Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4010

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
13-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_2912 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsen van een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een doorsteek tussen 2 wegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/2912 WABOA VV

uitspraak van 5 augustus 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

de gemeente Halderberge.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2021 van het college (bestreden besluit), waarbij het college aan de gemeente Halderberge een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een doorsteek tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te [woonplaats verzoeker].

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 juli 2021. Verzoeker is samen met zijn echtgenote [naam echtgenote] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.A.M. Bakkers, A.M.C. Coppens-Timmermans en P.A.C. Veenbrink. Derde partij is niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. De gemeente Halderberge is voornemens een verbindingsweg aan te leggen tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te [woonplaats verzoeker] en heeft in verband daarmee op 16 oktober 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten

  • -

    gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan,

  • -

    het kappen van houtopstanden en

  • -

    het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.

Het college heeft op 28 november 2018 kenbaar gemaakt voornemens te zijn de omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan en het kappen van houtopstanden. De ontwerpbeschikking strekkende tot verlening van de omgevingsvergunning is met ingang van 29 november 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegd.

Verzoeker, woonachtig aan [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker], heeft in reactie op dit voornemen bij brief van 9 januari 2019 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De zienswijze heeft niet geleid tot een wijziging van het eerdere voornemen. Bij besluit van 25 april 2019 is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een verbindingsweg tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te [woonplaats verzoeker]. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.

Bij uitspraak van 10 juli 2019 (BRE 19/2430 en 19/2431) heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2019 vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college wederom op de aanvraag beslist en een omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en het vellen of doen vellen van een houtopstand. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.

Bij uitspraak van 11 maart 2021 (BRE 21/184 en 21/186) heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2020 vernietigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit van 8 juni 2021 heeft het college voor de derde keer op de aanvraag beslist en een omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingplan en het vellen of doen vellen van een houtopstand.

Standpunt verzoeker

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd in de ruimtelijke onderbouwing niet afdoende is onderbouwd dat de situatie zodanig verkeersonveilig is dat een ingrijpende herinrichting van de verkeerssituatie noodzakelijk is. De spoorwegovergang is middels spoorbomen beveiligd en de voorrangsituatie op de kruising [straatnaam 2] en [straatnaam 3] is met verkeerstekens geregeld. De onderbouwing van SOAB van 19 mei 2021 overtuigt niet. Er wordt door SOAB uitgegaan van de aanname dat er soms een wachtrij op de spoorwegovergang is door de afslag in de richting van [straatnaam 2]. Dit is niet cijfermatig onderbouwd en ook zijn verzoeker geen gevallen bekend waarin de verkeersrichting debet was aan het ontstaan van een gevaarlijke situatie. Verzoeker wijst erop dat Prorail zou hebben aangegeven dat voorkomen moet worden dat verkeer vanuit [straatnaam 2] linksaf zou slaan en over de spoorwegovergang rijdt. Dit is echter al fysiek onmogelijk gemaakt en niet toegestaan.

Er moet bij ruimtelijke onderbouwing van het voor verzoeker meest belastende scenario worden uitgegaan, te weten verkeer van en naar [straatnaam 2] via [straatnaam 1]. Dit betekent 717 extra verkeersbewegingen op zeer korte afstand van de woning van verzoeker. Het college onderkent dat volledige afsluiting van [straatnaam 2] nog steeds een reële optie is. Als het college alsnog tot een volledige afsluiting wil komen, kan met verkeersbesluit worden volstaan, omdat ruimtelijke toets plaatsvindt in het kader van de omgevingsvergunning.

Uit het akoestische rapport volgt dat het woon- en leefklimaat bij de woning van verzoeker al als ‘slecht’ is gekwalificeerd. In ruimtelijk opzicht kan een verdere verslechtering van het woon- en leefklimaat niet als een goede ruimtelijke ordening worden aangemerkt. De ruimtelijke ordening wordt ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de verkeersveiligheid.

