Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4029

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
BRE - 20 _ 9201
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-8-2021
FutD 2021-2696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/9201

uitspraak van 5 augustus 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 24 september 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking 30%-regeling van 1 november 2019 (hierna: de beschikking).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende drs. J.J.M. Hereijgers, verbonden aan Taxmanager B.V. te Putte en namens de inspecteur [inspecteur].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

De gemachtigde heeft op 7 november 2019 via e-mail de beschikking naar de werkgever van belanghebbende doorgestuurd (hierna: de e-mail van 7 november 2019). In een e-mail van 8 november 2019 aan belanghebbende (hierna: de e-mail van 8 november 2019) schrijft de gemachtigde dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking.

2.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de inspecteur is het bezwaarschrift eerst op 20 maart 2020 door hem ontvangen.

2.3.

Belanghebbende stelt dat het bezwaarschrift op 7 november 2019 is gedagtekend en eveneens op die dag is verzonden. De gemachtigde heeft een vaste werkwijze bij het controleren van beschikkingen en het maken van bezwaar, waarvan een onderdeel de bevestiging van de verzending van het bezwaar per e-mail aan belanghebbende is. Met die e-mailcorrespondentie is dus volgens belanghebbende aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift van 7 november 2019 op die datum ter verzending werd aangeboden bij PostNL.

2.4.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat het bezwaarschrift op 7 november 2019 ter post is bezorgd en daarmee is verzonden. Van de indiening van een bezwaarschrift bij verzending per post als bedoeld in artikel 6:9 van de Awb is sprake, indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken.1 De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift op 7 november 2019 ter post is bezorgd en daarmee is verzonden. De rechtbank vindt de verwijzing naar overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de belanghebbende en de gemachtigde daartoe onvoldoende. Met enkel de e-mailcorrespondentie is niet aannemelijk gemaakt dat er handelingen zijn verricht die daadwerkelijk zijn geëindigd met de terpostbezorging van het bezwaarschrift. Als zodanig zegt die correspondentie namelijk niets over het gestelde feit van terpostbezorging. Ander bewijs is niet overgelegd. De verzending is dus niet aannemelijk gemaakt.

2.5.

Belanghebbende doet een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de inspecteur volgens hem met andere gemachtigden werkafspraken heeft gemaakt met betrekking tot verzending van bezwaarschriften via e-mail naar de inspecteur. Volgens belanghebbende weigert de inspecteur met de gemachtigde eensluidende werkafspraken te maken.

Veronderstellende dat de inspecteur inderdaad werkafspraken heeft gemaakt met andere gemachtigden inzake de indiening van stukken via e-mail, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Vast staat namelijk dat belanghebbende het bezwaarschrift niet via e-mail naar de inspecteur heeft verstuurd, waardoor de situatie van belanghebbende als zodanig niet vergelijkbaar is.

2.6.

Daarnaast doet belanghebbende een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende werd in het verleden minder formalistisch omgegaan met het in acht nemen van wettelijke termijnen en werd meer belang gehecht aan de inhoud van het verzoek. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst gemachtigde naar een ander geval waarbij volgens hem de Belastingdienst heeft geaccepteerd dat met de mail van de gemachtigde naar de betreffende belastingplichtige en zijn werkgever in voldoende mate kon worden aangetoond dat het desbetreffende document tijdig ter verzending bij PostNL werd aangeboden. Daarmee is vertrouwen gewekt waardoor in het onderhavige geval ook mag worden uitgegaan dat de e-mailcorrespondentie volstaat, aldus belanghebbende.

De rechtbank overweegt dat in een geval als dit het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, indien belanghebbende aannemelijk maakt dat hij uit de uitlatingen van de zijde van de Belastingdienst in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de inspecteur e-mailcorrespondentie tussen gemachtigde en zijn cliënt (de belastingplichtige) accepteert als bewijs dat het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de Belastingdienst te doen bereiken.2 Gesteld noch gebleken is dat sprake is van enig beleid met betrekking tot de handelswijze van de Belastingdienst zoals door belanghebbende is omschreven. Eveneens is niet gebleken dat de inspecteur in andere gevallen een toezegging heeft gedaan dat voor het bewijs van de verzending en ontvangst van bezwaarschriften wordt aangesloten bij e-mailcorrespondentie tussen de gemachtigde en zijn cliënt. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt.

2.7.

Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat ook veel misgaat bij de verzending van post door Belastingdienst, waardoor hem op grond van het proportionaliteitsbeginsel niet kan worden tegengeworpen dat iets met de post niet goed is gegaan. De rechtbank volgt belanghebbende niet in deze stelling. Belanghebbende is immers zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van het bezwaarschrift.

2.8.

Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond verklaard.

2.9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, op 5 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC6350 en Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1609

2 Vgl. Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.