Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3302

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
BRE-18_4046_4047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-9-2021
FutD 2021-2811
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/4046 en 18/4047

uitspraak van 10 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2013 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.000. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2016 aan belanghebbende voor het jaar 2013 de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2013 (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 41.705. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2018 de aanslag IB/PVV 2013 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.148 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd tot € 1.233. Het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2013 en de beschikking belastingrente is ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 13 juni 2018, ontvangen bij de rechtbank op 14 juni 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende mr. J.H. Sligchers, verbonden aan Advocatenkantoor mr. Sligchers te Maastricht , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overlegd aan de rechtbank en aan de andere partij.

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] , is vader van één meerderjarige zoon. Belanghebbende was gedetineerd tot en met begin 2013. Vanaf [periode 2014 - 2017] verbleef belanghebbende wederom in detentie.

2.2.

Belanghebbende heeft in mei 2013 voor zijn zoon het chalet met nummer [nummer] gekocht op het landgoed [landgoed] in [plaats 1] . Hij heeft daarvoor in totaal € 26.400 betaald. Belanghebbende heeft daarnaast in 2013 een ander chalet op hetzelfde landgoed gehuurd.

2.3.

De inspecteur heeft op 8 september 2014 een verzoek gedaan op grond van artikel 55 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) en de Officier van Justitie verzocht hem informatie te verstrekken uit het strafrechtelijke onderzoek naar onder meer belanghebbende. Op 7 oktober 2014 heeft de inspecteur deze informatie van de FIOD ontvangen, namelijk het zaakdossier [zaakdossier] , uit het strafrechtelijke onderzoek “ [strafrechtelijke onderzoek] ”.

2.4.

Belanghebbende is op 6 november 2014 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en Zvw 2013. Vervolgens is belanghebbende een herinnering toegezonden op 30 januari 2015. Belanghebbende heeft op 22 januari 2015 zijn aangifte IB/PVV en Zvw 2013 ingediend met een verzamelinkomen dat volledig bestaat uit inkomsten uit werk en woning van € 9.148.

2.5.

De inspecteur heeft met dagtekening 20 februari 2015 aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2013 opgelegd overeenkomstig de aangifte.

2.6.

De inspecteur heeft op 12 maart 2015 op grond van artikel 47 AWR belanghebbende het volgende verzocht:

“- mij is bekend dat u al jarenlang inkomsten verkrijgt uit de handel en transport in verdovende middelen. Mede op basis hiervan heb ik u aangiftebiljetten inkomstenbelasting toegezonden over de jaren 2012 t/m 2014;

-mij is tevens bekend dat u voor bovenstaande handel reeds meerdere malen veroordeeld bent;

- uit de bovenstaande handel zijn inkomsten genoten. In de door u ingediende aangifte inkomstenbelasting 2013 heeft u hiervan niets opgegeven. Ik verzoek u mij nu een opgave te verstrekken inzake deze inkomsten over de jaren 2012 t/m 2014.”

De inspecteur heeft van belanghebbende de gevraagde informatie niet ontvangen en heeft vervolgens de aanslag ambtshalve opgelegd

2.7.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 september 2015 aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2013 opgelegd met een verzamelinkomen van € 150.000 dat volledig bestaat uit inkomsten uit werk en woning. De beschikking belastingrente bedraagt € 2.504.

2.8.

Eveneens met dagtekening 11 september 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende een voorlopige aanslag Zvw 2013 opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 41.705. De beschikking belastingrente bedraagt € 87.

2.9.

Gemachtigde heeft op 22 oktober 2015 bezwaar ingediend tegen de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw 2013.

2.10.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2016 de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 opgelegd.

2.11.

Belanghebbende zelf heeft op 13 oktober 2016 ook bezwaar ingediend, tegen de voorlopige aanslagen IB en Zvw 2013.

2.12.

