Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4041

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
02/254083-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van art. 249, lid 2, onder 3 Sr. Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van sociaal psychiatrisch verpleegkundige schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontucht met zijn cliënte. Taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het overige deel afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-254083-20

vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres],
raadsvrouw: mr. Y.I.B. Grosfeld, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2021, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als

sociaal psychiatrisch verpleegkundige in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn cliënt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. Verder staat vast dat er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en aangeefster, waarbij verdachte psychisch overwicht had op aangeefster. Aangeefster was kwetsbaar en het is de vraag of zij de gevolgen van de gebeurtenissen heeft kunnen overzien.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en bepleit vrijspraak. Volgens de raadsvrouw heeft de functionele relatie tussen verdachte en aangeefster geen rol gespeeld bij de seksuele contacten. Ook was er geen sprake van psychisch overwicht of van een afhankelijke positie van aangeefster tijdens de seksuele contacten, waardoor de seksuele handelingen niet vallen onder het bereik van artikel 249, tweede lid, aanhef onder 3°, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Vooropgesteld moet worden dat met de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr van “degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” is beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele handelingen die op initiatief van het slachtoffer zijn gepleegd. Daarbij is uitgangspunt dat de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat (vgl. HR 30 maart 1999, NJ 1999, 482). Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem/haar heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem/haar heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, LJN AJ1188, NJ 2004/78).

Op grond van voornoemde jurisprudentie is bij het bestaan van een dergelijke relatie in beginsel een afhankelijke positie gegeven, maar is het mogelijk dat zich uitzonderingssituaties voordoen. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich bij de onderhavige relatie niet heeft voorgedaan en overweegt hiertoe als volgt.

Aangeefster is in oktober 2017voor behandeling aangemeld bij ggz-instelling PsyQ te Goes. Aanvankelijk stond aangeefster op de wachtlijst. In november 2017 is zij ter overbrugging gestart met running-therapie, die door verdachte werd begeleid. Op dat moment is aangeefster voor het eerst in contact gekomen met verdachte. Verdachte zag tijdens deze sessies dat het niet goed ging met aangeefster. Hij heeft dit binnen de organisatie aangekaart, maar er was geen behandelaar beschikbaar. Hulp kon echter niet uitblijven en daarom is besloten dat verdachte haar behandelaar zou worden. Hierop is verdachte begonnen met het voeren van behandelgesprekken met aangeefster. Aangeefster was kwetsbaar. Zij is door de huisarts doorverwezen naar PsyQ vanwege haar depressieve klachten en zij uitte zich gedurende de behandeling ook suïcidaal. Verdachte is stapsgewijs steeds meer van haar problematiek op de hoogte geraakt. Aanvankelijk liet aangeefster niet veel over haar situatie los, maar tijdens de running-therapie begon zij steeds meer over haar problematiek te spreken met verdachte. Ook tijdens de behandelgesprekken is zij zich steeds verder open gaan stellen richting verdachte. Op basis van deze gesprekken heeft verdachte zelfs geconcludeerd dat een angststoornis mogelijk aan de problematiek van aangeefster ten grondslag kon liggen. Er was dus sprake van een vertrouwensrelatie tussen verdachte en aangeefster.

Tijdens de behandeling is het meerdere keren voorgekomen dat aangeefster met haar hoofd tegen verdachte ging staan. Verdachte heeft dit bij de leidinggevende psychiater gemeld, maar moest van deze naar zijn zeggen desondanks haar behandelaar blijven omdat er niemand anders beschikbaar was. Uiteindelijk hebben er tijdens de behandeling seksuele handelingen plaatsgevonden in het kantoor van verdachte. Hierna hebben verdachte en aangeefster afgesproken in het Poelbos te Goes. Hier hebben ook seksuele handelingen plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee vast is komen te staan dat de relatie tussen verdachte en aangeefster is ontstaan vanuit de hulpverleningsrelatie. Daaraan doet niet af dat aangeefster en verdachte affectieve gevoelens hadden voor elkaar. Dat ook verdachte zich ervan bewust was dat de relatie met aangeefster niet los kon worden gezien van hun functionele relatie blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij vond dat wat er gebeurd was in strijd was met de sociaal-ethische normen. Ook zag hij in dat hij een grens had overschreden en dat dit eventueel gevolgen zou hebben voor zijn baan. Dit is ook de reden dat hij zich uiteindelijk heeft gemeld bij zijn supervisor.

Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van een (volledig) gelijkwaardige relatie, mede omdat uit een hulpverleningsrelatie al een zekere mate van afhankelijkheid voortvloeit. De rechtbank weegt de aard van de rollen die verdachte en aangeefster in de relatie tot elkaar hadden hierbij mee. Daar komt bij dat aangeefster kwetsbaar was, gelet op de aard van de psychische aandoeningen waarvoor ze werd behandeld, waarvan verdachte als behandelaar op de hoogte was. Hiermee is gegeven dat een zekere mate van afhankelijkheid van aangeefster een rol heeft gespeeld bij het verrichten van de seksuele handelingen. Ook het ontuchtig karakter is daarmee gegeven. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

Op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 augustus 2018 de in de tenlastelegging genoemde ontuchtige handelingen heeft gepleegd met aangeefster, terwijl zij als cliënt aan zijn hulp en of zorg was toevertrouwd. Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2018 tot en
met 31 augustus 2018 te Goes en Middelburg, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg ontucht heeft gepleegd
met [aangeefster] , die zich als cliënt aan verdachtes hulp en
zorg had toevertrouwd,
door zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster] te brengen
en die [aangeefster] zijn, verdachtes, penis te laten betasten en die [aangeefster]
te kussen en de vagina van die [aangeefster] te betasten met zijn
vinger(s) en mond.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 160 uren. Daarnaast vordert hij een gevangenisstraf op te leggen van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de open proceshouding van verdachte en dat hij een blanco strafblad heeft. Het tuchtcollege heeft een maatregel opgelegd, hij is zijn baan kwijtgeraakt en vervroegd met pensioen gegaan. Verdachte is ernstig bedreigd door de partner van aangeefster en zijn huwelijk is gestrand. Verdachte is door wat er is gebeurd al genoeg gestraft, waardoor artikel 9a Sr toegepast dient te worden dan wel een lagere werkstraf opgelegd dient te worden dan nu gevorderd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich gedurende een korte periode enkele malen schuldig gemaakt aan ontucht met aangeefster. Hij is, als sociaal psychiatrisch verpleegkundige en medewerker bij PsyQ, een behandelrelatie met aangeefster aangegaan en heeft in die behandelrelatie seksuele handelingen bij en met haar verricht. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich aldus onprofessioneel heeft gedragen en misbruik heeft gemaakt van zijn positie als behandelaar. De verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen van aangeefster, die zich aan zijn professionele zorg en hulp had toevertrouwd, maar tevens een inbreuk gemaakt op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. De relatie tussen zorgverlener en de aan zijn zorg toevertrouwde persoon schept voor de zorgverlener een bijzondere verantwoordelijkheid.

Met zijn handelen heeft de verdachte eveneens het vertrouwen dat patiënten mogen stellen in hun behandelaar en de zekerheid dat zij zich bij hen veilig kunnen voelen, beschadigd. De verdachte had zich daarvan gelet op zijn positie rekenschap moeten geven en dienovereenkomstig moeten handelen. Dat daarbij affectieve gevoelens een rol hebben gespeeld doet daaraan niet af.

Dergelijke feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een vrijheidsbenemende straf dan wel hoge taakstraf, gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen pleegt worden opgelegd.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf echter nadrukkelijk rekening met de omstandigheid dat verdachte en zijn echtgenote na het gebeuren op zeer vervelende, hinderlijke en agressieve wijze zijn lastiggevallen door de partner van aangeefster. Zelfs zodanig dat de politie een zogenaamd STOP-gesprek heeft gevoerd met de partner van aangeefster, hetgeen er echter niet toe heeft geleid dat deze is gestopt met zijn gedrag. Het gedrag van de partner van aangeefster heeft ook een zodanige invloed gehad op het huwelijk van verdachte dat hij inmiddels is gescheiden van zijn echtgenote.

