Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3344

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
21/2269 en 21/2089
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitkering Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/2269 PW VV en BRE 21/2089 PW

uitspraak van 29 juni 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 april 2021 van het college (bestreden besluit) inzake zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 juni 2021. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt sinds 15 oktober 2009 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

Het college heeft aanleiding gezien onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de uitkering.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verzoeker op 25 oktober 2012 in Guinee is getrouwd.

Met het besluit van 18 december 2020 (primair besluit) is aan verzoeker meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2021 een uitkering ontvangt naar de norm van een gehuwde met een niet-rechthebbende partner.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tevens heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen. Deze zaak is bekend onder nummer 21/1716.

Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

2. Verzoeker heeft, samengevat, primair aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Dit kan niet blijken uit zijn eigen verklaring. Evenmin heeft het college aangetoond dat sprake is van een burgerlijk huwelijk. Omdat de akte van het religieuze huwelijk niet is onderzocht, staat evenmin vast dat deze akte echt is.

Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd dat aangenomen moet worden dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote in Guinee leeft.

Meer subsidiair heeft verzoeker gesteld dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat artikel 24 van de Participatiewet alleen van toepassing is op gehuwden en niet op ongehuwde partners. Er is geen sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat het college verzoeker bijstand verleent naar de norm van een alleenstaande.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Participatiewet wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

In artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

In artikel 24 van de Participatiewet is, kort gezegd, bepaald dat voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft, de norm voor de rechthebbende echtgenoot gelijk is aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot.

Spoedeisendheid

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een spoedeisend belang. De uitkering van verzoeker is immers vastgesteld op een norm die beduidend lager ligt dan de norm voor een alleenstaande. Niet gebleken is dat de situatie van verzoeker veranderd is ten opzichte van zijn vorige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat verzoeker ook thans niet of heel moeilijk zal kunnen rondkomen. Het verzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

Het huwelijk

6. Niet in geschil is dat verzoeker op 25 oktober 2012 in Guinee is getrouwd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het huwelijk in Nederland kan worden erkend. Daarvoor is van belang dat het voltrokken huwelijk rechtsgeldig is in het land van de huwelijksvoltrekking of daarna rechtsgeldig is geworden.1

Partijen zijn het erover eens dat een huwelijk in Guinee uitsluitend kan worden gesloten ten overstaan van een ambtenaar. 2 Dit noemen we een burgerlijk huwelijk.

7. Verzoeker heeft een ‘certificat de mariage religieux’ (certificaat) overgelegd. Dat verzoeker in deze procedure - voor het eerst - zijn twijfels heeft geuit over de echtheid van dit document is onvoldoende om niet van de authenticiteit uit te gaan. Eiser heeft dit certificaat immers zelf overgelegd en heeft daarbij niet zijn twijfels geuit over de echtheid hiervan. Hij gaat er zelf ook vanuit dat hij een religieus huwelijk heeft gesloten in Guinee. Daar komt bij dat verzoeker, op wie de bewijslast rust dat er gebreken aan het certificaat zouden kleven, van het aanbod van het college om in de bezwaarprocedure het certificaat op echtheid te laten onderzoeken geen gebruik heeft gemaakt. Bij de verdere beoordeling zal de voorzieningenrechter daarom uitgaan van de echtheid van het certificaat; bevoegd opgemaakt en afgegeven.

8. Op het certificaat is achter de tekst ‘N⁰ du Mariage Civil’ een nummer vermeld. Het college heeft navraag gedaan bij Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de betekenis van dit nummer. [naam medewerker], senior documentexpert bij Bureau Documenten, heeft in een email van 12 april 2021 aan het college meegedeeld dat dit nummer niets anders kan zijn dan het nummer van de burgerlijke huwelijksakte. De voorzieningenrechter overweegt dat Bureau Documenten bij uitstek deskundig is op het gebied van buitenlandse documenten. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om aan deze conclusie van de medewerker van Bureau Documenten te twijfelen. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat, voorafgaand aan het religieuze huwelijk, een burgerlijk huwelijk heeft plaatsgevonden. Een burgerlijk huwelijk is rechtsgeldig in Guinee. Het college is dan ook op goede gronden ervan uitgegaan dat verzoeker gehuwd is.

Duurzaam gescheiden leven?

9. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de woonsituatie van verzoeker en zijn echtgenote kan worden aangemerkt als ‘duurzaam gescheiden leven’.

