Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3298

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
BRE-18_4243
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-8-2021
FutD 2021-2681
NLF 2021/1713
NTFR 2021/3614 met annotatie van Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/4243

uitspraak van

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende in [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende met betrekking tot de aangiften inkomstenbelasting/premieheffingsvolksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2011 tot en met 2015 bij beschikking van 27 september 2017, referentie [aanslagnummer] een informatiebeschikking gegeven.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 25 juni 2018, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenoot, haar gemachtigden S.F. van Immerseel en D.J. Franssen, verbonden aan De Bont Advocaten te Amsterdam, en [inspecteur] en [inspecteur] namens de inspecteur. Tijdens deze zitting is [getuige] als getuige verschenen en gehoord.

Op de zitting van de rechtbank zijn vier samenhangende beroepschriften behandeld van [belanghebbende] (belanghebbende), zaaknummer BRE 18/4243 [belanghebbende] , zaaknummer 18/4244, [belanghebbende] , zaaknummer 18/4245 en Fiscale eenheid [belanghebbende] en [belanghebbende] , zaaknummer 18/4247.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is de echtgenote van [belanghebbende] . Samen hebben zij twee kinderen, geboren in 2003 en 2005.

2.2.

[belanghebbende] houdt sinds 25 mei 1999 alle aandelen in [belanghebbende] . [belanghebbende] houdt sinds 28 mei 2009 op haar beurt alle aandelen in [belanghebbende] .

2.3.

[belanghebbende] vormt met [belanghebbende] een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

[belanghebbende] houdt zich hoofdzakelijk bezig met verkopen en leggen van parketvloeren en de fabricage en montage van keukens (inclusief apparatuur). Daarnaast levert [belanghebbende] ook op maat gemaakte meubels en interieurbetimmering.

2.4.

Op 4 november 2016 heeft [inspecteur] van de Belastingdienst (hierna: [inspecteur] [belanghebbende] een aankondiging gestuurd van een boekenonderzoek met betrekking tot de vennootschapsbelasting 2014 en de omzetbelasting over 2014.

2.5.

Op 23 november 2016 heeft het inleidende gesprek plaatsgevonden op het bedrijfsadres van [belanghebbende] te [woonplaats] . Dit is tevens het woonadres van belanghebbende.

2.6.

Op 1 december 2016 heeft [inspecteur] schriftelijk kenbaar gemaakt dat het onderzoek, zowel ten aanzien van de vennootschapsbelasting als de omzetbelasting, wordt uitgebreid en zal zien op de jaren 2012 tot en met 2015. Ook wordt om enige administratieve bescheiden gevraagd.

2.7.

Bij brief van 1 februari 2017 hebben [inspecteur] en [inspecteur] (hierna: [inspecteur] ) schriftelijk onder meer de volgende informatie opgevraagd bij [gemachtigde] (de toenmalige gemachtigde van belanghebbende; hierna: [gemachtigde] ):

“Betreft: Informatie naar aanleiding van boekenonderzoek

Geachte heer [gemachtigde] ,


Inzake uw cliënt [belanghebbende] c.s. willen wij een afspraak maken voor een bespreking. Vooraf aan deze nog te plannen bespreking verzoeken wij u ons de volgende informatie en van belang zijnde stukken te verstrekken:


1. Op de privé bankrekening worden in 2013 in verband met schade uitkeringen 3 bedragen ontvangen. € 1.680,50 op 22-3-2013, € 1.000,00 op 4-4-2013 en € 542,70 op 3-5-2013. Graag ontvangen wij de relevante bescheiden waaruit blijkt waar deze uitkeringen betrekking op hebben. (…)”

Graag ontvangen wij uw reactie binnen 2 weken na dagtekening van deze brief.”

2.8.

Bij e-mail van 13 februari 2017 hebben [gemachtigde] en de echtgenoot van belanghebbende het verzoek om informatie van 1 februari 2017 beantwoord.

2.9.

Op 23 februari 2017 en 9 maart 2017 hebben [inspecteur] en [inspecteur] met belanghebbende [belanghebbende] en [gemachtigde] de voorlopige uitkomsten van het boekenonderzoek besproken. Van beide besprekingen zijn door de Belastingdienst verslagen opgemaakt.

2.10.

