Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:354

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
02-189094-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval Burgemeester Van Woelderenlaan Vlissingen 10 juni 2020.

Vrijspraak doodslag. Veroordeling 6 WVW 1994. Roekeloosheid. Straatrace. Vrijspraak 8 lid 1 WVW. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/189094-20

vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag verdachte] 1992 te [Geboorteplaats verdachte]

wonende te [Adres verdachte]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht

raadsman mr. W.J. Backer, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat hij mevrouw [Slachtoffer 1] heeft gedood door een verkeersongeval te veroorzaken na een straatrace en onder invloed van cannabis. Als feit 2 is tenlastegelegd rijden onder invloed.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Op 10 juni 2020, omstreeks 17:30 uur, heeft op de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren twee personenauto’s en een persoon in een rolstoelfiets betrokken.

Verdachte reed als bestuurder van een witte Volkswagen Golf, met hoge snelheid over de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen. Ter hoogte van de Paauwenburgweg stak het slachtoffer, mevrouw [Slachtoffer 1] , in haar rolstoelfiets de Burgemeester van Woelderenlaan over. De bestuurder van de witte Volkswagen Golf raakte daarbij de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] en kwam daarna in botsing met een Fiat Punto, bestuurd door de heer [Slachtoffer 2] , die in tegengestelde richting over de Burgemeester van Woelderenlaan reed en rechtsaf sloeg de Paauwenburgweg in. De witte Volkswagen Golf kwam verderop tegen een boom tot stilstand. Mevrouw [Slachtoffer 1] is aan de gevolgen van dit verkeersongeval overleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag in het verkeer, dan wel dat hij schuld heeft aan het fatale verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat hier sprake was van doodslag omdat verdachte onder invloed van cannabis heeft deelgenomen aan een straatrace en hierbij met extreem hoge snelheden heeft gereden binnen de bebouwde kom. Hij heeft daarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een dodelijk ongeval zou veroorzaken. Ook acht de officier van justitie feit 2 bewezen, dat verdachte onder invloed heeft gereden. Verdachte heeft verklaard de avond ervoor en in de middag een joint te hebben gerookt. Nu de speekseltest positief was op THC en verdachte vervolgens tot drie maal toe een bloedproef heeft geweigerd, kan gesteld worden dat hij in een toestand verkeerde waarin hij geen voertuig mocht besturen. Uit het dossier kan ook worden afgeleid dat verdachte regelmatig cannabis gebruikte. De kans dat zijn bloedwaarden daarom te hoog waren, is groot.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van doodslag en wijst er daarbij op dat ook in voorwaardelijke vorm geen sprake was van opzet. Er was geen sprake van een straatrace en verdachte was niet zodanig onder invloed dat hij niet in staat was een voertuig behoorlijk te besturen en de verkeerssituatie was overzichtelijk. Er kan niet worden gesproken van roekeloosheid.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat er geen wettig bewijs is dat verdachte onder invloed was zoals bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW 1994).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Feitelijke gedragingen en omstandigheden

Uit de verklaringen van verdachte en diverse getuigenverklaringen is voldoende vast komen te staan dat verdachte korte tijd voorafgaand aan het ongeval, komend uit de richting van de Boulevard bij verkeerslichten achter een soortgelijke snelle witte Volkswagen Golf is komen te staan om linksaf de Burgemeester van Woelderenlaan op te rijden. Vervolgens is verdachte achter die andere witte Volkswagen Golf aan de Burgemeester van Woelderenlaan af gereden, zijn beide auto’s aan het einde van die laan, nog steeds achter elkaar aanrijdend, een rotonde geheel rondgereden om weer terug te rijden over hetzelfde traject, waarbij verdachte op enig moment die andere Volkswagen Golf heeft ingehaald. Direct na de inhaalmanoeuvre zag verdachte de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] bij een fietsoversteekplaats de weg oprijden. Hij heeft toen uit alle macht geremd om een ongeval te voorkomen.

Straatrace

Uit de diverse getuigenverklaringen, van getuigen die zich op uiteenlopende locaties langs het door de beide witte Volkswagen Golfjes afgelegde traject bevonden, alsmede het verkeersongevallenonderzoek blijkt dat verdachte en de bestuurder van de andere witte Volkswagen Golf op een relatief lang traject op de Burgemeester van Woelderenlaan in Vlissingen achter elkaar hebben gereden. Ze reden dicht achter elkaar, getuigen spreken hierbij over bumper aan bumper. Beide auto’s reden met zeer hoge snelheid, daarbij raakte tenminste één van de auto’s met de onderzijde een verkeersdrempel, hetgeen voor de betreffende bestuurder kennelijk geen reden was om zijn snelheid te matigen. Ze reden zeer veel harder dan de maximaal toegestane snelheid. Beide auto’s zijn na de rotonde teruggekeerd op dezelfde weg, waarna op nog hogere snelheid een inhaalmanoeuvre plaatsvond. Door de combinatie van deze gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de andere bestuurder competitief rijgedrag toonden en dat er dus naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake was van een straatrace.

