Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3966

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_365
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/365 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 19 november 2020 (primaire besluit) heeft het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard.

In het besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 22 juli 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en [naam vertegenwoordiger verweerder] namens het CBR.

Overwegingen

Feiten

1. Op 27 augustus 2019 is eiser als bestuurder van een auto gecontroleerd door de politie. Na onderzoek bleek dat hij onder invloed was van cannabis. In zijn bloed werd 6,5 microgram thc per liter bloed aangetroffen.

De politie heeft hiervan mededeling gedaan aan het CBR.

In het besluit van 8 november 2019 heeft het CBR aan eiser de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Tevens heeft het CBR de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst.

Het geschiktheidsonderzoek is op 7 juli 2020 uitgevoerd door psychiater dr. [naam psychiater] (hierna: de psychiater). Op 26 oktober 2020 heeft de psychiater een verslag van zijn bevindingen (hierna: de rapportage) opgesteld.

In de rapportage wordt geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor drugsmisbruik, maar dat het onderzoek niet volledig kon worden afgerond vanwege het ontbreken van een betrouwbaar urinesample. Eiser heeft wel urine ingeleverd. De uitslag daarvan was positief voor cannabis. Bij het laboratoriumonderzoek werden aanwijzingen gevonden voor verdunde urine. Eiser is verzocht om het urineonderzoek te herhalen, ook om uit te sluiten dat er niet ook sprake is van gebruik van andere soorten drugs die bij de verdunning niet konden worden aangetoond. Eiser heeft binnen de gestelde termijn geen nieuw urineonderzoek laten verrichten.

In het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft het CBR het rijbewijs van eiser vanaf 26 november 2020 ongeldig verklaard omdat eiser niet (volledig) heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het besluit is gebaseerd op artikel 132 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw).

Geschil

2. Het gaat in deze procedure om de vraag of het CBR het rijbewijs van eiser op goede gronden ongeldig heeft verklaard, omdat eiser geen (volledige) medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Standpunt eiser

3. Eiser voert aan dat hij wel medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Hij heeft alles gedaan dat door het CBR aan hem gevraagd is. Hij heeft alleen geen tweede urineonderzoek laten verrichten, omdat daar kosten aan verbonden zijn en eiser al kosten voor het onderzoek heeft betaald. Verder stuurt het CBR tegenstrijdige berichten aan eiser en heeft het CBR ook fouten gemaakt. Tot slot heeft eiser er belang bij om zijn rijbewijs terug te krijgen.

Wettelijk kader

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het CBR terecht heeft gevorderd dat eiser een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid moest ondergaan en dat de kosten daarvan op grond van artikel 101 eerste en tweede lid van het Reglement rijbewijzen voor eisers rekening komen. Ook is tussen partijen niet in geschil dat een urineonderzoek onderdeel uitmaakte van dat onderzoek, dat in de urine van eiser cannabis is aangetroffen en dat de uitslag van de urinetest voor het overige onbetrouwbaar was, omdat aanwijzingen werden gevonden voor verdunde urine.

5.2

Eiser voert aan dat hij geen nieuw urineonderzoek heeft laten verrichten, omdat daar kosten aan verbonden zijn en eiser al de kosten voor het onderzoek heeft betaald.

5.3

Het CBR voert aan dat het niet onlogisch is dat de keurend arts heeft verzocht om een nieuw urineonderzoek, omdat in de urine van eiser cannabis is aangetroffen en omdat sprake was van verdunde urine. Ook op het uitslagformulier van het urineonderzoek staat dat een kreatininewaarde lager dan 2 geen informatieve waarde levert voor het betreffende onderzoek. Er kon ook niet uitgesloten worden dat eiser andere soorten drugs had gebruikt.