Bij brief van 12 april 2017 heeft [gemachtigde] schriftelijk gereageerd op de besprekingen van 23 februari 2017 en 9 maart 2017. In reactie op deze brief heeft [inspecteur] bij e-mail van 20 april 2017 laten weten dat het boekenonderzoek nog niet is afgerond.

2.11.

Vervolgens hebben [inspecteur] en [inspecteur] op 1 augustus 2017 een aanvullende vragenbrief aan de echtgenoot van belanghebbende gestuurd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Betreft: Vragen n.a.v. boekenonderzoek


Geachte heer [belanghebbende] ,


Het ingestelde boekenonderzoek bij [belanghebbende] c.s. is nog niet afgerond. Dit onderzoek heeft betrekking op de aanvaardbaarheid van de aangiften:


- vennootschapsbelasting (RSIN [rsin] ) van de jaren 2012 tot en met 2015;

- omzetbelasting ( [rsin] , Fiscale eenheid [belanghebbende] en [belanghebbende]
C.S.) over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015;

- inkomstenbelasting [belanghebbende] over de jaren 2011 tot en met 2015;

- IB/pvv 2011/2015 t.n.v. mevrouw [belanghebbende] (opm: een eventuele AB-correctie moet je te

zijner tijd in principe bij meneer en mevrouw opnemen, elk voor 50%).


Een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting 2011 is niet aangekondigd, maar wordt wel betrokken in het onderzoek. Tijdens de besprekingen van 23 februari 2017 en 9 maart 2017 is het jaar 2011 aan de orde geweest en zijn hierover vragen gesteld. Bij de bespreking van 9 maart 2017 hebben wij in het voorgestelde compromis de jaren 2011 tot en met 2015 betrokken. De gevolgen van het onderzoek kunnen daarom ook betrekking hebben op de aangifte vennootschapsbelasting 2011 (en inkomstenbelasting 2011).


Als gevolg van diverse door ons geconstateerde bevindingen tijdens bovengenoemd

boekenonderzoek hebben wij nog de volgende vragen:

- U heeft een aanmerkelijk belang in [belanghebbende] . Heeft u in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 uitdelingen van winst ontvangen die tot op dit moment volgens de ingediende aangiften inkomstenbelasting niet zijn aangegeven als inkomen in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang) van die jaren?

- De aangifte inkomstenbelasting 2016 en de aangifte vennootschapsbelasting 2016 zijn op dit moment nog niet ingediend. Heeft u in de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een uitdeling van winst ontvangen die u als zodanig dient aan te geven als inkomen box 2 in uw aangifte van 2016?

- Inzake de door u in privé aangeschafte auto (Lexus) is in 2011 en 2012 ten behoeve van huur- en restbetaling € 18.283 in contanten betaald. Graag vernemen wij van u wat de herkomst is van deze contanten.

- Inzake de door u in privé aangeschafte quad is in 2013 € 1.250 in contanten betaald. Graag vernemen wij van u wat de herkomst is van deze contanten.

- Door de vennootschap worden gedurende het jaar brandstofkosten van uw privéauto administratief verwerkt en ook betaald. Dit wordt ultimo boekjaar door uw accountant verrekend met uw rekening-courant met de vennootschap. Uitgaande van de op jaarbasis gereden kilometers, moet er naast het gebruik van het tankpasje (de hiervoor vermelde geboekte brandstofkosten) ook door middel van contante betaling zijn getankt. Graag vernemen wij de herkomst van deze contante betalingen.

- Tijdens de besprekingen heeft u aangegeven dat de heer [inwonende] bij u in huis woont. Vanaf welke datum was dit en wat is de huidige situatie (kunt u ook een huurovereenkomst overleggen)? Daarnaast hebben wij geconstateerd dat vanaf 2015 daadwerkelijk via een bankbetaling huur door u wordt ontvangen. Op welke wijze geschiedde dat voor die tijd en hoe is daar de vastlegging van geweest (zodat beide partijen hier een controle op hadden)?

