Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4074

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-8-2021
FutD 2021-2723
NLF 2021/1681
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

Zaaknummers BRE 20/4857 en 20/4858

uitspraak van 4 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

verweerder.


Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in een uitspraak op bezwaar met dagtekening 10 februari 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer 1] ongegrond verklaard. In een tweede uitspraak op bezwaar, eveneens met dagtekening 10 februari 2020, heeft hij ook het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer 2] ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. In de naheffingsaanslagen staat vermeld dat de auto met kenteken [kenteken] op 3 december 2020 om 13.29 uur respectievelijk op 10 december 2020 om 13.21 uur geparkeerd stond in [plaats] aan [adres 1] op een parkeerplaats voor betaald parkeren, zonder dat parkeerbelasting was voldaan. In beide aanslagen bedraagt de nageheven belasting € 1,- verhoogd met een bedrag van € 62,- vanwege gemaakte kosten.

2. Belanghebbende voert aan dat hij van een politieagent had begrepen dat hij met een gehandicaptenparkeerkaart overal gratis mocht parkeren. Naar zijn mening dient de tweede naheffingsaanslag te worden kwijtgescholden, omdat hij pas na ontvangst van de eerste naheffingsaanslag ervan op de hoogte was dat hij met de gehandicaptenparkeerkaart alleen op invalideparkeerplaatsen gratis mocht parkeren. Belanghebbende stelt zich tevens op het standpunt dat de auto niet aan [adres 1] geparkeerd is, maar op de grote parkeerplaats bij de [adres 2] .

3. De heffingsambtenaar stelt dat op basis van een digitale parkeercontrole met behulp van een scanauto is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Uit de bij de controle gemaakte foto’s blijkt dat belanghebbende heeft geparkeerd aan de [adres 2] . Gezien de locatie wordt vastgesteld aan de hand van GPS-coördinaten, kan het voorkomen dat op de naheffingsaanslag een verkeerde straatnaam wordt genoteerd. De heffings-ambtenaar stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:549, dat de naheffingsaanslag ondanks de foutieve locatieaanduiding in stand kan blijven.

4. De rechtbank stelt voorop dat op de heffingsambtenaar de last rust om te bewijzen dat de belastbare feiten, waarvoor de naheffingsaanslagen zijn opgelegd, zich hebben voorgedaan.

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op voormelde data en tijden feitelijk niet in [adres 1] stond geparkeerd, maar op het parkeerterrein aan de [adres 2] . Dit blijkt ook uit de scanfoto’s. De vraag is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, nu als parkeerlocatie [adres 1] is vermeld in plaats van [adres 2] .

6.
In artikel 2, onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2019 van de gemeente [plaats] (hierna: Verordening) wordt onder de naam parkeerbelastingen een belasting geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Hieruit volgt dat de locatie waar is geparkeerd een essentieel onderdeel is van het belastbare feit en daarom op de naheffingsaanslag moet worden vermeld. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2808.

7. Volgens de heffingsambtenaar is de onjuiste locatievermelding het gevolg van het gebruikte systeem. De scanauto maakt gebruik van GPS-coördinaten. Die zijn niet op de meter nauwkeurig, maar wijken iets af. De [adres 2] ligt tegen [adres 1] aan, met slechts een meter verschil.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat dit systeem de GPS-coördinaten niet aan het juiste adres koppelt, voor rekening en risico van de heffingsambtenaar dient te komen.

8. Dat is anders wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor belanghebbende kenbare, vergissing berust. Naar het oordeel van de rechtbank is hier echter geen sprake van een vergissing. De onjuiste locatievermelding is een gevolg van het aan GPS-coördinaten gekoppelde systeem van de scanauto. Het betreft hier dus geen vergissing, maar een onnauwkeurigheid.1

Ter zitting heeft belanghebbende bovendien gesteld dat het hem niet duidelijk was dat het een vergissing of onnauwkeurigheid betrof. Zijn echtgenote had de auto op de voornoemde data en tijden op het parkeerterrein vlakbij de fysiotherapeut, waar ze een afspraak had, geparkeerd. Omdat de straatnaam voor zijn gevoel niet klopte, is hij nog teruggegaan naar de betreffende plek waar zijn echtgenote de auto had geparkeerd. Hij heeft daar naar het straatnaambordje [adres 1] gezocht, maar zag alleen een bordje waar [adres 2] op stond. Het was dus onvoldoende kenbaar voor belanghebbende op welke locatie het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

9. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat [adres 1] blijkens Google Street View (bord op de hoek met de Achter de IJsbaan en de [adres 2] ) een voetgangerszone is waar alleen laden en lossen is toegestaan. De parkeerhavens, waar de auto van belanghebbende geparkeerd was, horen bij de [adres 2] . [adres 1] wordt ook niet vermeld in de straatnamenlijst (bijlage 2 bij het Aanwijzingsbesluit Betaald parkeren 2019) van straten waar betaald parkeren of een parkeervergunning geldt.

10. De verwijzing door de heffingsambtenaar naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018 kan hem niet baten. In die zaak deed zich de situatie voor dat in de straat waar belanghebbende feitelijk geparkeerd had, sprake was van betaald parkeren tegen hetzelfde tarief als in de straat die op de naheffingsaanslag vermeld stond. Dat is in de onderhavige situatie anders.

11. De onjuiste locatievermelding dient dan ook te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslagen. De overige door belanghebbende aangevoerde gronden behoeven daarmee geen verdere bespreking.

12. Gelet op het voorgaande zullen de beroepen gegrond worden verklaard. De rechtbank zal de bestreden uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen vernietigen. De heffingsambtenaar dient het door belanghebbende betaalde griffierecht van eenmaal € 48,- (voor beide beroepen samen) te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar alsmede de naheffingsaanslagen;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van in totaal € 48,- aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H.M. Venmans, griffier, op 4 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

1 Zie ook de uitspraak van 30 mei 2018 van rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2018:4130.