Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4042

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
02/114781-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Van de drie ten laste gelegde woninginbraken acht de rechtbank één woninginbraak (dmv inklimming) bewezen. Van de andere twee woninginbraken wordt verdachte vrijgesproken. Het bewijs voor die feiten was gebaseerd op herkenningen door verbalisanten van verdachte als de dader bij het bekijken van camerabeelden van die inbraken. De officier van justitie heeft pas ter zitting (na de feitenbehandeling) verklaard dat er ontlastende informatie was bestaande uit een interne notitie van een collega waarin vermeld werd dat de zaak na behandeling in de raadkamer gevangenhouding aan een specialist op het gebied van herkenningen was voorgelegd. Die specialist heeft wel overeenkomsten tussen de foto van verdachte en de beelden van de dader(s) van de feiten 2 en 3 vastgesteld, maar daarnaast ook verschillen geconstateerd waardoor volgens hem niet tot een herkenning van verdachte als dader kan worden geconcludeerd. De officier van justitie wist dit al in de week voor de zitting. Zij heeft er echter bewust voor gekozen om te wachten met het delen van die informatie totdat de rechtbank de gelegenheid had gehad zelf de camerabeelden van die inbraken te bekijken en te vergelijken met de ter zitting aanwezige verdachte. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een vormverzuim, maar niet van een onherstelbaar vormverzuim, zodat alleen al om die reden de door de raadsman verzochte niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie niet aan de orde is. De rechtbank houdt wel bij de op te leggen straf rekening met deze niet-magistratelijke handelwijze van de officier van justitie. Straf: gevangenisstraf gelijk aan voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-114781-21

vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C. de Pagter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 27 november 2020 tot en met 20 december 2020 - al dan niet samen met (een)

ander(en) - drie woninginbraken heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie voor verdachte ontlastende informatie heeft achtergehouden en pas op de zitting - na de feitenbehandeling - deze informatie met de rechtbank en de verdediging heeft gedeeld, terwijl die informatie al langere tijd bekend was bij de officier van justitie. Hij acht dit een zodanige ernstige schending van de goede procesorde dat daarop de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te volgen.

Volgens de officier van justitie heeft haar collega in een interne notitie vermeld dat de zaak na behandeling in de raadkamer gevangenhouding aan een specialist op het gebied van herkenningen was voorgelegd in verband met herkenningen door verbalisanten van verdachte voor de feiten 2 en 3 waarover door de verdediging opmerkingen waren gemaakt. Die specialist heeft wel overeenkomsten tussen de foto van verdachte en de beelden van de dader(s) van de feiten 2 en 3 vastgesteld, maar daarnaast ook verschillen geconstateerd waardoor volgens hem niet tot een herkenning van verdachte als dader kan worden geconcludeerd. De officier van justitie wist dit al in de week voor de zitting. Zij heeft er echter voor gekozen om te wachten met het delen van die informatie totdat de rechtbank de gelegenheid had gehad zelf de camerabeelden van de inbraken onder de feiten 2 en 3 te bekijken en te vergelijken met de ter zitting aanwezige verdachte.

De rechtbank stelt evenals de raadsman vast dat de officier van justitie doelbewust voor verdachte ontlastende informatie heeft achtergehouden en pas op de zitting – na de feitenbehandeling inclusief het langdurig en ook van dichtbij bekijken van verdachte in allerlei posities – deze informatie met de rechtbank en de verdediging heeft gedeeld.

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een vormverzuim, maar niet van een onherstelbaar vormverzuim, zodat alleen al om die reden de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie niet aan de orde is. Het desbetreffende verweer wordt dan ook verworpen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De door de officier van justitie gekozen gang van zaken verdient echter geenszins de schoonheidsprijs en wordt als niet-magistratelijk aangemerkt. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de op te leggen straf.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte, het proces-verbaal met betrekking tot de individualisatie van de aangetroffen vingerafdruk en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte vrij te spreken van de feiten 2 en 3.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat feit 1 bewezen kan worden verklaard en dat verdachte van de feiten 2 en 3 dient te worden vrijgesproken .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De beoordeling van de feiten

Gelet op de bewijsmiddelen kan feit 1 wettig en overtuigend bewezen worden.

Van de feiten 2 en 3 zal de rechtbank verdachte vrijspreken. Verdachte ontkent die feiten en de herkenningen door verbalisanten van verdachte als dader hebben geen bewijswaarde gelet op de bevindingen van de politiedeskundige en de rechtbank zelf.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
op 20 december 2020 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg in/uit een woning, gelegen op/aan de [adres] ,
- acht gouden sieraden en
- een ochtendjas,
die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd.

De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan voldoende overtuigend bewijs vrijspreken van hetgeen onder de feiten 2 en 3 is ten laste gelegd.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, gezien de manier waarop zij met het ontlastend bewijs voor de feiten 2 en 3 is omgegaan.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens gepleit voor een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van goederen uit een woning. Hij is naar en door een open raam op de eerste verdieping geklommen en heeft daar gouden sieraden en een ochtendjas weggenomen.

Net als een woninginbraak veroorzaakt een diefstal door inklimming als deze niet alleen de nodige materiële schade, maar maakt het ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke, vaak kostbare, bezittingen heeft doorzocht en weggenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een inbraak in een woning - en wat de rechtbank betreft ook voor een insluiping in een woning - geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden onvoorwaardelijk.

De rechtbank kan echter niet anders dan concluderen dat verdachte op 20 december 2020 speciaal naar Nederland is gekomen om een dergelijk strafbaar feit te plegen. Zijn verklaring dat hij die dag op luchthaven Eindhoven is geland en op zoek naar werk te voet in de [adres] in Berkel-Enschot terecht is gekomen, is volstrekt ongeloofwaardig. Het is ook ongeloofwaardig dat hij toen - bij de aanblik van een open raam op de eerste verdieping van een woonhuis - spontaan bedacht om voor de eerste keer in zijn leven een diefstal uit een woning te gaan plegen, een diefstal waarvoor hij naar de eerste verdieping van die woning moest klimmen. De conclusie dat hij speciaal naar Nederland is gekomen om een vermogensdelict te plegen, zou naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf (aanzienlijk) langer dan drie maanden rechtvaardigen. De eerder onder paragraaf 3 beschreven handelwijze van de officier van justitie maakt echter dat de rechtbank conform de eis van de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt die gelijk is aan het door verdachte ondergane voorarrest, te weten 99 dagen. Zij zal tevens de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 99 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.E. van den Ing, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van E.A.J. de Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2021.

Mr. Van den Ing is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.