- Tijdens de besprekingen van 23 februari 2017 en 9 maart 2017 is om een toelichting gevraagd van welke middelen in privé uitgaven worden gedaan. U en uw partner verklaarden af en toe contant geld van de ouders van uw partner te krijgen en ook dat af en toe spullen via Marktplaats worden verkocht. Vervolgens verklaart uw accountant de heer [gemachtigde] in zijn brief van 12 april 2017 dat ongeveer € 4.000 per jaar contant wordt ontvangen van de vader van uw partner. Kunt u op enige manier aantonen wat via Marktplaats is verkocht en, indien dat heeft plaatsgevonden, wanneer de oorspronkelijke aanschaf van die betreffende goederen heeft plaatsgevonden en kunt u specifiek aangeven op welke wijze de contanten van de vader van uw partner worden ontvangen? Graag

vernemen wij in deze of dat een vast bedrag per maand is en tevens een toelichting op welke wijze uw accountant aan een totaalbedrag per jaar van circa

€ 4.000 komt.

- In 2012 ontvangt u in privé € 4.100,87 van uw ouders. De omschrijving van de

overboeking is 'keukenmaterialen'. Deze ontvangst wordt via uw rekening-courant als omzet in de vennootschap verantwoord. Wat is in deze geleverd en hebben er nog andere werkzaamheden plaatsgevonden?

- Op 4 augustus 2016 schaft u in privé een camper merk [camper] met kenteken [kenteken] aan. De camper was in eigendom van de heer Leeuwenkamp uit Best. Graag vernemen wij van u hoeveel u voor deze camper heeft betaald. Als dit per bank is betaald, ontvangen wij graag een kopie van het bankafschrift. Indien een contante betaling heeft

plaatsgevonden, ontvangen wij graag een bewijs daarvan en een toelichting op de

herkomst van deze contante betaling.

- Tijdens het bezoek aan uw onderneming bleek dat de kelder door u wordt gebruikt voor het opslaan van voorraden. Als sprake is van een structurele situatie, bestaat de mogelijkheid dat de kelder geen inkomen box 3, maar inkomen box 1 moet zijn

(terbeschikkingsstellingsregeling). Voor een juiste fiscale duiding verzoeken wij u de actuele situatie te schetsen en tevens te onderbouwen indien u van mening bent dat dit als inkomen box 3 gehandhaafd moet blijven.


Wij wijzen u er ten overvloede op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent ons de

gevraagde informatie te verschaffen. Indien u niet aan deze verplichting voldoet, zullen wij een informatiebeschikking opleggen, zoals bedoeld in artikel 52A AWR, met als gevolg dat de bewijslast zal worden omgekeerd en verzwaard.”

2.12.

Bij brieven van 4 september 2017 hebben [belanghebbende] en [gemachtigde] de vragenbrief van 1 augustus 2017 beantwoord. Op 8 september 2017 heeft [gemachtigde] zijn brief van 4 september 2017 aangevuld met een e-mail aan [inspecteur] .

2.13.

Op 27 september 2017 reiken [inspecteur] en [inspecteur] aan belanghebbende een informatiebeschikking uit, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Betreft: Informatiebeschikking wegens niet (volledig) verstrekken informatie

Geachte mevrouw [belanghebbende] ,

In het kader van een boekenonderzoek dat onder meer betrekking heeft op uw aangiften

inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015, bent u verzocht om informatie te

verstrekken die van belang kan zijn voor uw belastingheffing. De wettelijke basis voor dit verzoek vindt u terug in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het doel van het verzoek is om ons in staat te stellen om informatie te verkrijgen op basis waarvan wij vervolgens de verschuldigde belasting kunnen vaststellen.


Informatieverzoeken

Wij hebben u diverse malen schriftelijk en mondeling om informatie verzocht, te weten op de volgende momenten:

- 1 februari 2017 (vragenbrief);

- 23 februari 2017 (bespreking);

- 9 maart 2017 (bespreking);

- 1 augustus 2017 (vragenbrief).


De vragen die wij u gesteld hebben, hebben betrekking op uw privébestedingen (aanschaf inclusief huur en benzinekosten auto, aanschaf quad, levensonderhoud en vakanties). Wij hebben gevraagd hoe u deze bestedingen heeft kunnen doen. Uw antwoorden komen er op neer dat u voor de privébestedingen gebruik heeft gemaakt van geld dat u van uw bankrekening heeft gepind, geld uit de envelop van de heer [inwonende] , schenkingen van uw (schoon)ouders en opbrengsten van via Marktplaats verkochte spullen.