Naar vaste rechtspraak wordt aangesloten bij de uitleg die de Hoge Raad aan het begrip duurzaam gescheiden leven in zijn vaste rechtspraak heeft gegeven.

Er wordt gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten indien:

1. het een door beiden, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld;

dan wel indien

2. de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beiden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voorzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen.3

10. Namens verzoeker is gesteld dat het eerste criterium niet op verzoekers situatie van toepassing is. Verzoeker heeft aangevoerd dat er nooit sprake is geweest van een echtelijke samenleving. Aangesloten moet worden bij de jurisprudentie die ervan uitgaat dat er vanaf de sluiting van het huwelijk nooit sprake is geweest van een echtelijke samenleving. Dit kon immers ook niet, nu verzoeker in Nederland woont en zijn echtgenote in Guinee. Ter zitting is verder namens verzoeker gesteld dat er volgens verzoeker sprake is van de situatie zoals beschreven in het tweede criterium. Verzoeker en zijn echtgenote willen wel samenwonen, maar er zijn daadwerkelijke, onoverkomelijke beletselen, waarvan niet te verwachten is dat daar binnen afzienbare tijd een oplossing voor te vinden is. De echtgenote kan niet naar Nederland komen, omdat zij hier geen verblijfstitel heeft en er ook geen argumenten zijn op grond waarvan zij daar recht op zou hebben. En verzoeker kan vanwege zijn slechte medische situatie met geen mogelijkheid in Guinee verblijven.

De rechtbank is met verzoeker van oordeel dat het eerste criterium niet van toepassing is, alleen om een andere reden, te weten dat beide echtgenoten de wens hebben om samen te wonen. Ten tijde van de datum in geding bleek deze wens reeds uit de plannen om verzoekers echtgenote naar Nederland te halen.

De rechtbank overweegt dat uit de eerder genoemde uitspraak eveneens volgt dat als er eerder, zoals door verzoeker betoogd - géén sprake is geweest van samenleven, het tweede criterium niet van toepassing kan zijn.4 Nu verzoeker in zijn verzoekschrift en ter zitting heeft erkend dat niet eerder sprake is geweest van een echtelijke samenleving, kan verzoeker op grond van het tweede criterium evenmin worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend. Daarbij is niet van belang of verzoeker al dan niet (om medische redenen) in Guinee zou kunnen wonen of de echtgenote niet in Nederland zou kunnen verblijven. De overgelegde medische stukken kunnen daarom buiten beschouwing blijven.

Concluderend is er geen sprake van duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

Wat betekent deze conclusie voor de hoogte van de uitkering?

11. Niet in geschil is dat de echtgenote geen recht heeft op algemene bijstand. Ingevolge artikel 24 van de Participatiewet wordt de norm voor de rechthebbende echtgenoot dan verlaagd naar 50% van de gehuwdennorm.

Verzoekers stelling dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel volgt de voorzieningenrechter niet. De wetgever heeft gekozen voor een stelsel waarin de situatie van gehuwden en die van ongehuwden niet als gelijk worden beoordeeld. Alleen als sprake is van duurzaam gescheiden leven wordt daarop een uitzondering gemaakt.5 Verder is nog van belang dat, anders dan bij personen die ongehuwd samenleven, er voor gehuwden een afdwingbare zorgverplichting bestaat. Zou verzoeker de gehuwdennorm ontvangen, dan zou er indirect bijstand worden verleend aan zijn niet rechthebbende echtgenote. Artikel 24 is juist bedoeld om dit soort situaties te voorkomen. Het college heeft dan ook op goede gronden artikel 24 toegepast.

12. Het college heeft in de situatie van verzoeker geen aanleiding gezien om tot een individuele afstemming van de norm te komen, zoals bedoeld in artikel 18 van de Participatiewet. Verzoeker heeft hiertegen geen gronden naar voren gebracht, zodat de voorzieningenrechter dit verder onbesproken zal laten.

Conclusie

13. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 29 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Artikel 10:31, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.

2 Artikel 201 van het Burgerlijk Wetboek van Guinee, zie ook ECLI:NL:RBZWB:2019:4440.

3 ECLI:NL:CRVB:2011:BU8968

4 Zie ECLI:NL:CRVB:2011:BU8968, overweging 5.3.1

5 Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:3542