Snelheid

Uit de Data Event Recorder uit de Volkswagen Golf van verdachte is gebleken dat verdachte 6,5 seconde voordat de auto volledig tot stilstand kwam met een snelheid reed van 165 km/u. Het gaspedaal was daarbij voor 100% ingeduwd. Een halve seconde later reed verdachte 168 km/u. 4 seconden voor volledige stilstand werd het rempedaal ingeduwd en trad de ABS in werking. 1,5 seconde voor stilstand raakte de auto de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] . De snelheid van de auto was toen 77 km/u. Een halve seconde later raakte de auto de Fiat Punto van de heer [Slachtoffer 2] . De auto had toen een snelheid van 49 km/u. Een seconde later kwam de Volkswagen Golf tot volledige stilstand.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de snelheden zoals ze geregistreerd zijn door de Data Event Recorder en stelt daarbij vast dat verdachte op enig moment, na correctie, tijdens de straatrace en vlak voor de aanrijding met mevrouw [Slachtoffer 1] en de heer [Slachtoffer 2] , met een snelheid van 166 km/u heeft gereden.

Weeromstandigheden

Ten tijde van het ongeval was het zonnig en droog weer.

Verkeersomstandigheden

De Burgemeester van Woelderenlaan is een lange weg waar een maximum snelheid geldt van 50 km/u. De weg bevindt zich binnen de bebouwde kom. Uit getuigenverklaringen blijkt dat er wel vaker hard wordt gereden en dat het een rustige weg betreft. Ter hoogte van de kruising met de Paauwenburgweg zijn twee oversteekplaatsen waarbij overstekend verkeer geen voorrang heeft. Verdachte heeft aangegeven dat hij wist dat de maximum snelheid 50 km/u betrof en dat hij bekend was met de weg. Uit onderzoek is gebleken dat het uitzicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd door vaste obstakels.

Onder invloed

Verdachte heeft verklaard dat hij voor het ongeval dagelijks een joint rookte. Ook op de dag van het ongeval heeft hij om 12:00 uur ’s middags een joint gerookt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat het drugsgebruik zijn gedrag beïnvloedde, dat hij er een ander mens van werd, en dat hij er daarom mee wilde stoppen. Hij had ook al eerder geprobeerd te stoppen. Na het ongeval is er een speekseltest bij verdachte afgenomen en hij testte positief op THC, de werkzame stof van cannabis. Een bloedtest heeft verdachte meermalen geweigerd. Op de zitting verklaarde verdachte dat hij denkt dat het blowen met het ongeval te maken heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval in elk geval in enige mate onder invloed van cannabis was.

Doodslag

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor doodslag. Voor doodslag is vereist dat sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad, het volle opzet, om mevrouw [Slachtoffer 1] van het leven te beroven. Van opzet op de dood van het slachtoffer kan echter ook sprake zijn als men zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer komt te overlijden (voorwaardelijk opzet). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij een verdachte aanwezig is, dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte veel te hard heeft gereden op de Burgemeester van Woelderenlaan. De kans dat er iemand zou komen te overlijden acht de rechtbank aanmerkelijk gezien deze snelheid, het tijdstip waarop werd gereden, de locatie, namelijk vlakbij twee oversteekplaatsen, en de keuze van verdachte om vlak voor deze oversteekplaatsen in te gaan halen.

Daaruit volgt echter niet dat verdachte die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Zodra verdachte de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] opmerkte, is hij gelijk op de rem gaan staan en heeft hij nog geprobeerd om uit te wijken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van mevrouw [Slachtoffer 1] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de onder feit 1 primair ten laste gelegde doodslag.

Artikel 6 WVW 1994

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat hij schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood tot gevolg, zoals omschreven staat in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Schuld in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

Voor de beoordeling of sprake is van schuld moet de vraag worden gesteld of het gedrag van verdachte substantieel afwijkt van het gedrag van een voorzichtig verkeersdeelnemer.

De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke gedragingen van verdachte, zoals uiteen gezet in de bewijsmiddelen, door hun aard en de ernst van de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van de rechtbank past het hierboven omschreven rijgedrag in het geheel niet bij een voorzichtig verkeersdeelnemer en wijkt het daar in substantiële mate vanaf. De vraag is of deze schuld is aan te merken als roekeloosheid.

Roekeloosheid

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Of sprake is van roekeloosheid in deze zin zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moet daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat slechts zelden roekeloosheid kon worden aangenomen. Met de komst van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 per 1 januari 2020 is echter door de wetgever bepaald dat bepaalde verkeersgedragingen verboden zijn omdat zij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aantal van de in dit artikel genoemde gedragingen, te weten gevaarlijk inhalen, inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats, overschrijden van de krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid en zeer dicht achter een ander voertuig rijden. Er was sprake van een straatrace. Bovendien neemt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – mede in aanmerking dat verdachte in enige mate onder invloed van cannabis was.

De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van deze gedragingen van verdachte in de gegeven omstandigheden buitengewoon onvoorzichtig was waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen doordat het overige verkeer volstrekt niet bedacht is op dergelijke gedragingen. Deze gedragingen verhogen dan ook de risico’s.

