Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4119

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSFBSF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8153 WSFBSF

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. F. Özer,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Procesverloop

In twee besluiten aan eiser van 22 mei 2019 (primaire besluiten 1 en 2) heeft DUO de voor de periode van oktober 2015 tot en met december 2019 toegekende studiefinanciering naar de norm voor uitwonenden herzien naar de norm voor thuiswonenden.

Bij besluit van 23 mei 2019 (primair besluit 3) heeft DUO de hierdoor door eiser teveel ontvangen studiefinanciering van € 9.154,07 teruggevorderd.

Bij besluit van 20 juni 2019 (primair besluit 4) heeft DUO eiser een bestuurlijke boete van € 1.259,34 opgelegd, omdat eiser niet woonde op het adres waarop hij in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) stond ingeschreven.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2019 heeft DUO de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 6 juli 2020 (BRE 19/6147) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 oktober 2019 vernietigd en DUO op gedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij het thans bestreden besluit van 20 juli 2020 heeft DUO het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de herziening en terugvordering (primaire besluiten 1, 2 en 3). Ten aanzien van primaire besluit 4 (boeteoplegging) heeft DUO het bezwaar ongegrond verklaard. DUO heeft een proceskostenvergoeding toegekend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

DUO heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 27 mei 2021.

Hierbij waren eisers gemachtigde en mr. drs. E.H.A. van den Berg namens DUO aanwezig.

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

Feiten

1.1

Eiser ontving een uitwonendenbeurs en stond sinds 13 juli 2015 in de BRP ingeschreven op het adres [BRP-adres] (BRP-adres). DUO heeft onderzoek verricht naar de feitelijk woonsituatie van eiser. Er is op 17 mei 2019 een huisbezoek afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in de rapportage huisbezoek van 19 mei 2019. De conclusie luidt dat eiser ten tijde van het huisbezoek niet op het BRP-adres woonde.

Uitspraak van 6 juli 2020

1.2

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 juli 2020 (BRE 19/6147 WSFBF) geoordeeld dat de controleurs bevoegd waren het huisbezoek af te leggen en dat DUO het rapport mocht gebruiken bij de besluitvorming. Verder is geoordeeld dat DUO aannemelijk heeft gemaakt dat eiser op het moment van het huisbezoek niet woonde op het BRP-adres. Ten aanzien van de herziening en terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat er op 28 maart 2018 een huisbezoek is afgelegd op grond waarvan de studiefinanciering is herzien naar de norm voor een thuiswonende en een daartegen gericht bezwaar gegrond is verklaard. De herziening strekt zich daarom slechts uit over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2020:668). Beoordeeld moet worden of eiser onomstotelijk bewijs heeft geleverd dat hij in die periode of een deel daarvan op het BRP-adres heeft gewoond. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval was, eiser heeft onvoldoende objectieve gegevens verschaft waaruit dat kan worden geconcludeerd. Voor toepassing van de hardheidsclausule is volgens de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat de herziening en terugvordering, voor zover nog in geschil, stand houdt over de periode van 1 april 2018 tot en met 31 mei 2019. Het beroep is gegrond verklaard en het besluit van 21 oktober 2019 is vernietigd, omdat over een ruimere periode is herzien en teruggevorderd.

Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser onvoldoende redelijke twijfel heeft gewekt over het feit dat hij niet op het BRP-adres heeft verbleven. Een duidelijke objectief gegeven ontbreekt. Mogelijk heeft het nieuw vast te stellen terugvorderingsbedrag gevolgen voor de hoogte van de boete, maar dit is ter beoordeling van de minister.

Tegen deze uitspaak is door eiser hoger beroep ingesteld. Ten tijde van de zitting was nog geen datum bekend waarop het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zal dienen.

Bestreden besluit

1.3

Bij het thans bestreden besluit heeft DUO het bezwaar gegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de herziening en terugvordering (primaire besluiten 1, 2 en 3). De terugvordering over de periode voorafgaand aan de maand april 2018 is komen te vervallen.

Ten aanzien van primair besluit 4 (boeteoplegging) heeft DUO het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de boete is berekend over de maanden juni 2018 tot en met mei 2019. Nu de herziening over deze maanden ongewijzigd is, wijzigt de boete niet.

Beroepsgronden

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bevindingen in de rapportage van 19 mei 2019 onvoldoende zijn voor DUO om zich op het standpunt te stellen dat eiser niet woonachtig is op het BRP-adres. Er is geen sprake van een zorgvuldig onderzoek. DUO heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet op het BRP-adres woonde ten tijde van de controle.

Eiser stelt dat ten aanzien van de boeteoplegging voor DUO een zwaardere bewijslast geldt. Er moet worden bewezen dat eiser niet op het BRP-adres woonde.

Verder stelt eiser dat het boeterapport van 19 mei 2019 niet is ondertekend, waardoor niet kan worden nagegaan of de boete niet is oplegde door dezelfde persoon als die het boeterapport heeft opgemaakt.

Omvang van het geding

3.1

De rechtbank stelt vast dat zij in haar uitspraak van 6 juli 2020 reeds een oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de intrekking en terugvordering van de studiefinanciering. Verder heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de boete rechtmatig is opgelegd. Enkel de hoogte van de boete had nog kunnen wijzigen door het nieuw te berekenen terugvorderingsbedrag.

De beroepsgronden die zien op de herziening en terugvordering van de studiefinanciering en de vraag of een boete mag worden opgelegd, zullen, nu de rechtbank zich hierover reeds heeft uitgelaten in haar uitspraak van 6 juli 2020, in het kader van het hoger beroep door de CRvB behandeld dienen te worden.

Thans is uitsluitend in geding of de hoogte van de boete correct is vastgesteld.

Hoogte van de boete

4. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de boete in het bestreden besluit niet is aangepast, omdat de herziening over de periode waarop de boete ziet, niet is gewijzigd. De boete is berekend over de periode van juni 2018 tot en met mei 2019, in welke periode eiser € 2.518,68 te veel aan studiefinanciering heeft ontvangen.

De rechtbank acht met DUO, conform zijn beleid en rekening houdend met de aard en ernst van de overtreding, een boete van 50 procent van het over deze periode van 12 maanden te veel ontvangen bedrag aan studiefinanciering (in totaal € 1.259,34) passend en geboden.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 10 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak

mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.