. Eiseres heeft alleen een Excel bestand ingeleverd over de periode van maart 2019 tot en met juni 2019. Dit is echter achteraf opgesteld en kan niet worden aangemerkt als een deugdelijke boekhouding. Het college heeft bovendien op de zitting verklaard dat de verkoopbedragen op het Excel bestand niet overeenkomen met de tikkiebedragen op de bankafschriften. Eiseres heeft dat niet weersproken. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit.

Ook over juni 2019 geeft het Excel bestand in combinatie met de bankafschriften onvoldoende inzicht in de inkomsten van eiseres uit de borduuractiviteiten vanwege de door het college gestelde discrepantie tussen de verkoopprijzen volgens dat bestand en de bijschrijvingen uit de tikkies zoals die uit de bankafschriften blijken.

Verder heeft eiseres door niet te verschijnen op de afspraken van 8 en 13 augustus 2019 zichzelf de kans ontnomen om onduidelijkheden weg te nemen.

Door niet te verschijnen op die afspraken en geen bankafschriften te verstrekken over de periode van 29 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 ontbreekt bovendien elk inzicht in de inkomsten van eiseres in die periode.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre eiseres in de beoordelingsperiode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Het recht op uitkering is daarom terecht ingetrokken.

5.2.4

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering.

Eiseres heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de berekening van het teruggevorderde bedrag als zodanig.

De ten onrechte verstrekte uitkering is daarom op juiste gronden teruggevorderd.

5.2.5

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de in het bestreden besluit gehandhaafde intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2019 tot en met 7 augustus 2019 in rechte stand kunnen houden.

6. Conclusie en proceskosten

Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, op 10 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

In artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

In artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald - voor zover hier van belang - dat het college bepaalt welke gegevens ten behoeve van de voortzetting van de bijstand door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.

In artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten als de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel als de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

In het tweede lid is bepaald dat het college mededeling van de opschorting doet aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

In de eerste zin van het derde lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. In de tweede zin van het derde lid is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand het college een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een re hoog bedrag is verleend.

In het vierde lid is bepaald dat het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

In artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.