Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3310

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2702, 19 _ 2703
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV Giftenaftrek Boete

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen opgelegd in verband met ten onrechte in aftrek gebrachte giften.

Ter onderbouwing van zijn giftenaftrek heeft belanghebbende onder meer een tweetal op zijn naam gestelde kwitanties overgelegd. Met alles wat de inspecteur in dit verband heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank zodanige twijfel gezaaid over de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de kwitanties dat daaraan geen bewijskracht kan worden toegekend. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek. Belanghebbende is hierin niet geslaagd.

Niet meer in geschil is dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd, gelet op het feit dat belanghebbende inmiddels is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-7-2021
FutD 2021-2281
V-N Vandaag 2021/1789
NLF 2021/1484
V-N 2021/35.19.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/2702 en BRE 19/2703

uitspraak van 30 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de erven [belanghebbende],

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 6 mei 2019 op de bezwaren van belanghebbenden tegen:

 de aan [belanghebbende] over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 36.838 (aanslagnummer [aanslagnummer] H. 27.01) en de daarbij opgelegde vergrijpboete (€ 828) en in rekening gebrachte belastingrente (€ 192);

 de aan [belanghebbende] over het jaar 2013 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 41.586 (aanslagnummer [aanslagnummer] H. 37.01) en de daarbij opgelegde vergrijpboete (€ 936) en in rekening gebrachte belastingrente (€ 164).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2021 in Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbenden [persoon 1] en [persoon 2] , vergezeld van hun gemachtigde mr. K.G.A.P. Boemaars, verbonden aan Boemaars Folkerts Advocaten in Zundert, en namens de inspecteur, [inspecteur 3] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zijn gericht tegen de boetebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor zover deze zien op de boetebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 1.068;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van in totaal € 94 aan hen vergoedt.

2 Gronden

2.1.

[belanghebbende] (hierna: de heer [belanghebbende] ) is geboren op [geboorte datum] . Op [datum] is hij overleden. De heer [belanghebbende] was getrouwd met [persoon 1] (hierna: de weduwe).

2012

2.2.

De heer [belanghebbende] heeft in zijn aangifte IB/PVV over 2012 een aftrek in verband met contante giften aanmerking genomen. De giftenaftrek (met de omschrijving “GIFTEN”) heeft betrekking op de [donatieontvanger] (hierna: [donatieontvanger] ) en bedroeg, vóór toepassing van het drempelbedrag, € 3.000.

2.3.

Bij brieven van 23 april 2013, 16 mei 2013 en 28 maart 2014 heeft de inspecteur de heer [belanghebbende] verzocht nadere informatie te verstrekken over de in de aangifte opgenomen giften en hem verzocht de originele betalingsbewijzen en bankafschriften toe te sturen.

2.4.

Bij brieven van, dan wel door de inspecteur ontvangen op, 13 mei 2013, 29 mei 2013 en 4 april 2014 heeft de heer [belanghebbende] op voornoemde verzoeken gereageerd. Daarbij heeft hij een donatieverklaring van de financiële coördinator van de [donatieontvanger] overgelegd en een kwitantie van de [donatieontvanger] (genoemd “Donatieformulier”) waarop zijn naam is vermeld en waarop staat dat hij op 27 oktober 2012 een contant bedrag van € 3.000 aan de [donatieontvanger] heeft gegeven (op de donatieverklaring staat een datum van 27 november 2012 genoemd). Ook heeft de heer [belanghebbende] daarbij kopieën overgelegd van bankafschriften van rekeningnummers op naam van hemzelf respectievelijk op naam van de weduwe waarop contante geldopnamen te zien zijn.

2.5.

Met dagtekening 3 mei 2014 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 opgelegd conform de ingediende aangifte en de giftenaftrek daarbij geaccepteerd.

2013

2.6.

De heer [belanghebbende] heeft in zijn aangifte IB/PVV over 2013 een aftrek in verband met contante giften in aanmerking genomen. De giftenaftrek (met de omschrijving “Stichting”) heeft betrekking op de [donatieontvanger] en bedroeg, vóór toepassing van het drempelbedrag, € 3.000.