De antwoorden die u heeft gegeven, vinden wij (in onderling verband bezien) volstrekt

ongeloofwaardig, onder meer omdat:

- niet aannemelijk is dat de heer [inwonende] u een envelop met € 30.000 in bewaring heeft gegeven (ultimo 2011), gelet op onder meer de omstandigheid dat hij € 2.000 van u heeft geleend (maart 2012);

- u de (contante) verkoopopbrengst van Marktplaats op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt;

- het onaannemelijk is dat uw minderjarige kinderen per jaar de beschikking hebben gehad over contante bedragen van telkens(ongeveer) € 2.000 en dat deze gelden in de kas van de vennootschap worden gestort om vervolgens via de bank van dezelfde vennootschap te worden overgemaakt naar de spaarrekening van de kinderen;

- uit onderzoek is gebleken dat klanten van [belanghebbende] buiten de factuur om contante bedragen hebben betaald voor de aanschaf van een keuken. Deze bedragen heeft [belanghebbende] niet als omzet verantwoord;

- niet aannemelijk is dat u voor het doen van privéuitgaven bent aangewezen op (contant) geld van de heer [inwonende] en uw vader, terwijl u over voldoende saldo op uw bankrekening(en) beschikt. Daar komt nog bij dat uw schoonouders meerdere kinderen hebben, maar alleen aan uw echtgenoot een bedrag schenken.

Informatiebeschikking

Op grond van het voorgaande stellen wij vast dat u niet aan uw informatieverplichting uit hoofde van artikel 47 van de AWR heeft voldaan. Wij geven u hiervoor dan ook een

informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR.


Indien u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u hiertegen bezwaar maken. Uw

bezwaarschrift moet dan binnen zes weken na de datum op de beschikking door ons zijn

ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift op tijd ingediend als u het voor het einde van de termijn hebt gepost en wij het niet later dan één week na afloop van de termijn hebben ontvangen.

Als u geen bezwaar maakt tegen deze beschikking, wordt deze informatiebeschikking

onherroepelijk. Dat brengt dan met zich mee dat u in een nadelige bewijspositie terechtkomt in de bezwaarfase tegen de belastingaanslagen waarop de informatieverzoeken zien. U dient dan namelijk te bewijzen dat die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast.


Een bijkomend gevolg van deze beschikking is dat de termijn waarbinnen de

(navorderings)aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015 kunnen worden opgelegd, wordt verlengd met de termijn die verstrijkt tussen de bekendmaking en het onherroepelijk worden van deze informatiebeschikking.


U kunt naar aanleiding van deze beschikking ervoor kiezen om alsnog aan de bovengenoemde informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoeken wij u om spoedig met ons contact op te nemen voor het afspreken van een termijn waarbinnen u alsnog aan uw informatieverplichting(en) voldoet.”

2.14.

Belanghebbende heeft bij brief van 7 november 2017 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking van 27 september 2017.

2.15.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

2. Is de informatiebeschikking terecht gegeven en heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

3. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

4. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van proceskosten dan de forfaitaire?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikkingen en toekenning van schadevergoeding. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.

Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Artikel 8:42, lid 1, Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. De rechter ziet toe op de naleving van art. 8:42, lid 1, Awb. Indien uit het dossier blijkt dat de door het bestuursorgaan ingezonden stukken niet volledig zijn, dient de rechter het bestuursorgaan op te dragen dat verzuim te herstellen. De rechter is niet gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die het bestuursorgaan ten onrechte niet heeft overgelegd. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is1.

4.2.

Belanghebbende betoogt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens belanghebbende ontbreken in het dossier, zoals belanghebbende ter zitting heeft toegelicht, met name de bevindingen van de controle en stukken over de onderlinge afstemming tussen de controleambtenaar en de inspecteur. Verder heeft de inspecteur bankafschriften van de heer [inwonende] en de heer [ontvanger] en die van belanghebbende zelf niet overgelegd. Belanghebbende verzoekt de rechtbank hier op grond van artikel 8:31 Awb gevolgen aan te verbinden en verzoekt ter voorkoming van verdere vertraging in de behandeling van de zaak, de zaak niet aan te houden om de inspecteur de gelegenheid te geven het dossier aan te vullen.

