Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3313

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
BRE - 20 _ 5607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-7-2021
FutD 2021-2275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/5607 tot en met 20/5618

uitspraak van 29 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te ’ [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De onderstaande uitspraken van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2013 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en de gelijktijdig opgelegde beschikkingen heffingsrente (jaren 2008 tot en met 2011) en belastingrente (jaren 2012 en 2013), (hierna: de rentebeschikkingen).

Datum uitspraak op bezwaar

Aanslagnummer

Soort

Jaar

Belastbaar inkomen uit werk en woning /premie inkomen

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Heffingsrente /

belastingrente

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.87

IB/PVV

2008

€ 22.921

€ 770

29 februari 2020

[aanslagnummer] .W.87

Zvw

2008

€ 22.921

€ 194

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.97

IB/PVV

2009

€ 40.389

€ 7.654

€ 1.439

29 februari 2020

[aanslagnummer] .W.97

Zvw

2009

€ 32.369

€ 240

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.07

IB/PVV

2010

€ 19.454

€ -

6 maart 2020

[aanslagnummer] .W.07

Zvw

2010

€ 19.454

€ 135

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.16.01

IB/PVV

2011

€ 4.832

€ 4.016

€ -

6 maart 2020

[aanslagnummer] .W.16.01.4

Zvw

2011

€ 4.832

€ 24

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.26.01

IB/PVV

2012

€ 4.097

€ -

6 maart 2020

[aanslagnummer] .W.26.01.4

Zvw

2012

€ 9.424

€ 27

6 maart 2020

[aanslagnummer] .H.36.01

IB/PVV

2013

€ 4.730

€ 3.089

€ -

6 maart 2020

[aanslagnummer] .W.36.01.4

Zvw

2013

€ 4.730

€ 5

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [ontvanger] (ontvanger).

De gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 29 april 2021 aan Ausma Advocaten, ter attentie van de heer mr. R. Zilver op het adres Maliesingel 2 te 3581 BA Utrecht, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De gemachtigde is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 30 april 2021 aan de gemachtigde op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

Feiten

2.1.

Belanghebbende stond in de onderhavige jaren volgens de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven op het adres [adres] te [postcode]

’ [woonplaats] .

2.2.

Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV gedaan over 2008. Zij was hiertoe ook niet uitgenodigd.

2.3.

In 2009 heeft belanghebbende bedragen overgemaakt naar de bankrekening van een aannemersbedrijf. Het betreft een zestal betalingen in de periode van 13 januari 2009 tot 1 juni 2009 waarbij verwezen wordt naar factuurnummers. In totaal heeft belanghebbende een bedrag van € 67.383,78 betaald.

2.4.

In de onderhavige jaren heeft belanghebbende de volgende stortingen gedaan op haar bankrekening en creditcard.

Stortingen op de bankrekening

Stortingen op de creditcard

Datum

Bedrag

Datum

Bedrag

Totaal

31 januari 2008

€ 1.310,00

5 augustus 2008

€ 890,00

8 juli 2008

€ 5.000,00

7 augustus 2008

€ 400,00

9 juli 2008

€ 5.000,00

13 augustus 2008

€ 20,00

15 juli 2008

€ 5.000,00

3 september 2008

€ 50,00

16 juli 2008

€ 5.000,00

8 oktober 2008

€ 251,80

€ 21.561,80

€ 1.360,00

€ 22.921,80

27 februari 2009

€ 37.500,00

5 februari 2009

€ 860,00

18 september 2009

€ 1.500,00

11 mei 2009

€ 300,00

7 december 2009

€ 60,00

€ 39.000,00

€ 1.220,00

€ 40.220,00

19 maart 2010

€ 1.980,00

26 januari 2010

€ 140,00

28 mei 2010

€ 7.100,00

3 juni 2010

€ 250,00

25 juni 2010

€ 2.500,00

12 juli 2010

€ 50,00

26 juli 2010

€ 250,00

16 september 2010

€ 990,00

11 oktober 2010

€ 990,00

€ 11.580,00

€ 2.670,00

€ 14.250,00

22 juli 2011

€ 500,00

21 februari 2011

€ 612,00

16 september 2011

€ 500,00

23 maart 2011

€ 50,00

25 november 2011

€ 500,00

14 juni 2011

€ 900,00

19 juli 2011

€ 200,00

22 augustus 2011

€ 490,00

22 september 2011

€ 1.000,00

4 november 2011

€ 150,00

€ 1.500,00

€ 3.402,00

€ 4.902,00

20 januari 2012

€ 1.000,00

1 februari 2012

€ 1.000,00

14 juni 2012

€ 700,00

10 april 2012

€ 100,00

14 september 2012

€ 200,00

21 mei 2012

€ 200,00

12 oktober 2012

€ 325,03

11 juni 2012

€ 500,00

15 oktober 2012

€ 1.199,00

€ 2.225,03

€ 2.999,00

€ 5.224,03

2013

nihil

nihil

2.5.