2.7.

Bij brief van 30 augustus 2014 heeft de inspecteur de heer [belanghebbende] verzocht nadere informatie te verstrekken over de in de aangifte opgenomen giften, namelijk een specificatie van de giften en de schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt aan wie de giften zijn gedaan en voor welke bedragen.

2.8.

Bij brief door de inspecteur ontvangen op 3 september 2014 heeft de heer [belanghebbende] op voornoemd verzoek gereageerd. Daarbij heeft hij een donatieverklaring van de Financiële Administratie van de [donatieontvanger] overgelegd en een kwitantie van de [donatieontvanger] (genoemd “Donatieformulier”) waarop zijn naam is vermeld en waarop staat dat hij op 31 december 2013 een contant bedrag van € 3.000 aan de [donatieontvanger] heeft gegeven. Ook heeft de heer [belanghebbende] daarbij kopieën overgelegd van bankafschriften van rekeningnummers op naam van hemzelf respectievelijk op naam van de weduwe waarop contante geldopnamen te zien zijn.

2.9.

Met dagtekening 4 maart 2015 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 opgelegd conform de ingediende aangifte en de giftenaftrek daarbij geaccepteerd.

[donatieontvanger] - Intrekking [instelling] -status en strafrechtelijk onderzoek

2.10.

De [donatieontvanger] stond in het jaar 2012 geregistreerd als [instelling] (hierna: [instelling] ).

2.11.

In 2015 heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de [donatieontvanger] en haar bestuurders. Tot de processtukken behoort een DVD met daarop het proces-verbaal met bijlagen van voornoemd strafrechtelijk onderzoek (hierna: het FIOD-p-v). Dit onderzoek draagt de naam [onderzoek 3] en is gestart omdat er verschillende signalen waren dat er in aangiften inkomstenbelasting vermoedelijk sprake was van fraude met giftenaftrek ten aanzien van de [donatieontvanger] .

Het eerste signaal was een constatering van de Belastingdienst dat belastingplichtigen in hun aangiften inkomstenbelasting over 2012 ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [donatieontvanger] in aftrek brachten, terwijl in de jaarstukken van de [donatieontvanger] over dat jaar een bedrag van € 591.210 als ontvangen giften was verantwoord. Een controlemedewerker van de Belastingdienst heeft vastgesteld dat over het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties waren uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie van de [donatieontvanger] waren verantwoord. Ook is vastgesteld dat over het jaar 2013 in de jaarstukken van de [donatieontvanger] € 88.564 aan ontvangen donaties was verantwoord, terwijl in de diverse aangiften inkomstenbelasting over 2013 € 3.445.808 aan giften was opgenomen. Omdat de administratie van de [donatieontvanger] ernstige gebreken vertoonde is de [instelling] -status van de [donatieontvanger] met dagtekening 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

Een tweede signaal betrof de bevindingen uit twee in 2015 door de FIOD opgestarte strafrechtelijke onderzoeken naar de handel in valse giftkwitanties aan andere instellingen dan de [donatieontvanger] en het gebruik van deze bescheiden bij het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting (de onderzoeken [onderzoek 1] en [onderzoek 2] ). Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat diverse belastingplichtigen die in de aangiften inkomstenbelasting valselijk giftenaftrek ten aanzien van die andere instellingen hadden geclaimd in hun aangiften ook giftenaftrek ten aanzien van de [donatieontvanger] hadden geclaimd.

2.12.