Ook houdt de rechtbank rekening met alle gevolgen die de tuchtrechtelijke afwikkeling van deze kwestie voor verdachte heeft gehad. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft bij uitspraak van 18 december 2019 geoordeeld dat verdachte een jaar niet werkzaam mag zijn als verpleegkundige.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte en het advies van de Reclassering Nederland van 17 juni 2021. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag. Er zijn geen aanknopingspunten voor reclasseringsbegeleiding.

De rechtbank acht alles afwegende een taakstraf van 80 uur passend, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank ziet met het oog op het lage recidiverisico dat door de reclassering is aangenomen geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat verdachte niet langer als hulpverlener werkzaam is en vervroegd met pensioen is gegaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 16.388,48, waarvan € 61,48 aan materiële schade en € 16.327,00 aan immateriële schade. Tot slot zijn proceskosten gevorderd voor een bedrag van € 3.172,00 euro.

Immateriële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De vraag is echter of de immateriële schade geheel aan verdachte valt toe te rekenen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat aangeefster al voor augustus 2018 belast was met ernstige psychische problematiek. Uit het dossier blijkt verder dat de relatie tussen verdachte en aangeefster na de tenlastegelegde periode op verschillende momenten is voortgezet. De behandelrelatie was toen al beëindigd. Aangeefster en verdachte hebben elkaar voor het laatst gezien in januari 2019. De echtgenoot van aangeefster heeft toen ontdekt dat aangeefster een relatie had met verdachte. Vanaf dat moment is de echtgenoot van aangeefster verdachte (ernstig) gaan lastigvallen. Hiervan zijn meerdere mutaties terug te vinden in het dossier. De ontdekking van de relatie door de echtgenoot heeft daarnaast veel invloed gehad op aangeefster. Zo is de al bestaande problematiek tussen haar en haar echtgenoot verergerd en heeft hij een lange tijd aangedrongen op het doen van aangifte. Verder werd aangeefster continue door hem in de gaten gehouden: hij luisterde via haar telefoon haar gesprekken af en is haar gaan volgen met een tracker in haar auto. Daarnaast is de persoonlijke problematiek van de echtgenoot na januari 2019 toegenomen.

In zowel de periode vóór als in de periode na het bewezenverklaarde feit was dus sprake van een belaste psychische gezondheidssituatie als gevolg van andere oorzaken dan het bewezenverklaarde feit en die meer in de risicosfeer van aangeefster liggen.

Dat de problematiek van aangeefster door toedoen van verdachte is verergerd, is aannemelijk. De hiervoor genoemde andere factoren hebben echter ook een rol gespeeld in het ontstaan van de schade. Hierdoor kan het schadebedrag niet nauwkeurig worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom gebruik maken van de schattingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank daarom redelijk tot een bedrag van € 1.500,00, gelet op de bewezenverklaarde periode, de onderbouwing van de vordering en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Materiële schade

Ten aanzien van de materiële schade wordt € 61,48 gevorderd voor het opstellen van de medische informatie door de huisarts, ter onderbouwing van de vordering. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De gevorderde materiële schade is daarmee voldoende komen vast te staan zodat die schade zal worden toegewezen.

Kosten rechtsbijstand

De raadsman van de benadeelde partij heeft de rechtbank verder verzocht om de kosten van rechtsbijstand integraal toe te wijzen omdat de kosten in verhouding staan met de zaak. Een urenspecificatie ontbreekt echter. De raadsman heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de overgelegde nota’s zowel zien op zijn bijstand ter zitting als op het hele voortraject. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Gelet op de toelichting dat er ook kosten zijn gemaakt ter voldoening buiten rechte komt het de rechtbank redelijk van het liquidatietarief af te wijken en een vergoeding toe te kennen van € 1000,--. Dit brengt met zich dat de gevorderde kosten voor rechtsbijstand voor het overige in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet nader gemotiveerd zijn. De rechtbank wijst dit deel van de vordering dan ook af.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 57, 249 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 1.561,48, waarvan € 61,48 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.000,--;

- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. E.F. Bethlehem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2021.