Op 28 september 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland1 belanghebbende veroordeeld voor drugsdelicten en witwassen. De rechtbank komt tot het volgende oordeel:

“Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat sprake is geweest van een

duurzame en gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet, onder meer blijkend uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden en onderlinge afstemming van activiteiten van de deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijk doel van de organisatie. Het blijkt ook uit de planmatigheid en stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van de deelnemers binnen de organisatie. Uit de bewijsmiddelen en met name uit de afgeluisterde gesprekken blijkt immers dat verdachten, in wisselende samenstelling en soms aangevuld met anderen, over een lange periode intensief, planmatig en stelselmatig met elkaar hebben samengewerkt bij de (voorbereiding van) de invoer van cocaïne, waarbij een duidelijke rolverdeling heeft bestaan.”

De rechtbank heeft onder meer de volgende feiten bewezenverklaard:

“ De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, onder 2 primair, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 14 oktober 2013 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 30 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

feit 2 primair:

hij op 2 januari 2014 te [plaats 2] en [plaats 1] en [plaats 3] en [plaats 4] , in elk geval in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne;

feit 3:

hij in de periode van 28 december 2013 tot en met 3 februari 2014, te [plaats 1] en [plaats 3] en [plaats 5] en in België en/of de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders:

- met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) (telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden en

- afspraken laten maken en/of gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- ontmoetingen gehad om afspraken te maken en/of informatie door te (laten) geven en

- ( telefonisch) informatie laten vertrekken en/of verstrekt en/of informatie (laten) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een transport verdovende middelen en/of

- vlucht- en/of reizigersgegevens laten doorgeven en/of doorgegeven en/of (laten) ontvangen en

- afhalers van de koerier laten ronselen en/of geronseld en

- ( telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden met een koerier en/of afhaler(s) van de koerier en

- voor de koerier een ticket laten boeken en/of geboekt en

- informatie betreffende vluchten van de koerier laten opzoeken en/of opgezocht en/of laten uitzoeken en/of uitgezocht en

- contact laten leggen en/of gelegd met een (contactpersoon van) leverancier(s) van verdovende middelen en

- informatie ontvangen over de dag en aankomsttijd van de vlucht waarop de cocaïne aanwezig zou zijn;

(…)

feit 5:

hij in de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te [plaats 2] en/of [plaats 1] en/of [plaats 6] en/of [plaats 3] , in elk geval plaatsen in Nederland en/of [plaats 7] , in elk geval in België en/of in de Dominicaanse Republiek, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte, en zijn mededaders en andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, te weten:

- het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne;

feit 6:

hij op tijdstippen in de periode van 13 mei 2013 tot en met 14 augustus 2013 in Nederland, van een voorwerp, te weten 26.400 euro, de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

Tegen het vonnis is hoger beroep ingediend.

2.13.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2013 en de beschikking belastingrente verminderd. Hij heeft de aanslag Zvw 2013 en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

2.14.

Op 21 januari 2019 heeft hof Amsterdam uitspraak gedaan in het hoger beroep (ECLI:NL:GHAMS:2019:94) tegen het vonnis van de rechtbank, zoals vermeld in 2.11. Het hof heeft als volgt geoordeeld:

“ (…)

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie van feit 2 primair en ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd (…)”

De uitspraak van hof Amsterdam is onherroepelijk geworden.

3 Geschil

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw 2013 gedaan?

II. Zijn de aanslagen en beschikkingen IB/PVV en Zvw 2013 tot de juiste bedragen vastgesteld?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging dan wel vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De inspecteur heeft het bezwaar tegen de voorlopige aanslagen, dat op 22 oktober 2015 is ingediend door gemachtigde, aangemerkt als bezwaar tegen de definitieve aanslagen. Aangezien de definitieve aanslagen van 16 maart 2016 op 22 oktober 2015 nog niet tot stand waren gekomen en belanghebbende evenmin redelijkerwijs kon menen dat deze al tot stand waren gekomen, kan de rechtbank de inspecteur niet in dit standpunt volgen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bezwaar dat belanghebbende zelf op 13 oktober 2016 heeft ingediend, moet worden beschouwd als een verzoek tot ambtshalve vermindering. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar beschouwen als een afwijzing van dit verzoek tot ambtshalve vermindering. De rechtbank merkt daarom het beroepschrift aan als een tijdig bezwaarschrift tegen deze afwijzing. Ter zitting hebben partijen, gelet op de proces-economie, toestemming verleend voor rechtstreeks beroep, in de zin van artikel 7:1a Awb. De rechtbank volgt partijen daarin en zal daarom het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering als een beroepschrift behandelen.