4.3.

De inspecteur heeft bij zijn verweerschrift geen op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht omdat belanghebbende bij het beroepschrift reeds alle op de zaak betrekking hebbende stukken zou hebben ingebracht. Ter zitting heeft hij betoogd dat het controlerapport nog niet is opgesteld, dat onderlinge afstemming mondeling is geschied en dat hij geen stukken heeft achtergehouden.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet voldaan aan zijn verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Uit de brief van 1 augustus 2017 en de informatiebeschikking volgt dat de inspecteur bij het geven van de informatiebeschikking heeft beschikt over de bankafschriften van belanghebbende, de heer [inwonende] en de heer [ontvanger] . Deze stukken heeft hij niet aan het dossier toegevoegd.

De rechtbank zal de inspecteur evenwel niet verzoeken het dossier nader aan te vullen. De rechtbank acht gelet op het tijdsverloop het belang van belanghebbende dat zij op een redelijke termijn duidelijkheid krijgt over haar bewijspositie zwaarder wegen dan het belang dat de inspecteur heeft om deze stukken alsnog over te leggen. De rechtbank weegt daarin mee dat deze procedure nog niet de aanslagen inkomstenbelasting betreft maar alleen de informatiebeschikking. Verdere vertraging in deze procedure levert ook meer vertraging op bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting. Bovendien heeft de inspecteur tussen het indienen van zijn verweerschrift op 23 augustus 2018 en de zitting op 24 februari 2021 ruimschoots de tijd gehad om het dossier aan te vullen. Hij heeft echter ervoor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank is verder van oordeel dat enig bewijsrisico omdat de rechtbank niet over alle stukken zou beschikken voor rekening van de inspecteur moet komen aangezien hij heeft besloten deze stukken niet toe te voegen aan het dossier waar de rechtbank beschikking over heeft. De rechtbank acht zich overigens voldoende ingelicht omdat belanghebbende in het nader stuk het dossier heeft aangevuld met enkele bankafschriften van de gezamenlijke bankrekening van haar en haar echtgenoot en met de dagafschriften van de bankrekening van de heer [inwonende] . Van de heer [ontvanger] bevindt zich in het dossier een aantekening die de inspecteur heeft opgesteld naar aanleiding van zijn bankafschriften. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat deze notitie niet volledig is.

4.5.

Dit betekent dat het beroep om deze reden al gegrond is. De rechtbank zal behalve de in 4.4 aangegeven gevolgen, aan dit oordeel op grond van artikel 8:31 Awb gevolgen verbinden voor de proceskostenvergoeding.

Informatiebeschikking

4.6.

Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn2. De gegevens en inlichtingen moeten duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks ter keuze van de inspecteur, en binnen een door de inspecteur te stellen termijn3. Hierbij geldt dat opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen op één lijn moet worden gesteld met een weigering de gevraagde inlichtingen te verstrekken4. Wanneer met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, AWR kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking)5. De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 25, derde lid, van de AWR.

4.7.

Belanghebbende bestrijdt dat zij niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. Zij betoogt dat het niet duidelijk is welke vragen aan haar zijn gesteld en op welke vragen zij geen antwoord zou hebben gegeven. Verder bestrijdt belanghebbende dat haar tijdens de besprekingen van 23 februari en 9 maart 2017 mondeling vragen zijn gesteld of informatieverzoeken zijn gedaan die zij niet zou hebben beantwoord.

4.8.

Het betoog van belanghebbende slaagt. Een informatiebeschikking dient ertoe vast te stellen dat een belastingplichtige niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Het moet de belastingplichtige daarom voorafgaand aan het vaststellen van de beschikking duidelijk zijn welke vragen aan hem of haar gesteld worden en hij moet in de gelegenheid zijn geweest om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. In dit geval verwijt de inspecteur belanghebbende niet aan haar informatieplicht te hebben voldaan doordat zij geen antwoord heeft gegeven op vragen gesteld in de vragenbrieven van 1 februari 2017 en 1 augustus 2017 en op vragen die tijdens de besprekingen van 23 februari en 9 maart 2017 zijn gesteld.

