Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3948

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_2627 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opiumwet artikel 13_B

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/2627 OPIUMW VV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 19 juli 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

1. [naam verzoeker 1]en

2. [naam verzoeker 2],

te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,

gemachtigde: mr. R.S. Namjesky,

en

de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2021 (bestreden besluit) van de burgemeester over de sluiting van de woning aan [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers] voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, met ingang van donderdag 24 juni 2021, om 11.00 uur.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is besproken op de zitting in Breda op 19 juli 2021. Verzoekers waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens de burgemeester was aanwezig G.M.J. van Gastel.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker [naam verzoeker 1] (hierna: [naam verzoeker 1] ) is eigenaar van de woning aan [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers] (hierna: de woning). Verzoeker [naam verzoeker 2] (hierna: [naam verzoeker 2] ) is sinds 1 augustus 2020 huurder van de woning. Verzoekers stellen dat zij sindsdien de woning delen. [naam verzoeker 1] slaapt boven en [naam verzoeker 2] beneden.

Uit de bestuurlijke rapportage van 4 juli 2020 en de aanvulling daarop van 21 februari 2021 is de burgemeester gebleken dat de politie Zeeland-West-Brabant naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek op 2 juli 2020 de volgende zaken in de woning heeft aangetroffen:

- twee zakjes wit poeder van respectievelijk 5 en 13 gram inhoud. De inhoud van beide zakjes testten positief op de aanwezigheid van cocaïne;

- twee blokjes van respectievelijk 22 en 157 gram. Beide blokjes testten positief op de aanwezigheid van cocaïne;

- gripzakje met 3 gram wit poeder. Het poeder testte positief op de aanwezigheid van cocaïne;

- ponypack met 1 gram poeder. Het poeder testte positief op de aanwezigheid van cocaïne;

- een zakje met 2,5 gram van een bruin kleurig middel. Het bruin kleurig middel testte positief op de aanwezigheid van heroïne.

Daarnaast werden ook andere opvallende zaken aangetroffen:

- een zakje met daarin een stapel nieuwe ponypacks. Dit is verpakkingsmateriaal voor de verhandeling van verdovende middelen;

- een mal om hasj en cocaïne mee te persen;

- een vuurwapen met patroonhouder gevuld met munitie:

- zak met wat contant munt- en briefgeld;

- op verschillende plaatsen in de woning werd munitie aangetroffen;

- twee explosieven (handgranaten).

Het vuurwapen en het contante geld lagen in een tas op de vliering. De tas lag op een plaats die makkelijk te bereiken was vanaf de eerste verdieping (de vliering is open).

De explosieven werden aangetroffen onder de overkapping in de tuin. De overkapping was niet afsluitbaar en de explosieven waren niet deugdelijk opgeborgen, zo staat in de rapportage.

In een brief van 4 juni 2021 heeft de burgemeester aan [naam verzoeker 1] het voornemen kenbaar gemaakt om de woning en het bijbehorend erf te sluiten voor een periode van drie maanden. Daarbij werd [naam verzoeker 1] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen over dit voornemen.

[naam verzoeker 1] stelt dat hij deze brief nooit heeft ontvangen en dat hij daarom geen zienswijze heeft ingediend. [naam verzoeker 2] stelt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.

In het bestreden besluit heeft de burgemeester aan [naam verzoeker 1] een last onder bestuursdwang opgelegd en gelast om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiterlijk 24 juni 2021 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De burgemeester acht het algemeen belang dat de gemeente behartigt en het belang dat derden hebben bij sluiting van de woning zwaarder dan de belangen van verzoekers.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Beoordeling voorzieningenrechter

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

2.1

De bevoegdheid van de burgemeester

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de burgemeester bevoegd om de sluiting van de woning te gelasten. Gelet op wat is aangetroffen in de woning, namelijk een behoorlijke handelshoeveelheid harddrugs (201 gram cocaïne en 2,5 gram heroïne), en bovendien een vuurwapen met munitie en twee handgranaten, heeft de burgemeester die bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

2.2

Gebruikmaking van de bevoegdheid tot sluiting

2.2.1

De vraag is of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak moet de burgemeester alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling.

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is.

2.2.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide punten, zowel de noodzakelijkheid als de evenredigheid van de woningsluiting, nog niet zijn uitgekristalliseerd. Ongeacht de reden waarom er geen zienswijze is ingediend, zijn er door verzoekers in de bezwaar- en voorlopige voorzieningenprocedure diverse belangen en argumenten naar voren gebracht, die de burgemeester (nog) niet in zijn beoordeling heeft betrokken of heeft kunnen betrekken.

Zo heeft de gemachtigde van verzoekers in het kader van de noodzakelijkheid gewezen op het tijdsverloop van 11 maanden tussen het aantreffen van de drugs en wapens op 2 juli 2020 en het voornemen tot sluiting van 4 juni 2021. Hij stelt daarbij de vraag hoe een sluiting van 3 maanden na verloop van een jaar nog noodzakelijk kan zijn. Verzoekers stellen dat de toenmalige huurder met de noorderzon is vertrokken en dat zij zelf geen betrokkenheid hadden bij de aangetroffen drugs. Naderhand is [naam verzoeker 2] er pas komen wonen. De woning staat volgens hen niet bekend als drugspand en er is niemand meer aan de deur geweest in dat verband. Namens de burgemeester is verklaard dat er bij hem sindsdien geen incidenten met betrekking tot de woning bekend zijn. Aangezien in de rechtspraak1 een tijdsverloop van 8 of 9 maanden zonder overtredingen ertoe kan leiden dat de noodzaak van een sluiting is vervallen, stelt de voorzieningenrechter ook in deze situatie vraagtekens bij de noodzakelijkheid van de sluiting.

In het kader van de evenredigheid heeft de gemachtigde van verzoekers aangevoerd dat hen geen verwijt treft, en dat sluiting van de woning verstrekkende gevolgen heeft voor verzoekers. Met name voor [naam verzoeker 2] zou de impact van woningsluiting groot zijn, omdat hij dan feitelijk op straat komt te staan. [naam verzoeker 2] staat onder bewind en heeft na schuldenproblematiek zijn leven eindelijk weer op rit. Mede vanwege het bewind ligt alternatieve woonruimte niet voor het oprapen en [naam verzoeker 2] beschikt niet over een sociaal netwerk waar hij voor die periode terecht kan. De bewindvoerder van [naam verzoeker 2] heeft verklaard dat, als hij zijn woning verliest, de kans groot is dat hij ook zijn werk en inkomen kwijtraakt waardoor alle stabiliteit die de afgelopen jaren is opgebouwd, verloren gaat. Deze belangen zal de burgemeester ook bij zijn besluitvorming in de bezwaarprocedure moeten betrekken.

2.2.3

Nu niet zeker is of het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden, terwijl het voor verzoekers van evident belang is om in de woning te blijven en een woningsluiting onomkeerbaar is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

3. Proceskosten en griffierecht

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A de Rooij, griffier, op 19 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 AbRS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6187 en rechtbank Oost-Brabant 2 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4868.