I Vereiste aangifte

4.2.

Op grond van artikel 27e, lid 1 AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De vereiste aangifte is onder andere niet gedaan indien sprake is van één of meer gebreken in de aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van de stelplicht en bewijslast worden toegepast.2 Een afwijking van 19% dient als “verhoudingsgewijs aanzienlijk” worden beschouwd.3 De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.

4.3.

De inspecteur stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan aangezien belanghebbende voor het jaar 2013 is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en hij in zijn aangifte slechts een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.148 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2013 aanzienlijke uitgaven gedaan uit een bron van inkomsten die hij niet heeft aangegeven. De inspecteur verwijst daarbij naar het volgende tapgesprek van 14 februari 2014 tussen belanghebbende en [zoon] :

“ [belanghebbende] belt uit naar het nummer: [telefoonnummer] . Dit nummer is in gebruik bij [zoon]

( [zoon] ). [zoon] is in [plaats 8] . Als ie naar huis komt, moet ie even sigaretten meenemen voor [belanghebbende] . [zoon] is niet met z'n eigen auto, maar met een busje samen met iemand anders. [zoon] zegt dat hij geen geld heeft. [belanghebbende] hoort anders dat [zoon] genoeg geld heeft. [belanghebbende] zegt dat hij bakken met geld heeft uitgegeven aan [zoon] : 30.000 euro voor het chalet. Dan die drie auto's erbij, komt het totaal al op 50.000. Dan nog

voor 15 verbouwd, waardoor ze al op 65.000 zitten. Daarbij nog 10.000 voor het verbouwen van de rest. In totaal heeft [belanghebbende] 75.000 euro uitgegeven aan [zoon] en dan doet [zoon] al moeilijk als hij een pakje sigaretten moet halen voor [belanghebbende] . [zoon] komt de sigaretten brengen.

(...)"

Verder wijst de inspecteur erop dat belanghebbende is veroordeeld door de rechtbank voor drugsdelicten en witwassen, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende voor zijn zoon een chalet heeft gekocht voor een bedrag van in totaal € 26.400. De inspecteur stelt dat uitgaven pas kunnen worden gedaan als er een bron van inkomen tegenover staat. Belanghebbende heeft die bron van inkomen niet aangegeven. Belanghebbende had zich ten tijde van het doen van aangifte IB/PVV 2013, aldus de inspecteur, ervan bewust moeten zijn dat op deze wijze een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.

4.4.

Belanghebbende stelt dat hij wel de vereiste aangifte heeft gedaan en dat het geld voor de uitgaven afkomstig is uit het verrichten van arbeid tijdens zijn detentie in [land] , waarmee hij [bedrag] heeft verdiend. Daarnaast had belanghebbende de beschikking over een aantal machines uit zijn voormalige bouwbedrijf. De zoon van belanghebbende heeft namens belanghebbende deze machines verkocht voor een bedrag van € 10.000. Voorts heeft het Openbaar Ministerie een eerder in beslag genomen bedrag van totaal € 18.000 aan belanghebbende teruggegeven.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 2013 een chalet voor € 26.400 heeft gekocht. De inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen ter onderbouwing van zijn verklaring omtrent de bekostiging van deze uitgave. De rechtbank acht de verklaring van belanghebbende niet aannemelijk, aangezien belanghebbende daarvoor geen enkele vorm van bewijs heeft overgelegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende strafrechtelijk onder meer is veroordeeld voor het witwassen van het bedrag van € 26.400 waarmee hij het chalet heeft gekocht voor zijn zoon. De strafrechter heeft de door belanghebbende gestelde herkomst, niet aannemelijk geacht. Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure dezelfde stellingen over de herkomst van het geld ingenomen maar daarbij geen stukken overgelegd waarmee hij die herkomst van de gelden aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2013 in ieder geval het aanzienlijke bedrag van € 26.400 heeft uitgegeven waarvoor hij geen verklaring kan geven. De rechtbank leidt hieruit af dat belanghebbende in 2013 in ieder geval tot dat bedrag belaste inkomsten heeft genoten die niet zijn aangegeven. Het gevolg daarvan is dat de volgens aangifte verschuldigde belasting relatief en absoluut bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Gelet op het aanzienlijke bedrag van de verzwegen inkomsten moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in zijn bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit houdt in dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

II Bedrag van de aanslag/ redelijke schatting

4.6.