Verdachte was zich er van bewust dat hij (veel) harder reed dan was toegestaan en was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Desondanks heeft hij er voor gekozen om met deze veel te hoge snelheid vlak voor twee oversteekplaatsen een inhaalmanoeuvre uit te voeren op een tijdstip waarop diverse mensen op straat waren en ook deelnamen aan het verkeer. Uit dit zeer gevaarzettende en asociale rijgedrag blijkt dat de veiligheid van andere weggebruikers verdachte op dat moment onverschillig liet. Naar het oordeel van de rechtbank overstijgt het samenstel van gedragingen van verdachte in de gegeven context als vermeld dan ook de kwalificatie ‘zeer hoge mate van schuld’ en is sprake van de aan opzet grenzende mate van schuld, zijnde roekeloosheid in de zin van de wet.

Het risico dat verdachte heeft genomen heeft geleid tot twee aanrijdingen en het lichamelijk letsel van de heer [Slachtoffer 2] en de dood van mevrouw [Slachtoffer 1] . Daarmee is aan het vereiste van de dubbele causaliteit voldaan.

Medeplegen

Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft verdachte samen met de bestuurder van de andere witte Volkswagen Golf een straatrace gehouden. In het straatracen ligt naar het oordeel van de rechtbank vanwege de competitieve dynamiek al een nauwe en bewuste samenwerking besloten, zodat sprake is van medeplegen.

Verdachte wordt vrijgesproken van het niet, althans in onvoldoende mate onder controle hebben van zijn voertuig en het in de slip geraken. De rechtbank acht hiervoor onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.

Feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 juni 2020 een joint had gerookt omstreeks 12:00 uur ‘s middags. Het ongeval vond plaats omstreeks 17:30 uur. Nadat het ongeval plaatsvond is bij verdachte een speekseltest afgenomen. De uitslag was positief op THC, de werkzame stof in cannabis. Verdachte heeft vervolgens tot drie maal toe geweigerd aan een bloedproef mee te werken. Dit levert een vermoeden op van rijden onder invloed, zoals bedoeld in artikel 8 van de WVW 1994. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval wel onder invloed van cannabis was, maar dat niet is komen vast te staan dat daarbij de bij artikel 8 WVW 1994 behorende grenswaarde was overschreden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

op 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ) tezamen en in vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte, eveneens als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Golf, kenteken onbekend), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Burgemeester van Woelderenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [Slachtoffer 1] werd gedood, door roekeloos, in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft deelgenomen aan een straatrace en

- ( daarbij) gereden met een snelheid van ongeveer 166 km/u, en

- ( daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op (zeer) korte afstand achter elkaar gereden, en

- ( daarbij) elkaar met hoge snelheid ingehaald, en

- ( daarbij) onvoldoende op het voor hen gelegen gedeelte van die weg en het overige verkeer gelet en is blijven letten,

waardoor verdachte is gebotst tegen een andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 1] , en vervolgens in aanrijding is gekomen met een andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 2] , en aldus zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor die [Slachtoffer 1] , die zich in een rolstoel op de weg bevond, werd gedood; zulks terwijl hij, verdachte, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet en zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de bij de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en doordat hij zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden en doordat hij geen voorrang heeft verleend en doordat hij gevaarlijk heeft ingehaald;

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de 17e regel van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde weggevallen het woord “is”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek en daarnaast een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van vijf jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit om de oriëntatiepunten van artikel 6 WVW94 te volgen en maximaal zes maanden gevangenisstraf op te leggen, subsidiair naast de reeds uitgezeten voorlopige hechtenis een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging wijst er daarbij op dat verdachte een first offender is en de kans wil krijgen om zich, in nagedachtenis van mevrouw [Slachtoffer 1] , in te zetten voor de maatschappij.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een dodelijk ongeval veroorzaakt door samen met een onbekend gebleven ander een straatrace te houden in de bebouwde kom, op klaarlichte dag, terwijl hij enkele uren daarvóór een joint had gerookt. Door het ongeval is mevrouw [Slachtoffer 1] komen te overlijden. Daarnaast is een aanrijding veroorzaakt met de heer [Slachtoffer 2] die eveneens slachtoffer is en tot op heden nog last ondervindt van het ongeluk. Het leed dat verdachte heeft veroorzaakt is zeer ingrijpend en op veel gebieden onherstelbaar. Een zeer ernstig feit, waarbij niet alleen de slachtoffers, de nabestaanden, de vrienden en familie van de slachtoffers hard zijn getroffen, maar waar ook de maatschappij geschokt op heeft gereageerd. De rechtbank spreekt haar waardering uit voor de wijze waarop de ouders van mevrouw [Slachtoffer 1] en de heer [Slachtoffer 2] hun gevoelens onder woorden hebben weten te brengen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het graag zou terugdraaien en dat het hem erg spijt. De rechtbank gelooft dat deze spijt oprecht is, maar stelt daarnaast vast dat verdachte ten aanzien van de feiten niet het achterste van zijn tong heeft willen laten zien. Met name ten aanzien van de straatrace blijven er vragen die ook ter zitting onbeantwoord zijn gebleven. Wie was de andere bestuurder, wat ging er in verdachte om, waarom deed hij dit?

De rechtbank is van oordeel dat een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, gelet op de ernst van dit feit en de impact ervan op de samenleving.

Binnen de door de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten is geen afzonderlijk oriëntatiepunt voor roekeloosheid omdat deze gevallen te casuïstisch zijn. De rechtbank heeft dus aansluiting gezocht bij in de jurisprudentie voorkomende vergelijkbare gevallen en daarnaast in aanmerking genomen dat roekeloosheid een verdubbeling van het strafmaximum oplevert.