5.4

De rechtbank overweegt dat de keurend arts kan bepalen dat een urineonderzoek onderdeel uitmaakt van het onderzoek. Nu de uitslag van het afgenomen urineonderzoek vanwege de lage kreatininewaarde niet kon worden betrokken bij het (volledige) onderzoek en geen nieuw urineonderzoek heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het CBR zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet (volledig) heeft meegewerkt. De stelling van eiser dat de keurend arts bloed had moeten afnemen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat - zoals hiervoor is overwogen het aan de keurend arts is om te bepalen welke onderzoeken plaats moeten vinden. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de keurend arts opnieuw kosten in rekening brengt voor een nieuwe urinetest. De omstandigheid dat de kreatininewaarde in de urine te laag was, komt - ongeacht de oorzaak daarvan - immers voor rekening en risico van eiser. Ter zitting is nog gesproken over de hoogte van de kosten van een nieuw onderzoek. Eiser voert aan dat hij opnieuw enkele honderden euro’s moest betalen voor het nieuwe onderzoek en dat dit voor hem reden was om geen medewerking te verlenen. Het CBR stelt dat het te betalen bedrag beduidend lager was en ‘enkele tientjes’ betrof. Nu eiser zijn stelling niet heeft onderbouwd en de rechtbank ook overigens niet duidelijk heeft gekregen hoeveel de kosten voor een nieuw urineonderzoek bedroegen, kan de rechtbank geen oordeel geven over de redelijkheid van de hoogte van de kosten. Daarom kan deze stelling eiser niet baten.

5.5

Het CBR was dan ook gehouden om in het primaire besluit het rijbewijs van eiser ongeldig te verklaren. Artikel 132, tweede lid, Wvw is van dwingend recht, dat betekent dat er geen ruimte is voor een ander gevolg. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser er nadrukkelijk op is gewezen, onder meer in de brief van 29 mei 2020, dat het onderzoek uit verschillende onderdelen bestaat en dat eiser dient mee te werken aan alle onderdelen van het onderzoek, omdat anders niet beoordeeld kan worden of het nog veilig is dat eiser een rijbewijs heeft en deelneemt aan het verkeer, in verband waarmee het rijbewijs dan ongeldig wordt verklaard.

5.6

Eiser voert ook aan dat het CBR hem tegenstrijdige berichten heeft gestuurd omdat hij schrijft dat eiser niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en omdat in het onderzoek van de keurend arts staat dat onvoldoende gronden zijn voor de diagnose drugsmisbruik, maar dat eiser toch als drugsmisbruiker wordt behandeld.

5.7

De rechtbank acht het invoelbaar dat eiser de brieven van het CBR op dit punt verwarrend vindt. De brieven van het CBR bevatten echter geen tegenstrijdigheden, omdat het één het ander niet uitsluit. Er was onvoldoende aanleiding om de diagnose drugsmisbruik te stellen én er was geen betrouwbaar urinesample. Maar in dat urinesample is wel cannabis aangetroffen. Al met al heeft de psychiater het onderzoek niet volledig af kunnen ronden, omdat hij geen betrouwbare uitslag uit een urineonderzoek heeft kunnen krijgen. Deze constateringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet tegenstrijdig en sluiten elkaar ook niet uit.

5.8

Eiser voert tot slot aan dat hij er belang bij heeft om zijn rijbewijs terug te krijgen omdat hij zonder rijbewijs geen werk kan vinden.

5.9

In zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank oordelen dat de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.1 Daartoe ziet de rechtbank thans geen aanleiding. Dat eiser als gevolg van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen werk kan vinden, is niet concreet onderbouwd en zonder nadere toelichting onvoldoende zwaarwegend om de Regeling buiten toepassing te laten.

5.10

De door eiser aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

6.1

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6.2

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 5 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)

Artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Wvw bepaalt, samengevat en voor zover hier van belang, dat het verboden is een voertuig te besturen onder invloed van drugs.

Artikel 130, eerste lid, van de Wvw bepaalt dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw bepaalt, samengevat, dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR besluit tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw bepaalt, samengevat weergegeven, dat bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene hangende voornoemd onderzoek wordt geschorst.

Artikel 132, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw bepaalt, samengevat, dat diegene die zich op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, verplicht is daaraan zijn medewerking te verlenen.

Artikel 132, tweede lid, van de Wvw bepaalt, samengevat, dat bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking, het CBR onverwijld besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 24, aanhef en onder b, van de regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 bepaalt dat betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid verleent indien hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven.

Reglement rijbewijzen

In artikel 101, eerste en tweede lid van het Reglement rijbewijzen is bepaald dat het CBR bevoegd is te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen indien het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft. Deze keuring mag slechts de punten betreffen waaromtrent in de eigen verklaring vragen zijn gesteld.

Regeling eisen geschiktheid 2000

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid is bepaald dat de geschiktheidseisen voor het besturen van motorvoertuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij die regeling. Paragraaf 8.8 van die bijlage bepaalt dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van middelen, zoals alcohol of drugs, een specialistisch onderzoek vereist is.

1 ECLI:NL:RVS:2020:2889