De omkering van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur de aanslag niet naar willekeur mag opleggen. De inspecteur behoort de aanslag te baseren op een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende.4 Indien de door de inspecteur gebruikte gegevens kunnen worden geaccepteerd als basis voor de redelijke schatting, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting van de inspecteur betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.5 Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is.6 Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.7

4.7.

De inspecteur heeft de schatting van het resultaat uit overige werkzaamheden van € 75.000 onderbouwd met de stukken van de FIOD waaronder het tapgesprek tussen belanghebbende en zijn zoon (zie 4.3.). Dit bedrag bestaat volgens de inspecteur uit uitgaven die belanghebbende in 2013 heeft gedaan en waar geen inkomsten in de aangifte IB/PVV 2013 van belanghebbende tegenover staan. Ter zitting heeft de inspecteur een beroep gedaan op interne compensatie aangezien de inspecteur in zijn schatting de uitgaven aan auto’s heeft betrokken die pas in het jaar 2014 zijn aangeschaft. Uit de gegevens van de FIOD volgt echter dat belanghebbende ook uitgaven heeft gedaan voor de huur van een ander chalet van € 8.000, een bedrag van € 6.000 aan energiekosten heeft uitgegeven en een bedrag van € 2.000 bij een grenswisselkantoor heeft gestort. Deze uitgaven heeft de inspecteur aanvankelijk in de schatting van € 75.000 niet meegenomen.

4.8.

De rechtbank acht het niet onredelijk dat de inspecteur bij de schatting van het inkomen is uitgegaan van gegevens uit het FIOD dossier over de uitgaven die belanghebbende in 2013 heeft gedaan. De schatting van € 75.000 is gebaseerd op het tapgesprek en op verdere analyse van de uitgaven van belanghebbende. Belanghebbende heeft de uitgaven aan een aantal auto’s terecht betwist aangezien die niet in 2013 zijn gedaan. Het beroep op interne compensatie van de inspecteur is gebaseerd op andere uitgaven die niet in de aanvankelijke schatting waren betrokken. De rechtbank acht ook die schatting redelijk. De stelling van belanghebbende dat het beroep op interne compensatie in strijd is met de beginselen van de goede procesorde, faalt. Belanghebbende heeft namelijk kunnen reageren op het beroep op interne compensatie en de inspecteur heeft zich ter zitting niet op nieuwe feiten gebaseerd. De inspecteur baseert het beroep op interne compensatie op feiten die in het dossier aanwezig zijn. Daarmee is het beroep niet tardief. Ook heeft de inspecteur in zijn verweerschrift, anders dan belanghebbende stelt, niet uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn standpunt dat de schatting ook op deze uitgaven kan worden gebaseerd. Belanghebbende heeft tegenover de schatting van de inspecteur niet doen blijken dat de aanslag onjuist is vastgesteld, waardoor de aanslag in stand blijft.

Aanslag Zvw 2013

4.9.

Aangezien de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de definitieve aanslag IB/PVV 2013 niet te hoog is vastgesteld, houdt dat in dat ook het bijdrage-inkomen voor de definitieve aanslag Zvw 2013 niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep tegen die aanslag is daarom eveneens ongegrond.

Belastingrente

4.10.

Tegen de beschikkingen belastingrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Aangezien de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 in stand blijven, blijven de beschikkingen belastingrente eveneens in stand.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 mei 2021 door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. P.C. van der Vegt en mr. drs. M.M. de Werd, rechters, in aanwezigheid van mr. I.H.M. Fluitsma, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl/ Digitaal loket bestuursrecht.

1 ECLI:NL:RBNHO:2015:8231.

2 HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.

3 HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.

4 HR 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552, BNB 1993/330.

5 HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.

6 HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.

7 HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.