In aanmerking genomen dat in dit geval sprake is van twee slachtoffers, waarvan één dodelijk slachtoffer, en van het weigeren medewerking te verlenen aan een bevel tot medewerking aan de bloedproef, en dus van strafverzwarende omstandigheden in de zin van artikel 175, tweede en derde lid, van de WVW 1994, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast acht de rechtbank het passend en geboden, gelet op de aard en de ernst van het feit, om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de maximale duur, te weten 5 jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingehouden. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor de medeweggebruikers, maar ook om weggebruikers voor langere tijd te beschermen tegen dit rijgedrag.

De rechtbank acht weliswaar feit 2 niet bewezen, maar heeft gelet op de ernst van het feit en de impact daarvan toch de eis van de officier van justitie gevolgd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vijf jaar.

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. E.J. Zuijdweg en mr. I. Barendregt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 januari 2021.

Mr. Barendregt en mr. Joosen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, in elk geval

in Nederland, opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ) tezamen en in

vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte, eveneens als

bestuurder van een voertuig (personenauto merk Golf, kenteken

onbekend), althans alleen,

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg(en) de Burgemeester van Woelderenlaan en/of op een of meer

andere voor het openbaar verkeer openstaande weg(en),

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid

van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan

aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of

negende lid van genoemde wet,

in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994

deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd,

althans een wedstrijd, en/of

- ( daarbij) gereden met een snelheid van ongeveer 166 km/u, althans

met een snelheid van ongeveer 153 km/u, althans met een (veel)

hogere snelheid dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum

snelheid en/of

- ( daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op (zeer) korte afstand

achter en/of naast elkaar gereden, en/of

- ( daarbij) elkaar (meermalen) met hoge snelheid ingehaald, althans

getracht in te halen, in elk geval gedurende enige tijd met nagenoeg

gelijke snelheid naast en/of achter elkaar over die Burgemeester van

Woelderenlaan gereden, en/of

- ( daarbij) zijn aandacht voortdurend gericht op het door die ander

(voornoemde onbekend gebleven medeverdachte) bestuurde

motorrijtuig, althans onvoldoende op het voor hem/hen gelegen

gedeelte van die weg(en) en/of het overige verkeer gelet en/of is blijven

letten,

waardoor, althans mede waardoor verdachte het door hem bestuurde

voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle heeft

gehad, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een

andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 1] , en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een

andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 2] ;

en aldus zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat een

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor die [Slachtoffer 1] , die zich

in een rolstoel op de weg bevond, werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ) tezamen en in

vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte, eveneens als

bestuurder van een voertuig (personenauto merk Golf, kenteken

onbekend), althans alleen, daarmede rijdende over de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en) de Burgemeester van

Woelderenlaan en/of op een of meer andere voor het openbaar verkeer

openstaande weg(en), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [Slachtoffer 1]

werd gedood,

door roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend,

onvoorzichtig en/of onachtzaam,

in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994

heeft deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd,

althans een wedstrijd, en/of

- ( daarbij) gereden met een snelheid van ongeveer 166 km/u, althans

met een snelheid van ongeveer 153 km/u, althans met een (veel)

hogere snelheid dan de voor hem/hen aldaar geldende maximum

snelheid en/of

- ( daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op (zeer) korte afstand

achter en/of naast elkaar gereden, en/of

- ( daarbij) elkaar (meermalen) met hoge snelheid ingehaald, althans

getracht in te halen, in elk geval gedurende enige tijd met nagenoeg

gelijke snelheid naast e/of achter elkaar over die Burgemeester van

Woelderenlaan gereden, en/of

- ( daarbij) zijn aandacht voortdurend gericht op het door die ander

(voornoemde onbekend gebleven medeverdachte) bestuurde

motorrijtuig, althans onvoldoende op het voor hem/hen gelegen

gedeelte van die weg(en) en/of het overige verkeer gelet en/of is blijven

letten,

waardoor, althans mede waardoor verdachte het door hem bestuurde

voertuig niet, althans in onvoldoende mate, onder controle heeft

gehad, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een

andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 1] , en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een

andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 2] ,

en aldus zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat een

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor die [Slachtoffer 1] , die zich

in een rolstoel op de weg bevond, werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, toen hij daar dat motorrijtuig

(personenauto) bestuurde, na zodanig gebruik van cannabis dat hij

verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de

Wegenverkeerswet 1994 dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een

bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende

lid van genoemde wet en/of zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede

is veroorzaakt doordat hij de bij de wet vastgestelde maximumsnelheid

in ernstige mate heeft overschreden en/of doordat hij zeer dicht achter

een ander voertuig is gaan rijden en/of doordat hij geen voorrang heeft

verleend en/of doordat hij gevaarlijk heeft ingehaald;

2

hij op of omstreeks 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, in elk geval

in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ), dit

voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed

van cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het

gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een

andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West Brabant met nummer PL2000-2020147627 genummerd van 1 t/m 776, opgesteld door de daartoe bevoegde ambtenaren.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Slachtoffer 2] , opgenomen op pagina 117. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Even na half zes deze middag, reed ik over de Sloeweg hier te Vlissingen en sloeg rechtsaf de Burgemeester van Woelderenlaan op en daarna weer rechtsaf de Paauwenburgweg op.