Het onderzoek [onderzoek 3] richtte zich op het valselijk opmaken van kwitanties en/of donatieverklaringen voor giften aan de [donatieontvanger] en het gebruik van deze bescheiden bij het doen van aangiften inkomstenbelasting. Belanghebbende is in dit onderzoek niet aangemerkt als verdachte en is daarin ook niet als getuige gehoord. Wel komt de naam ‘ [belanghebbende] ’ voor in het FIOD-p-v. Uit het FIOD-p-v komt, onder meer, naar voren dat:

  • -

    aan de hand van de jaarstukken van de [donatieontvanger] en de bij de Belastingdienst ingediende aangiften inkomstenbelasting is vastgesteld dat in de jaarstukken van de [donatieontvanger] over de jaren 2009 tot en met 2014 een totaalbedrag van € 3.006.120 aan giften/donaties door particulieren is opgenomen, terwijl uit de ingediende aangiften inkomstenbelasting over diezelfde jaren voor een bedrag van € 11.480.820 aan giften/donaties aan de [donatieontvanger] in aftrek is gebracht.

  • -

    aan de hand van de inbeslaggenomen administratie van de [donatieontvanger] is vastgesteld dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek van de [donatieontvanger] .

  • -

    door de [donatieontvanger] op grote schaal kwitanties zijn verkocht voor 10 à 12% van het daarop vermelde bedrag.

  • -

    diverse personen de handel in kwitanties hebben bevestigd.

  • -

    de penningmeester van de [donatieontvanger] heeft verklaard dat van alle kwitanties die in de jaren vanaf 2011 tot en met 2014 zijn uitgegeven slechts een klein deel ook daadwerkelijk volledig is betaald voor de daarop genoemde bedragen en dat door de donateurs geen bedragen van meer dan € 500 daadwerkelijk zijn betaald.

2.13.

De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de [donatieontvanger] te gebruiken voor fiscale doeleinden.

Navorderingsaanslagen

2.14.

Bij brieven van 8 december 2017 heeft de inspecteur aan de heer [belanghebbende] te kennen gegeven dat hij over de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen IB/PVV aan hem zal opleggen waarbij de eerder verleende giftenaftrek zal worden teruggenomen. Verder heeft de inspecteur daarin te kennen gegeven dat hij voornemens is over deze jaren vergrijpboetes op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat mogelijk heffingsrente dan wel belastingrente in rekening zal worden gebracht.

2.15.

Bij brief van 15 december 2017 heeft de heer [belanghebbende] gereageerd op voormelde brieven van 8 december 2017. Bij brieven van 20 december 2017 heeft de inspecteur aan de heer [belanghebbende] medegedeeld dat die reactie zijn standpunt niet heeft veranderd en dat hij over de jaren 2012 en 2013 overgaat tot oplegging van de navorderingsaanslagen met boetes.

2.16.

Met dagtekening 23 december 2017 en 10 maart 2018 heeft de inspecteur conform voormelde brieven onderhavige navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd. De heer [belanghebbende] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Geschil

2.17.

Tussen partijen is geschil of de giftenaftrek over de jaren 2012 en 2013 terecht is gecorrigeerd. Verder is in geschil of sprake is van een schending van het motiverings- dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel. Niet meer in geschil is dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd, gelet op het feit dat de heer [belanghebbende] inmiddels is overleden.

Giftenaftrek

2.18.

Gelet op het wettelijke systeem zijn als ‘andere giften’ aftrekbaar, giften aan [instelling] ’s1. Dergelijke ‘andere giften’ zijn aftrekbaar voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek 2.

2.19.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbenden de bewijslast rust dat de heer [belanghebbende] in aanmerking komt voor giftenaftrek. Verder stelt de rechtbank voorop dat voor een aftrek van giften zoals hier weliswaar vereist is dat de gift wordt gestaafd met schriftelijke bescheiden, maar dat dit niet meebrengt dat elk schriftelijk bewijsstuk een bepaalde bewijskracht heeft. Of een schriftelijk bewijsstuk voldoende bewijskracht heeft, hangt af van het desbetreffende bewijsstuk en de overige omstandigheden van het geval.

2.20.

