Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3963

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WGS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8929 WGS

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 mei 2020 (primaire besluit) heeft het college de schuldhulpverlening aan eiseres beëindigd.

In het besluit van 30 september 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 6 juli 2021.

Hierbij waren M. Govers en I. Koffeman aanwezig namens het college. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs) is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het college heeft ter uitvoering van die taak de Beleidsregels Schuldhulpverlening Breda (hierna: beleidsregels) vastgesteld. Deze gelden tot 1 juli 2020. Vanaf 1 juli 2020 gelden de Beleidsregels Schuldhulpverlening Breda 2020.

Eiseres is bij besluit van 31 oktober 2019 toegelaten tot het schuldhulpverleningstraject. In de bijlage bij het besluit staat wat het college van eiseres verwacht in het kader van de medewerkingsplicht van artikel 7 van de Wgs: ‘U bent verplicht mee te werken aan uw schuldhulpverlening. Wat verwachten we van u: dat u aanwezig bent op afspraken, dat u inzage geeft in gevraagde gegevens, dat u afspraken nakomt die met u zijn gemaakt in uw persoonlijk plan van aanpak, dat u niets doet wat een oplossing in de weg staat’.

Eiseres ontving naast schuldhulpverlening begeleiding en budgetbeheer vanuit SMO. Nadat de verhuurder van de woning van eiseres een procedure is gestart tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens overlast, heeft SMO heeft de begeleiding en budgetbeheer beëindigd.

Bij het primaire besluit is het schuldhulpverleningstraject van eiseres beëindigd omdat zij niet heeft voldaan aan de medewerkingsplicht zoals volgt uit artikel 7 van de Wgs. Volgens het college is de situatie van eiseres niet stabiel waardoor het niet mogelijk is om haar schulden te gaan oplossen. De situatie is niet stabiel omdat de verhuurder de huurovereenkomst wil ontbinden wegens overlast, de begeleiding en het budgetbeheer van SMO zijn stopgezet en er sprake is van een verslaving. Het primaire besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

Geschil

2. Het gaat in deze procedure om de vraag of het college in het bestreden besluit in redelijkheid heeft besloten tot het handhaven van het besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening aan eiseres.

Standpunt eiseres

3. Eiseres betwist dat zij de medewerkingsplicht heeft geschonden en dat zij verslaafd is. Eiseres is wel verslaafd geweest. In verband daarmee heeft zij een behandeling ondergaan in een afkickkliniek. Vanwege het behandeltraject heeft eiseres niet altijd kunen voldoen aan de informatieverplichting maar dit kan haar in redelijkheid niet worden toegerekend. Eiseres woont inmiddels op een ander adres, heeft een stabiele thuissituatie kunnen realiseren na de afkickperiode en is in staat om volledig te voldoen aan de medewerkingsplicht.

Eiseres voert verder aan dat zij voldoet aan alle voorwaarden voor voortzetting van de schuldhulpverlening en dat zij daar recht en belang bij heeft. Nu is nagelaten de feiten en omstandigheden zorgvuldig te onderzoeken, is het bestreden besluit genomen in strijd met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding. Bovendien is het besluit niet gedegen gemotiveerd, aldus eiseres.

Wettelijk kader

4. Het wettelijk kader is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling

5.1

In de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgs (Kamerstukken II 2009/10, 32 291, nr. 3, blz. 14-15) is vermeld: ‘Het is (...) noodzakelijk dat tijdens een schuldhulptraject tussen gemeente en schuldenaar de door de gemeente opgelegde verplichtingen van de schuldenaar duidelijk vastliggen en dat de schuldenaar ook gehouden is deze verplichtingen na te komen. (…) Belangrijke verplichtingen in dit kader zijn de verplichting mee te werken aan het wegnemen van bijvoorbeeld de oorzaken van de problematische schulden, de verplichting om mee te werken aan stabilisatie van inkomsten en uitgaven en de verplichting om een schuldhulptraject volledig af te maken. Een negatieve prikkel voor de schuldenaar om mee te (blijven) werken aan de schuldhulpverlening is de dreiging dat bij beëindiging van de schuldhulpverlening de schuldenaar opnieuw wordt geconfronteerd met schuldeisers en alle daaraan verbonden gevolgen.

5.2

De Wgs bepaalt niet uitdrukkelijk dat de schuldhulpverlening kan worden beëindigd als de aanvrager niet voldoet aan de medewerkingsplicht, neergelegd in artikel 7, eerste lid, maar dit betekent niet dat er geen bevoegdheid bestaat om het traject op deze grond te beëindigen. Het is inherent aan schuldhulpverlening dat deze kan worden beëindigd als de financiële situatie niet kan worden gestabiliseerd doordat de aanvrager onvoldoende medewerking verleent en de voor de schuldhulpverlening noodzakelijke informatie niet verstrekt. Dat staat immers in de weg aan het realiseren van een stabiele situatie van waaruit aan de schulden kan worden gewerkt. Uit de voormelde geschiedenis van de totstandkoming van de Wgs volgt dat de wetgever ook uitdrukkelijk voor ogen heeft gehad dat de schuldhulpverlening kan worden beëindigd wegens onvoldoende medewerking van de aanvrager.1

5.3

Volgens artikel 4 van de beleidsregels wordt van de verzoeker onder meer verwacht dat hij afspraken nakomt, geen nieuwe schulden aangaat en zich houdt aan de bepalingen van de schuldregelingsovereenkomst. Volgens artikel 5 van de beleidsregels kan het college besluiten om de schuldhulpverlening te beëindigen wanneer de verzoeker de inlichtingen- en medewerkingsplicht niet of in onvoldoende mate nakomt. Uit de toelichting op artikel 5 van de beleidsregels volgt dat het college alvorens de schuldregeling te beëindigen, aan verzoeker een termijn biedt om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of de informatie te verstrekken.