Ik zag voordat ik deze weg indraaide even voor mij een persoon in een rolstoel voor

mij gezien van links de weg van de Burgemeester van Woelderenlaan recht oversteken in de

richting van de bocht met de Paauwenburgweg.

Op dat moment zag ik uit voor mij tegenovergestelde richting een witte personenauto

aankomen met een erg hoge snelheid. Ik zag dat deze auto de rolstoel met bestuurder

raakte en daarna zijn auto niet meer onder controle had. Ik zag dat deze witte auto ging slippen en blijkbaar de controle kwijt was en van zijn baan afweek. Deze auto kwam direct op mijn auto af, terwijl ik de Paauwenburgweg indraaide. Deze witte auto, waarvan ik later zag dat dit een Volkswagen Golf betrof, heeft mij met zijn voorzijde vol geraakt op de linker achterzijde van mijn auto, een blauwe Fiat met kenteken [Kenteken 2] .

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Slachtoffer 2] , opgenomen op pagina 119 en 121. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik zag vlak voor het ongeval achter de witte Golf GTI, die het ongeval heeft

veroorzaakt, nog een auto rijden. Ik zag dat er een licht kleurige auto achter reed.

Met licht kleurig bedoel ik, wit, zilver of licht grijs. De witte Golf GTI die het ongeval veroorzaakte reed echt heel erg hard. Ik denk dat die Golf GTI wel met 150 kilometer per uur op ons af kwam rijden. Ik zag toen dat hij die mevrouw schepte en vervolgens zag ik de witte Golf GTI recht op mij afkomen. Ik was al bezig de bocht te maken van de Burgemeester van Woelderenlaan de Pauwenburgweg op. Ik denk dat de witte Golf GTI toen nog met ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur recht op mij af kwam gereden, nadat hij die vrouw al had geraakt.

Ik hoorde [Verdachte] zeggen: ik was met een bekende van mij. Ik haalde hem op die weg in. Ik reed dus wat harder en zag die vrouw te laat.

Na het ongeval had ik een flinke kneuzing in mijn bovenbeen. Daarnaast had ik gekneusde ribben, last van mijn heup en borst vermoedelijk door de gordel. Verder had ik veel pijn aan mijn nek en rug. Van mijn nek en rug heb ik nog steeds last/ pijn.

Ik ben nog steeds beperkt in de uitvoering van mijn dag dagelijkse bezigheden. Ik werk nog maar halve dagen, omdat ik snel last heb van hoofdpijn. Ondanks dat ik als vrijwilliger bij de brandweer al best wat heb gezien en meegemaakt, heb ik hier emotioneel gezien ook echt last van. Ik slaap slecht en zie het ongeval als film met regelmaat voorbij komen. Ik denk dan ook na over wat als... Ik dacht ten tijde van het ongeval echt, nu is het voorbij.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 1] , opgenomen op pagina 132. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 10 juni 2020 omstreeks 17:30 uur fietste ik samen met mijn vrouw over

het fietspad aan de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen. Komende vanuit de

richting Boulevard Bankert en gaande in de richting van de Bachlaan te Vlissingen.

Wij fietsten halverwege de Burgemeester van Woelderenlaan, gezien vanaf de rotonde

Sloeweg - Burgemeester van Woelderenlaan en de kruising Burgemeester van

Woelderenlaan - Paauwenburgweg.

Ik zag dat er voor ons een vrouw fietste. Ik was druk in gesprek met mijn vrouw.

Ik hoorde ineens een heel hard rem geluid. Ik zag een persoon door de lucht vliegen. Voor mijn gevoel kwam deze persoon zo hoog als de boomtoppen langs het fietspad waar mijn vrouw en ik overheen fietste. Vervolgens zag ik twee zwaar beschadigde voertuigen in het gras staan, gezien vanaf de Burgemeester van Woelderenlaan kruising Paauwenburg, aan de rechterzijde. Dit betrof een witte Volkswagen Golf voorzien van het Nederlandse kenteken [Kenteken 1] en een blauwe Fiat Punto voorzien van het Nederlandse kenteken [Kenteken 2] .

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 2] , opgenomen op pagina 139. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 10 juni 2020, liep ik op het fietspad bij de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen. Ik zag twee auto's aan komen rijden vanaf de Boulevard links afslaan naar de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen. De auto's reden achter elkaar aan. Ik zag dat het beide witte auto's betroffen van het merk Volkswagen. De kentekens heb ik niet gezien omdat de snelheid van de auto's zo hoog was.

Ik zag en hoorde dat de auto's hard optrokken vanaf het verkeerslicht. Ik schat hun

snelheid van boven de 80 km/h. De auto's passeerde mij net na de [Naam 3] . Ze

reden dicht achter elkaar en leek alsof ze aan het racen waren.

- het ambtsedig proces-verbaal van aanvullend verhoor getuige [Naam 2] , opgenomen op pagina 160. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde flink motorisch lawaai. Ik hoorde dat deze voertuigen flink gas gaven en accelereerden. Het viel mij echt op dat de voertuigen zeer dichte achter elkaar reden, bijna bumper aan bumper.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] , opgenomen op pagina 141. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 10 juni 2020, omstreeks half zes liep ik op de stoep parallel aan de

Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen.