Belanghebbenden hebben gesteld dat de heer [belanghebbende] op 27 oktober 2012 en op 31 december 2013 contante giften aan de [donatieontvanger] heeft gedaan van elk € 3.000. Verder hebben zij gesteld dat de heer [belanghebbende] al jaren op structurele wijze een deel van zijn inkomen aan verschillende goede doelen en instellingen schonk. Ter onderbouwing van hun stelling hebben belanghebbenden een tweetal op naam van de heer [belanghebbende] gestelde kwitanties van de [donatieontvanger] overgelegd (zie 2.4 en 2.8), een tweetal donatieverklaringen en kopieën van bankafschriften van rekeningnummers op naam van de heer [belanghebbende] respectievelijk op naam van de weduwe waarop contante geldopnamen te zien zijn. Over de contante geldopnamen hebben belanghebbenden verklaard dat de heer [belanghebbende] deze op verschillende momenten heeft gedaan en dat hij de opgenomen gelden tot aan de donaties thuis bewaarde.

De inspecteur heeft daartegenover, kort gezegd, aangevoerd dat de overgelegde kwitanties niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij naar de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [donatieontvanger] (zie 2.11 tot en met 2.13).

2.21.

De rechtbank beslist als volgt. Met alles wat de inspecteur in dit verband heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank zodanige twijfel gezaaid over de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de kwitanties en donatieverklaringen dat daaraan geen bewijskracht kan worden toegekend. Overigens merkt de rechtbank op dat zij hierbij de (veronder)stelling van de inspecteur over de (pin)betaling(en) op naam van de heer [persoon 3] in 2014, niet in haar beoordeling heeft betrokken.

2.22.

Het is aan belanghebbenden aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat recht bestaat op giftenaftrek. De door hen overgelegde bankafschriften acht de rechtbank daartoe onvoldoende, omdat aan de hand van de daarop vermelde kasopnamen niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, deze bedragen ten goede zijn gekomen aan de [donatieontvanger] . Met alles wat belanghebbenden in dit verband hebben aangevoerd, is geen bewijs geleverd dat de gelden door [belanghebbende] zijn gebruikt voor het doen van giften aan de [donatieontvanger] . Al met al is de rechtbank van oordeel dat er teveel twijfel bestaat om aan te nemen dat [belanghebbende] de gestelde contante giften aan de [donatieontvanger] heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur de giftenaftrek terecht gecorrigeerd en zijn de navorderingsaanslagen terecht opgelegd.

Vergrijpboetes

2.23.

De boetebeschikkingen dienen te worden vernietigd (zie 2.17). De beroepen zijn daarom gegrond.

Belastingrente

2.24.

De beroepen worden mede geacht betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbenden hebben tegen deze beschikkingen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

2.25.

Belanghebbenden hebben betoogd dat de besluiten van de inspecteur op meerdere punten onvoldoende zijn gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Ter zitting hebben zij nader toegelicht dat de kern van hun betoog is dat de Belastingdienst alle belastingplichtigen in dit verband over één kam heeft geschoren zonder daarbij oog te hebben voor het individuele geval. Met deze enkele stelling hebben belanghebbenden naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de navorderingsaanslagen dan wel de bestreden besluiten in strijd zijn genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel en/of motiveringsbeginsel. De inspecteur heeft zijn beslissingen steeds gemotiveerd. Ook is niet gebleken dat de inspecteur op enig moment heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond faalt daarom.

Conclusie en proceskosten

2.26.

Gelet op het overwogene in 2.17 en 2.23 zijn de beroepen gegrond verklaard wat betreft de boetebeschikkingen. De navorderingsaanslagen blijven in stand.

2.27.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken en een wegingsfactor 1 voor samenhang). Voor een vergoeding van de kosten van de onderhavige bezwaarfase bestaat geen aanleiding, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat daarom is verzocht vóór het doen van de uitspraken op bezwaar (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

Deze uitspraak is op 30 juni 2021 gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

(De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen)

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6.32, aanhef en eerste lid, onder b, in combinatie met artikel 6.33, onder b, en artikel 6.35 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2 Artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet IB 2001.