Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3362

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-07-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSFBSF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7009 WSFBSF

uitspraak van 1 juli 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister), namens deze Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 juni 2020 (bestreden besluit) van de minister over kwijtschelding van haar studieschuld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 mei 2021.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres heeft op 3 september 2019 de minister gevraagd om kwijtschelding van de studieschuld.

Na medisch advies heeft de minister dit verzoek afgewezen in het besluit van 10 december 2019 (primaire besluit 1). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij medische gegevens gevoegd.

Na een nieuw medisch advies heeft de minister in het besluit van 4 december 2020 (primaire besluit 2) het primaire besluit 1 gewijzigd en het verzoek om kwijtschelding opnieuw afgewezen.

Eiseres heeft op 11 februari 2020 aanvullende bezwaargronden ingediend.

In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kent slechts de mogelijkheid tot kwijtschelding van de studieschuld in geval van overlijden van de debiteur en na afloop van de aflosfase van 15 jaar. In aanvulling hierop is er beleid waarin om medische redenen een studieschuld kan worden kwijtgescholden. De medisch adviseur heeft in het rapport van 28 januari 2020 geconcludeerd dat de situatie van eiseres niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties en evenmin op één lijn kan worden gesteld met de in het beleid beschreven gevallen.

2. Beroepsgronden

Eiseres voert in beroep aan dat zij met name door psychische klachten niet in staat is om te werken. Haar fysieke problemen, waardoor eiseres onder meer last heeft van vermoeidheid, verzwaren deze klachten. Eiseres had tijdens haar studie al psychische klachten. Het UWV heeft haar vanwege deze klachten volledig arbeidsongeschikt verklaard. Eiseres kan daardoor nooit genoeg inkomen verwerven om haar studieschuld af te lossen. Gelet op haar uitzichtloze situatie kan niet worden verlangd dat zij de studieschuld verder terugbetaalt.

2. Geschil

De rechtbank moet beoordelen of de minister op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van haar studieschuld.

3. Juridisch kader

Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening.

In artikel 6.16, eerste lid, van de Wsf is bepaald dat de schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, op dat ogenblik teniet gaat.

In het tweede lid is bepaald dat de schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, op dat ogenblik teniet gaat.

Op grond van de hardheidsclausule van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de terugbetalingsverplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De minister voert bij de toepassing van de in artikel 11.5 opgenomen hardheidsclausule een beleid dat inhoudt dat op verzoek een resterende studieschuld ook wordt kwijtgescholden als:

  1. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar zal overlijden;

  2. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;

  3. de debiteur een psychiatrische patiënt is op verklaring van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;

  4. e debiteur ernstig geestelijk gehandicapt is op verklaring van de inrichting.

De achterliggende gedachte bij dit beleid is dat van debiteuren die in een dergelijke medisch uitzichtloze situatie verkeren, op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen.

5. Medisch advies

Het bestreden besluit van de minister is gebaseerd op het rapport van 28 januari 2020 van de medisch adviseur van DUO Medisch Advies (hierna: medisch adviseur).

De medisch adviseur heeft het dossier van eiseres bestudeerd, waaronder een brief van eiseres zelf, informatie van de huisarts in opleiding, de arts-assistente van de gynaecoloog, de reumatoloog en de afdeling radiologie van het ziekenhuis.

De medisch adviseur heeft gerapporteerd dat de lichamelijke aandoeningen geen aanleiding geven tot het predicaat terminale patiënt die binnen een jaar komt te overlijden. Er is verder geen sprake van een ernstige beperking van de intellectuele vermogens. Deze werden niet gediagnosticeerd en eiseres woont zelfstandig. Eiseres is in 2014 gediagnostiseerd met een persoonlijkheidsstoornis NAO. Zij wordt er niet voor behandeld. Er is geen sprake van een psychiatrisch patiënt van wie de situatie uitzichtloos is. Eiseres verblijft niet in een instelling. Er is geen sprake van een gedocumenteerd coma. De medisch adviseur concludeert dat eiseres niet voldoet aan een van de criteria om in aanmerking te komen voor kwijtschelding. De eerder genoemde argumenten, de aard en omvang van de ingezette behandeling, de zelfstandigheid in leven en wonen maken dat geen sprake is van een zogenaamd gelijk te stellen situatie.

6. Beoordeling door de rechtbank

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1762) is het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk.

De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een medisch adviseur in het algemeen op dat advies mag afgaan, op voorwaarde dat is gebleken dat dit advies volledig is, geen tegenstrijdigheden bevat en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om medische stukken in te dienen die aan het medisch advies doen twijfelen.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldig wijze heeft plaatsgevonden. De medisch adviseur heeft het dossier van eiseres bestudeerd, waaronder informatie van behandelaars en van een verzekeringsarts van het UWV. Naar het oordeel van de rechtbank had de medisch adviseur voldoende inzicht in de gezondheidstoestand van eiseres.

Uit het rapport van de medisch adviseur blijkt dat deze op de hoogte was van de door eiseres gestelde psychische klachten. Hij heeft deze klachten bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank is niet gebleken dat het advies onvolledig is of tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de medisch adviseur dat de psychische klachten van eiseres niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor kwijtschelding en evenmin maken dat sprake is van een gelijk te stellen situatie. De medische gegevens die eiseres in beroep heeft ingediend, waren al bekend bij de medisch adviseur en zijn door hem bij de beoordeling betrokken.

Eiseres beroept zich erop dat zij nu en in de toekomst geen inkomen kan verwerven en dat daardoor sprake is van een uitzichtloze situatie. Anders dan eiseres kennelijk meent, is de financiële positie van de betrokkene niet bepalend bij de beoordeling of binnen de kaders van het kwijtscheldingsbeleid een studieschuld wordt kwijtgescholden. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421). Daarin is overwogen dat met de financiële situatie van een betrokkene rekening wordt gehouden door middel van het kunnen aanvragen van draagkrachtmeting en de mogelijkheid om achterstallige termijnen via de deurwaarder naar draagkracht te betalen. De achterliggende gedachte bij de totstandkoming van de in het beleid omschreven categorieën is dat van betrokkenen die in dergelijke medisch uitzichtloze situaties verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. De financiële toekomst van een betrokkene staat daar dus los van.

De rechtbank concludeert dat de minister op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van haar studieschuld.

7. Conclusie en proceskosten

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, op 1 juli 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.