5.4

Bij de beëindiging van de schuldhulpverlening komt het college gelet op de toelichting bij de beleidsregels beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank moet daarom beoordelen of het college in dit concrete geval in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de schuldhulpverlening te beëindigen, gebruik heeft kunnen maken.

5.5

Het college heeft aan de beëindiging van de schuldhulpverlening ten grondslag gelegd dat eiseres onvoldoende medewerking heeft verleend. De wettelijke basis van de verplichting om medewerking te verlenen is, zoals overwogen, te vinden in artikel 7 van de Wgs. Omdat bij beëindiging van de schuldhulpverlening sprake is van een belastend besluit, is het aan het college om aannemelijk te maken dat eiseres haar medewerkingsplicht niet is nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat het college daarin niet is geslaagd en overweegt daartoe het volgende.

5.6

Het college heeft geen ondertekend plan van aanpak in het geding gebracht. Hij voert weliswaar aan dat het plan van aanpak door eiseres is ondertekend maar desgevraagd blijkt het college daar niet over te beschikken. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld of het college eiseres heeft gewezen op de inhoud van de medewerkingsplicht, namelijk nakoming van de afspraken uit het plan van aanpak. Ook kan niet worden vastgesteld dat in het plan van aanpak is opgenomen dat de producten budgetbeheer en begeleiding door SMO de in te zetten producten waren en dus onderdeel uitmaakten van de afspraken tussen partijen.

5.7

Het college verwijt eiseres bovendien dat de begeleiding door SMO is beëindigd maar de reden waarom SMO de begeleiding heeft beëindigd volgt niet uit het bestreden besluit en ook niet uit het dossier van het college. In een interne e-mail van 3 september 2020 aan het college is een telefoonnotitie van een telefoongesprek op 14 april 2020 opgenomen. Daarin staat dat de begeleiding van SMO gestopt werd omdat eiseres haar afspraken niet na kwam, post niet door gaf, niet open was over de schulden die ze had en nog steeds verslaafd is. Het college heeft ter zitting gesteld dat hij niet weet welke afspraken eiseres niet is nagekomen maar dat SMO de begeleiding niet zo maar beëindigt. Met deze motivering kon het college naar het oordeel van de rechtbank echter niet volstaan.

5.8

De rechtbank neemt ook in aanmerking dat niet duidelijk is geworden of eiseres door SMO of het college wordt verweten dat de verhuurder van haar woning de huurovereenkomst wegens overlast wilde ontbinden. Enerzijds volgt uit de e-mails van SMO aan het college namelijk dat alles in het werk wordt gesteld om de ontbinding te voorkomen en anderzijds wordt opgemerkt dat ontbinding van de huurovereenkomst vast ook gevolgen moet hebben voor de schuldregeling. Ter zitting heeft het college hier ook geen duidelijkheid over kunnen geven.

5.9

Tot slot overweegt de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat het college eiseres een herstelmogelijkheid heeft geboden zoals uit de beleidsregels volgt. Ter zitting heeft het college aangevoerd dat de verwijzing naar beschermingsbewind als een herstelmogelijkheid moet worden beschouwd maar daarin kan hij niet worden gevolgd. De verwijzing naar beschermingsbewind is immers in het primaire besluit opgenomen zodat eiseres geen gelegenheid tot herstel had.

5.10

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daaraan een motiveringsgebrek kleeft. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven.

Conclusie

6.1

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college daartoe in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen (deel van het) besluit in stand kunnen blijven.

6.2

Het college moet motiveren waarom eiseres haar medewerkingsplicht niet is nagekomen. Daarbij verwacht de rechtbank van het college dat hij concreet beschrijft welke verplichtingen op eiseres rustten, waaruit blijkt dat eiseres van die verplichtingen op de hoogte was, welke verplichtingen eiseres niet is nagekomen en hoe vaak zich dat heeft voorgedaan. Ook verwacht de rechtbank dat het college toelicht of aan eiseres een herstelmogelijkheid is geboden, wat die herstelmogelijkheid inhield en of eiseres aan die mogelijkheid heeft voldaan.

6.3

De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen bepalen op acht weken. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient hij dit binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken na ontvangst daarvan te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

6.4

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de toerekenbaarheid van een eventuele schending van de medewerkingsplicht, aan tot de einduitspraak. Dit laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het college in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat onder 6.2 in deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt het college op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen vier weken na de verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 2 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Wettelijk kader

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

Artikel 3:

1. Het college heeft tot taak (...) om:

a. schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente te geven (...);

Artikel 6:

De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van deze wet, voor zover gegevens over deze feiten en omstandigheden niet door het college kunnen worden verkregen.

Artikel 7:

1. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. (...)

Beleidsregels Schuldhulpverlening Breda (de beleidsregels)

Artikel 4:

1.Verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op schuldhulpverlening, zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.

2.Verzoeker is verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schuldhulpverleningstraject.

De medewerking bestaat onder andere uit:

a. het nakomen van afspraken;

b. geen nieuwe schulden aangaan;

c. het zich houden aan de bepalingen van de schuldregelingsovereenkomst.

Artikel 5:

Indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals

neergelegd in artikel 4, leden 1 en 2, kan het college besluiten om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen.

1 ECLI:NL:RVS:2019:3210