Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3771

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
AWB- 21_3157 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de bouw van vier windturbines met transformatiegebouwtjes en een inkoopstation

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/3157 VV

uitspraak van 23 juli 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Loenen Holding B.V. e.a., allen te [plaatsnaam] , verzoekers,

gemachtigde: mr. D.A.C. Janssen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2021 (bestreden besluit), inzake de afwijzing van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning die verweerder op 5 september 2017 heeft verleend voor de bouw

van vier windturbines met transformatiegebouwtjes en een inkoopstation aan het adres [adres] .

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoekers wonen in de omgeving van de locatie waar de vier windturbines zijn geprojecteerd. Zij hebben op 29 maart 2021 verzocht om intrekking van de op 5 september 2017 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van vier windturbines met transformatiegebouwtjes en een inkoopstation. De aanleiding voor dit verzoek is het arrest van het Europese Hof van Justitie EG van 25 juni 2020 (C-24/19). In dit arrest heeft het Hof artikel 2, onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG nader uitgelegd en bepaald dat onder het begrip “plannen en programma’s” ook moet worden verstaan een besluit en een omzendbrief die zijn vastgesteld door de autoriteiten en welke bepalingen bevatten over de bouw en exploitatie van windturbines, aldus verzoekers. Voorts hebben verzoekers aangegeven dat door het Hof is vastgesteld dat een besluit en een omzendbrief welke bepalingen bevatten over onder meer slagschaduw, veiligheid en geluidsnormen, plannen en programma’s vormen waarvoor een milieubeoordeling (in de vorm van een MER) moet worden verricht. Omdat ten onrechte geen MER is vastgesteld ten behoeve van de omgevingsvergunning van 5 september 2017, dient verweerder volgens verzoekers deze vergunning in te trekken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Omdat inmiddels uitvoering wordt gegeven aan de omgevingsvergunning hebben verzoekers verzocht om het bestreden besluit te schorsen en de bouw van de windturbines stil te leggen.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de omgevingsvergunning van 5 september 2017 onherroepelijk is sedert de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713. Het bij wijze van voorlopige voorziening in het kader van een geweigerd verzoek tot intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning alsnog bepalen dat er van die onherroepelijke vergunning geen gebruik mag worden gemaakt, is een naar zijn aard ver strekkende voorziening.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of de door verzoekers gewenste milieu-herbeoordeling leidt tot strengere normen voor de vier windturbines aan [adres] . Niet kan worden uitgesloten dat de bij de vergunningverlening conform het Activiteitenbesluit in acht genomen windturbinenormen ook na de door verzoekers gewenste milieu-herbeoordeling, ongewijzigd kunnen blijven.

4. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen aan de rechtszekerheid van vergunninghouder bij behoud van zijn omgevingsvergunning, doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

5. Het verzoek tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 23 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.