Ten aanzien van de activiteit vellen van houtopstanden stelt verzoeker dat bomen gekapt moeten worden om gronden vrij te maken voor de aan te leggen verbindingsweg. Het bevoegd gezag dat moet beoordelen of het belang van kappen zwaarder weegt dan belang van behoud van de houtopstanden is zelfde bevoegd gezag dat de vergunning voor de aanleg van de verbindingsweg heeft aangevraagd en hierop moet beslissen. Er is geen sprake van een objectieve afweging.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Voorlopige voorziening

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

Wettelijk kader

4. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Beoordeling van het geschil

5. Niet in geschil is dat het bouwplan (deels) in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]. Op het gedeelte waarop het besluit ziet rusten de bestemmingen bedrijfs-nutsvoorziening, maatschappelijk en sport.

6. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college is deze activiteit niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening en bevat het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing.

7. Op verzoek van het college heeft SOAB een verkeerskundige onderbouwing ten aanzien van de situatie ter plaatse gemaakt. In het rapport van 19 mei 2021 is aangegeven vanuit het Landelijk Verbeterprogramma Spoorwegovergangen (LVO) is gesteld dat vanwege gevaarzetting van rechtsafslaand verkeer vanaf de spoorwegovergang naar [straatnaam 2] alsmede linksafslaand verkeer van [straatnaam 2] naar de spoorwegovergang onmogelijk moet worden gemaakt. SOAB is in het rapport ingegaan op de varianten hoe dit vorm gegeven zou kunnen worden. Aangegeven is dat de keuze van een nieuw aan te leggen ontsluiting van [straatnaam 2] via [straatnaam 3], waarbij het mogelijk blijft om vanuit [straatnaam 2] rechtsaf te slaan in de richting centrum van [woonplaats verzoeker], de voorkeur heeft.

8. Verzoeker heeft het nut en de noodzaak van de wegomlegging aan de orde gesteld. De voorzieningenrechter kan verzoeker volgen in zijn stelling dat het college niet cijfermatig heeft onderbouwd dat sprake is van een verkeersonveilige situatie ter plaatse. Verzoeker heeft er terecht op gewezen dat de spoorwegovergang inmiddels is aangepast en dat linksaf slaan vanuit [straatnaam 2] richting de spoorwegovergang inmiddels fysiek onmogelijk is gemaakt. Hierdoor is de verkeerssituatie overzichtelijker geworden.

Verzoeker heeft er verder op gewezen dat in het rapport van SOAB wordt uitgegaan van de aanname dat soms sprake is van een wachtrij op de spoorwegovergang. Verzoeker is niet bekend met gevallen waarbij dit tot gevaarlijke situaties heeft geleid. Dat verkeer vanuit de spoorwegovergang naar [straatnaam 2], voor gevaarlijke situaties op het spoor zorgt is volgens verzoeker evenmin gebleken.

9. Het woon- en leefklimaat van verzoeker zal door de doorsteek verminderen, maar dat kan gerechtvaardigd zijn als vast zou staan dat de huidige situatie op de spoorwegovergang daadwerkelijk verkeersonveilige situaties zou oproepen. Nu het college de verkeersproblematiek ter plaatse niet cijfermatig heeft onderbouwd, kan niet op voorhand worden aangenomen dat sprake is van een verkeersonveilige situatie. Daarmee staat de noodzaak van de wegomlegging niet vast en kan niet op voorhand worden gezegd dat het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing.

Conclusie

10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het ingediende beroep. Het college zal in de gelegenheid worden gesteld om de gestelde verkeersonveilige situatie ter plaatse nader (cijfermatig) te onderbouwen. Verzoeker zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de door het college ingediende onderbouwing. De beroepszaak zal naar verwachting in de laatste maanden van 2021 op een zitting van de rechtbank worden gepland.

Griffierecht en proceskosten

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepszaak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 5 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.