Op de hoofdweg zag ik twee auto's aan komen rijden. Het leek of deze auto's aan het

racen waren. Het waren twee auto's van het merk Volkswagen.

De kleur van de twee auto's is beide wit. Het zag er voor mij uit dat ze wilde uitproberen welke er sneller was omdat ze beide dezelfde auto hebben.

Ze kwamen over de Burgemeester van Woelderenlaan vanuit de richting van de

Paauwenburgweg. De beide auto's reden met een hoge snelheid. Ik denk zo rond de 100 km/h. Het was in ieder geval zeker boven de 80 km/h.

Bij de Burgemeester van Woelderenlaan en de Cort van der Lindenlaan kwam ik een

mevrouw tegen met de rolstoel. Vervolgens zag ik de auto's terug komen rijden. Gezien de korte tijd die er tussen het moment zat dat ik de auto's voor het eerst zag en nu de tweede maal, denk ik dat ze bij de rotonde die samen komt met de Bachlaan gekeerd zijn.

Ik volgde de auto's met mijn blik omdat er een van de auto's op de verkeerde weghelft

reed. Ik dacht als er nu een tegenligger aan komt gaat het echt fout.

Ik zag dat de auto's van mij weg reden. Vervolgens hoorde ik piepende banden, remmen

en een knal. Dit alles ging in enkele seconden. Ik zag dat een van de witte auto's in botsing was gekomen met een blauwe auto. De andere witte auto is links de Paauwenburgweg ingereden.

Ik vroeg aan de bestuurder "waar is de andere auto gebleven waar je mee aan het racen

was?". Ik hoorde hem zeggen "wat doet het er toe. Ik heb haar aangereden. Ik ben de

lul."

- het ambtsedig proces-verbaal van aanvullend verhoor getuige [Naam 4] , opgenomen op pagina 167. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op de momenten dat ik de auto's zag, reden ze heel erg dicht op elkaar. Als ik zou moeten schatten gaat het om enkele meters. Zowel op de heenweg toen ik ze zag, als toen ze terug kwamen, zat ik dat de voertuigen ook deels naast elkaar reden. Hier bedoel ik mee dat één van de voertuigen op de juiste weghelft reed en het andere voertuig geheel of deels op de baan voor het tegemoetkomende verkeer reed.

Toen ik ze zag rijden, ging dit zo hard, dat ik dacht, ik ga denk ik toch weer eens melding maken bij de politie. Ik had op dat moment echt zo iets, dit lijkt wel een race, waarin ze willen kijken wie er het snelste voertuig heeft.

Het was op dat moment een lege straat, op de hoofdrijbaan. Doordat beide voertuigen dicht bij elkaar bleven rijden en reden met een zeer hoge snelheid, maakte het voor mij dat het op een race leek. Ik zag dat deze twee golfjes op sommige plaatsen naast elkaar reden. Deze omstandigheden, leken niet op een normale inhaalmanoeuvre. De onderlinge snelheid van beide witte voertuigen, bleef redelijk gelijk aan elkaar.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 5] , opgenomen op pagina 147. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik zie twee witte auto's met behoorlijke snelheid over de drempel reden, die vlak voor

ons huis aan de Burgemeester van Woelderenlaan ligt. Ik hoorde een flinke klap waaruit ik opmaakte dat één of beide voertuigen door de snelheid de bodem raakten bij het overgaan van de drempel.

Ik hoorde nadat de voertuigen over de drempel waren dat ze meer gas gaven en ik zag

dat ze nog harder gingen rijden. Als ik een schatting moet doen reden ze daar wel 70

of 80 kilometer per uur. Ik hoorde een hoop gepiep. Het leek op het geluid van piepende

banden van een auto.

Niet veel later zie ik de beide witte voertuigen, vanuit het doodlopende stuk terug rijden. Ik hoorde dat de voertuigen veel motorisch lawaai maakten. Ik zag dat de voertuigen flink accelereerden. Ik zag dat de voertuigen sneller dichterbij kwamen.

Ik zag dat beide voertuigen weer met hoge snelheid terug reden richting de rotonde.

Beide voertuigen reden met flinke snelheid over de drempel. Hierbij hoorde ik weer van één of beide voertuigen klappen, vermoedelijk van het raken van de grond.

Ik zag en hoorde dat beide voertuigen na de drempel weer flink gas gaven. Ik denk door het geluid wat ik hoorde en de snelheid dat de voertuigen accelereerden dat ze het gaspedaal vol intrapten. Op mij kwam dit alles over alsof deze voertuigen elkaar achterna aan het jagen waren. Als het ene voertuig gas gaf, hoorde ik dat het andere voertuig ook gas gaf.

- Het proces-verbaal van verkeersongevallenonderzoek, opgenomen op pagina 235, 242-245. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

De hypothese dat het ongeval was ontstaan door menselijk handelen, of het nalaten daarvan is onderzocht. Daarbij zijn de volgende hypothesen en scenario’s bevestigd:

De bestuurder van voertuig 1 (Volkswagen Golf 7 GTI kenteken [Kenteken 1] ) heeft de toegestane maximum snelheid overschreden.

De bestuurder van voertuig 4 (de onbekend gebleven witte Volkswagen Golf) heeft de toegestane maximum snelheid overschreden.