Over de jaren 2009 tot en met 2013 is belanghebbende uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Belanghebbende heeft over de onderhavige jaren tijdig aangifte gedaan.

2.6.

In haar aangifte over het jaar 2009 heeft belanghebbende winst uit onderneming aangegeven van € 5.873 waarvoor voorkoming van dubbele belasting is geclaimd. Daarnaast heeft belanghebbende als eigen woning, de woning (zie 2.1) aangegeven. Tevens heeft belanghebbende belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangegeven van € 7.654.

2.7.

In 2013 heeft belanghebbende een ongeluk gehad en zij ligt sindsdien in coma.

2.8.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek heeft de inspecteur op 11 oktober 2013 ingevolge artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzoek gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek met het oog op de beoordeling van onder andere de belastingjaren 2008 tot en met 2013.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek aangekondigd en ter behoud van rechten, navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd over het jaar 2008. Tevens zijn (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2009 tot en met 2013 met vergrijpboetes opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW-inkomsten) gebaseerd op een eigen kasopstelling die berekend is aan de hand van de contante stortingen van belanghebbende op haar bankrekening en creditcard in de onderhavige jaren, alsmede de uitgaven van belanghebbende en haar voormalige partner.

2.9.

Naar aanleiding van de door de inspecteur gemaakte kasopstelling zijn de ROW-inkomsten als volgt vastgesteld.

2008: € 80.471

2009: € 82.336

2010: € 1.007.368

2011: € 63.800

2012: € 77.827

2013: € 324.531

2.10.

In de bezwaarfase zijn de (navorderings)aanslagen verminderd. Daarbij zijn de uitgaven die toe te rekenen zijn aan de voormalige partner van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Tevens zijn de vergrijpboetes vernietigd.

Na de uitspraak op bezwaar bedragen de correcties van het inkomen uit werk en woning, naar aanleiding van de herziene kasopstelling, de volgende.

2008: € 22.921

2009: € 40.389

2010: € 19.454

2011: € 4.832

2012: € 9.424

2013: € 4.730

2.11.

Voorts heeft de inspecteur bij het opstellen van de herziene kasopstelling zich onder andere gebaseerd op de volgende uitgaven van belanghebbende.

Datum

Bedrag

1 juli 2009

€ 1.049,50

13 juli 2009

€ 70,00

17 februari 2010

€ 446,96

17 februari 2010

€ 557,25

15 juni 2010

€ 200,00

30 december 2012

€ 4.000,00

31 december 2012

€ 200,00

18 februari 2013

€ 535,00

17 juni 2013

€ 650,45

18 juni 2013

€ 3.544,57

Geschil

2.12.

Tussen partijen is in geschil of de (navorderings)aanslagen IB/PVV en ZVW over de jaren 2008 tot en met 2013 zijn vastgesteld naar een te hoog belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk bijdrage-inkomen? Voor het jaar 2009 speelt daarbij de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat niet de vereiste aangifte is gedaan.

Vooraf: ontvankelijkheid bezwaren

2.13.

Voor sommige jaren heeft belanghebbende bezwaar gemaakt na het verstrijken van de bezwaartermijn. De inspecteur is in zijn uitspraak op bezwaar tot de conclusie gekomen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zodat de bezwaren ontvankelijk zijn. De rechtbank is het met partijen eens dat de bezwaren terecht ontvankelijk zijn verklaard.

Is voor 2009 de vereiste aangifte gedaan?

2.14.

In artikel 27e, eerste lid, van de AWR is bepaald – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”).

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.1 De normale regels van stelplicht en bewijslast houden in dit kader in dat de inspecteur de bewijslast heeft. Dit alles geldt ook voor de inkomensafhankelijke bijdrage.

2.15.

De inspecteur heeft gesteld dat voor het jaar 2009 sprake is van één of meer gebreken die ertoe hebben geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur wijst in dit kader op het in het kader van de uitspraak op bezwaar vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.389, daar waar de aangifte een belastbaar inkomen uit werk en woning vermeldde van nihil (winst uit onderneming van € 5.873, voorkoming dubbele belasting minus € 5.873). Aldus resulteert de navorderingsaanslag in een aanvullend te betalen bedrag aan IB/PVV van € 9.286.

2.16.