De bestuurder van de Volkswagen Golf GTI (voertuig 1) heeft het door hem

bestuurde voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht, of had het voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was.

De bestuurder van de rolstoel, heeft de bestuurder van de Volkswagen Golf (voertuig 1) geen voorrang verleend, met dien verstande dat uit het vermijdbaarheidsonderzoek,

genoemd in het proces-verbaal van analyse is gebleken, dat wanneer de bestuurder van de

Volkswagen Golf GTI (voertuig 1) zich aan de toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur had gehouden, de bestuurster van de rolstoel, veilig de overzijde van de rijbaan had bereikt.

De bestuurders van beide Volkswagens Golf (voertuig 1 en voertuig 4), waren voorafgaand aan het verkeersongeval betrokken bij een straatrace. Dit scenario is aan de hand van de veiliggestelde camerabeelden aannemelijk.

Aan de hand van de Event Data Recorder, die zich in de Airbag Controle Module van de

Volkswagen Golf bevond, bleek dat de Volkswagen Golf 6,5 seconden voordat deze tot stilstand kwam, reed met een geregistreerde snelheid van 165 kilometer per uur, waarbij de snelheid tot 4,5 seconden voordat deze tot stilstand kwam opliep naar 168 kilometer per uur.

Tevens werd vastgesteld dat de Volkswagen Golf 1,5 seconden voordat deze tot stilstand

kwam, met een geregistreerde snelheid van 77 kilometer per uur, in botsing kwam met de

rolstoel en de inzittende van de rolstoel, terwijl het rempedaal werd bediend en het Anti

Blokkeersysteem in werking was.

Tevens werd vastgesteld dat de Volkswagen Golf 1 seconden voordat deze tot stilstand kwam, met een geregistreerde snelheid van 49 kilometer per uur, in botsing kwam met de linker achterzijde van de Fiat Punto, terwijl het rempedaal werd bediend en het Anti Blokkeersysteem in werking was;

Tevens werd vastgesteld dat de Volkswagen Golf 0,5 seconden voordat deze tot stilstand

kwam, met een geregistreerde snelheid van 16 kilometer per uur, en met de rechterzijde in

botsing kwam met de boom, terwijl het rempedaal werd bediend en het Antiblokkeersysteem in werking was.

Aan de hand van de vastgestelde remvertraging van de Volkswagen Golf, de afgelegde afstand over het aangetroffen bandspoor nummer 1 en de door de Event Data Recorder opgeslagen botssnelheden, werd vastgesteld dat, de Volkswagen Golf, bij aanvang van het aangetroffen bandspoor, had gereden met een snelheid van minimaal 147 kilometer per uur en maximaal 158 kilometer per uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

Bij de analyse van het videofragment [Bestandsnaam] werd vastgesteld dat, de voorste Volkswagen Golf (voertuig 1), ter hoogte van [Huisnummer] van de Burgemeester van Woelderenlaan, had gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid van 141 kilometer per uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Tevens werd vastgesteld dat de achterste Volkswagen Golf (voertuig 4) ter hoogte van [Huisnummer] , van de Burgemeester van

Woelderenlaan, had gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid van 128 kilometer per

uur, althans met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane

maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

Bij de analyse van het videofragment “ [Bestandsnaam] ”, werd vastgesteld dat, de achterste Volkswagen Golf (voertuig 4), ter hoogte van het eerst gemarkeerde meetpunt, op van de Burgemeester van Woelderenlaan, de voorste Volkswagen Golf (voertuig 1) volgde binnen 0,44 seconde, bij een minimale afstand van 15,6 meter en een maximale afstand van 17,3 meter.

Tevens werd vastgesteld dat, de achterste Volkswagen Golf (voertuig 4), ter hoogte van het

tweede gemarkeerde meetpunt op van de Burgemeester van Woelderenlaan, de voorste

Volkswagen Golf (voertuig 1) volgde binnen 0,56 seconde, bij een minimale afstand van 19,9 meter en een maximale afstand van 22,0 meter.

Bij de statische vermijdbaarheidsberekening werd vastgesteld dat de Volkswagen Golf (voertuig 1) , indien deze de toegestane maximum snelheid had gereden van 50 kilometer per uur en op exact hetzelfde punt was aangevangen met remmen, het voertuig binnen 9,29 meter had stilgestaan. En daarbij ruim 46 meter voor de plaats van het ongeval had stilgestaan, waarbij de aanrijding met de rolstoel (voertuig 2) en de Fiat Punto (voertuig 3) niet hadden plaatsgevonden.

Bij de dynamische vermijdbaarheidsberekening werd vastgesteld dat, indien de bestuurder van de Volkswagen Golf (voertuig 1) de toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur had gereden, in plaats van de berekende minimale snelheid van 147 kilometer per uur de

achterzijde van de rolstoel (voertuig 2) zich maximaal op 0,52 meter vóór de asfaltrand aan de overzijde, op de rijbaan van de Burgemeester van Woelderenlaan had bevonden en had er

waarschijnlijk geen aanrijding plaats gevonden.

Tevens werd vastgesteld dat, indien de bestuurder van de Volkswagen Golf (voertuig 1) de

toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur had gereden, in plaats van de

berekende maximale snelheid van 158 kilometer per uur de achterzijde van de rolstoel (voertuig 2) zich, voorbij de asfaltrand aan de overzijde van de Burgemeester van Woelderenlaan, had bevonden en had er geen aanrijding plaats gevonden.

- Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Plaats Delict, opgenomen op pagina 260. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

2.1.7 Uitzichtbepalingen

Wij zagen dat het uitzicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd door vaste obstakels.

2.1.10 Weersgesteldheid

Wij zagen dat het tijdens ons onderzoek ter plaatse zonnig en droog weer was en hebben geen redenen om aan te nemen dat de omstandigheden met betrekking tot het weer tijdens het verkeersongeval anders en van invloed zijn geweest op het ontstaan van dit ongeval.

- Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 45 en 46. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 10 juni 2020 omstreeks 18:50 uur kwam ik met verdachte [Verdachte] aan in Torentijd. Tijdens dit proces heb ik [Verdachte] uitgelegd wat de procedure is met betrekking tot het positieve resultaat van de speekseltest. Ik heb [Verdachte] stap voor stap uitgelegd hoe deze procedure in zijn werking gaat. Ik heb aan [Verdachte] gevraagd of hij zijn medewerking wilde verlenen aan een bloedonderzoek.

Ik hoorde dat [Verdachte] zei dat hij niet mee wilde werken aan een bloedonderzoek. Ik

hoorde dat [Verdachte] zei dat hij de procedure niet vertrouwd. Ik hoorde dat [Verdachte] zei

dat hij met zijn advocaat wilde overleggen.

Ik heb [Verdachte] uitgelegd dat ik begreep dat hij overleg met een advocaat zou willen maar dat het op dit moment niet meteen mogelijk is. Ik heb [Verdachte] , meerdere malen, elke stap van de procedure van het meewerken dan wel niet meewerken aan een bloedonderzoek uitgelegd.

Ik hoorde dat [Verdachte] vertelde dat hij elke avond een joint rookte. Ik hoorde dat

[Verdachte] nogmaals vertelde de uitkomst van de bloedproef op voorhand niet vertrouwde.

Omstreeks 19:05 uur zag ik dat de tijdslimiet, de wettelijk vastgestelde negentig minuten nadat de vordering aan de verdachte is gedaan tot het meewerken aan een bloedonderzoek, bijna verliep. Ik hoorde dat de GGD arts ter plaatse was. Ik heb [Verdachte] op dat moment gevorderd om mee te werken aan de bloedproef. Ik hoorde dat [Verdachte] zei dat hij nergens aan ging meewerken voordat hij een advocaat had gesproken.

Omstreeks 19:35 uur hoorde ik dat Hulp officier van Justitie, [Naam 6] , ter plaatse was om [Verdachte] voor te geleiden. Ik hoorde dat [Naam 6] , [Verdachte] nogmaals de procedure tot het meewerken dan wel niet meewerken aan de bloedproef uitlegde. Ik hoorde dat [Naam 6] , [Verdachte] , nogmaals vorderde om medewerking te verlenen aan de bloedproef. Ik hoorde dat [Verdachte] zei dat hij niet mee wilde werken.

- Een geschrift, zijnde een verslag als bedoeld in artikel 10 der Wet op de Lijkbezorging, opgenomen op pagina 560. Inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mevr. I. [Slachtoffer 1] [Adres slachtoffer 1] , geboortedatum [Geboortedag slachtoffer 1] 1977. Is op 14 juni 2020 niet natuurlijke wijze overlijden. Zij is overleden aan gevolgen/complicaties van neuro/hersentrauma na een verkeersongeval op 10 juni 2020.

- Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen op pagina 181. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik reed op de van Burgemeester van Woelderenlaan, dat is de weg die richting de

Boulevard gaat. Ik had net een auto ingehaald. Ik was inmiddels terug op mijn weghelft en toen zag ik die vrouw in haar rolstoel van links naar rechts oversteken. Ik dacht ze gaat

doorrijden maar dat deed ze niet. Ik was voornemens om haar niet te raken en

achterlangs haar te rijden om een aanrijding te voorkomen. Die mevrouw was de

haaientanden al gepasseerd. Omdat het leek alsof ze door zou rijden de weg over,

stuurde ik naar links. Maar omdat ze niet doorreed, reed ik ongewild in haar

richting. Terwijl ik remde reed ik op haar af en raakte haar en daarna een andere auto.

- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 januari 2020. Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik had die dag rond 12 uur één joint gerookt. Het blowen deed me niets goeds.

Een aantal uren later ben ik volledig nuchter en helder in mijn auto gestapt. Bij de stoplichten ben ik een soortgelijke witte Volkswagen Golf tegen gekomen. Ik kreeg een spontane drang kreeg om de andere auto te volgen. Ik en de andere bestuurder hebben achter elkaar gereden en zijn gekeerd over een rotonde. Ik weet niet wie er in de andere auto zat.

Op een gegeven moment wilde ik de andere auto inhalen. Ik heb daarbij goed gekeken. Ik weet niet waarom ik inhaalde. Na het inhalen zag ik mevrouw [Slachtoffer 1] en heb geprobeerd om te remmen. Ik heb de aanrijding niet zien aankomen, omdat er weinig verkeer was. Ik heb er alles aan gedaan om een botsing te voorkomen. Ik denk dat het blowen er mee te maken heeft.