Belanghebbende heeft ten aanzien van het jaar 2009 aangevoerd dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard omdat naar haar mening de correcties van de inspecteur, zoals opgenomen in de uitspraak op bezwaar (zie 2.10) onjuist zijn. Meer specifiek heeft belanghebbende gesteld dat de storting van € 37.500 op 27 februari 2009 betrekking heeft op een door belanghebbende ontvangen bedrag ten behoeve van de aanschaf van een auto. Daarnaast heeft de uitgave van € 1.049,50 voor een vliegreis betrekking op een reis voor meerdere personen. Van dit bedrag is € 200 door belanghebbende zelf betaald, aldus de gemachtigde. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende het genieten van resultaat uit overige werkzaamheden als zodanig niet heeft betwist.

2.17.

De rechtbank acht op grond van de door de inspecteur tijdens de behandeling van het bezwaar opgestelde herziene kasopstelling in combinatie met het overzicht van de door belanghebbende gedane uitgaven aannemelijk dat belanghebbende gedurende het jaar 2009 als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken inkomsten heeft genoten tot ten minste het door de inspecteur bepleitte bedrag van € 40.389. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd doet hier niet aan af. De door belanghebbende gegeven verklaring voor de storting van € 37.500 geeft enkel aan voor welk doel het bedrag is aangewend, maar geeft geen enkele verklaring waarom de betreffende som aan belanghebbende toekwam en onder welke titel. De verklaringen ten aanzien van de overige bedragen acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing – welke ontbreekt – onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aldus – aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast – aannemelijk gemaakt dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe hebben geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, is op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Dit leidt ertoe dat voor het jaar 2009 zowel voor de IB/PVV als voor de Zvw de verschuldigde belasting volgens aangifte verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.2 Tevens zijn de bedragen van de belasting, als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Alsdan dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard.

Hoogte navorderingsaanslagen 2009

2.18.

Als sprake is van omkering van de bewijslast, heeft de rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen, zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, onjuist zijn.

2.19.

De inspecteur heeft gesteld dat in de bezwaarfase reeds rekening is gehouden met de uitgaven die niet volledig aan belanghebbende konden worden toegerekend. In de herziene kasopstelling is enkel rekening gehouden met de aan belanghebbende toe te rekenen inkomsten en uitgaven.

2.20.

Gelet op de bedragen die opgenomen zijn onder 2.4 en 2.11 acht de rechtbank de schatting van de inspecteur niet onredelijk of willekeurig.

Belanghebbende heeft weliswaar de berekening van de inspecteur betwist maar heeft dit verder niet onderbouwd. Op belanghebbende rust een verzwaarde bewijslast om te doen blijken dat de navorderingsaanslagen voor het jaar 2009 – na de uitspraak op bezwaar – te hoog zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen is aangevoerd (zie 2.16), aan die verzwaarde bewijslast niet voldaan.

Hoogte (navorderings)aanslagen 2008, 2010 tot en met 2013

2.21.

Voor de jaren 2008, 2010 tot en met 2013 is niet in geschil dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard. Alsdan rust op de inspecteur de bewijslast om aannemelijk te maken dat de correcties op basis van de herziene kasopstelling niet te hoog zijn.

2.22.

Belanghebbende heeft ten aanzien van de onderhavige jaren niet betwist dat als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken inkomsten zijn genoten. Belanghebbende heeft enkel de volgende specifieke uitgaven betwist:

  • -

    De uitgaven op 22 januari 2010 en op 30 december 2012 van € 4.000 betreffen een speelwinst bij [casino] .

  • -

    De uitgave op 17 juni 2013 van € 650,45 betreft een uitgaven van de voormalige partner van belanghebbende.

2.23.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met het onder 2.4 vermelde overzicht van contante stortingen en de onder 2.11 genoemde kasopstelling en onderliggende stukken aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de betreffende jaren (als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken) aanvullende inkomsten heeft genoten die zij niet heeft opgenomen in haar aangiften IB/PVV over de desbetreffende jaren. Indien een adequaat opgesteld kasoverzicht erin resulteert dat er sprake is van een kastekort, betekent dat dat er een bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van gelden ter hoogte van het kastekort. Een kastekort is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk. Indien er geen plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn gedaan waarmee inkomen in contanten is verdiend. De rechtbank acht hetgeen belanghebbende daartegen in heeft gebracht onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat belanghebbende geen enkele nadere onderbouwing heeft overgelegd die haar stellingen staven. Gelet hierop heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren inkomsten heeft genoten die aangemerkt moeten worden als resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank acht ook de hoogte van deze inkomsten, zoals vastgesteld in de uitspraken op bezwaar (zie 2.10), aannemelijk.

Hoogte rentebeschikkingen

2.24.

Tegen de in rekening gebrachte rente heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente en belastingrente onjuist zijn toegepast.

Conclusie

2.25.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.26.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 29 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083

2 vgl. Hoge Raad, 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083