De vragenbrief van 1 februari 2017 is niet aan belanghebbende gericht. Verder heeft de inspecteur daarin geen inlichtingen gevraagd die voor de belastingheffing van belanghebbende van belang konden zijn. Belanghebbende was aanwezig bij de besprekingen van 23 februari en 9 maart 2017 en heeft gegevens aangeleverd over verkopen die zij heeft gedaan via marktplaats. Uit de besprekingsverslagen is het de rechtbank echter niet gebleken dat aan belanghebbende duidelijke vragen zijn gesteld die niet zouden zijn beantwoord. De vragenbrief van 1 augustus 2017 is eveneens alleen gericht aan de echtgenoot van belanghebbende. Weliswaar zien de vragen die volgens de inspecteur niet afdoende zijn beantwoord op de bestedingen van belanghebbende, haar echtgenoot en hun gezin, toch acht de rechtbank het daarmee niet voldoende duidelijk dat ook van belanghebbende zelf actief om informatie werd gevraagd.

4.9.

Dit betekent dat de informatiebeschikking moet worden vernietigd en dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

4.10.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.11.

Belastinggeschillen dienen binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dit brengt mee dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.6

4.12.

De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 8 november 2017. De redelijke termijn vangt dus op 8 november 2017 aan. De in aanmerking te nemen termijn eindigt heden, op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet.

4.13.

De behandelduur van deze zaak in bezwaar en beroep bedraagt afgerond naar boven 4 jaar. De redelijke termijn is dus overschreden met twee jaar. Uitgaande van een tarief van € 500 per half jaar berekent de rechtbank de schadevergoeding op € 2.000.

4.14.

Wat betreft de toerekening van de schadevergoeding aan de inspecteur en de minister overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 16 mei 2018, dat wil zeggen dat de bezwaarfase afgerond naar boven zeven maanden heeft geduurd, waarvan zes maanden een redelijke termijn behelst. Dat betekent dat de behandeling van het bezwaar de zes maanden die daarvoor staat, met een maand heeft overschreden. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen tot het vergoeden van door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 83 (€ 2.000 * 1/24).

De behandeling van het beroep heeft eveneens langer dan anderhalf jaar, de als redelijk te aanvaarden termijn, geduurd. De rechtbank zal de minister daarom veroordelen tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.917 (€ 2.000 * 23/24).

Vergoeding van proceskosten

4.15.

Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding van € 51.872,50 voor deze procedure en die met nummers 18/4243, 18/4245 en 18/4247 omdat de inspecteur tegen beter weten in de beschikkingen heeft gehandhaafd en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De wijze waarop de inspecteur zich heeft gedragen tijdens de controle en de derdenonderzoeken was vooringenomen en intimiderend, aldus belanghebbende.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat een inspecteur ruime bevoegdheden heeft om inlichtingen te vergaren om te kunnen controleren of belastingplichtigen op juiste wijze aan hun verplichtingen voldoen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de inspecteur in dit geval zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven. Hij mag immers een onderzoek voeren met de middelen die hem daarvoor ter beschikking staan. Daarbij geldt naar het oordeel van de rechtbank dat een inspecteur bij aanvang van een onderzoek geen vooropgesteld oordeel hoort te hebben en dat hij open dient te staan voor verklaringen die niet passen in het beeld dat hij heeft van de belastingplichtige. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in deze zaak de grenzen van zijn onafhankelijkheid heeft opgezocht doordat hij geen, althans niet zichtbaar, acht heeft geslagen op antwoorden die belanghebbende gaf op zijn vragen. Zo heeft hij bijvoorbeeld geen acht geslagen op de facturen die belanghebbende met betrekking tot Put en Mastroianni heeft overgelegd en is hij blijven volhouden dat in die gevallen sprake was van zwarte omzet. Ondanks de omstandigheid dat de door de tipgever, de heer Put, geuite beschuldigingen niet in de derdenonderzoeken zijn bevestigd, heeft de inspecteur zijn oordeel niet zichtbaar heroverwogen. Verder heeft de inspecteur zoals de rechtbank in 4.4 heeft geoordeeld niet voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 8:42 Awb. Dit alles geeft de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht een hogere proceskostenvergoeding dan gebruikelijk toe te kennen. Dit leidt evenwel niet tot een volledige vergoeding van belanghebbendes proceskosten. De rechtbank komt tot een hogere vergoeding dan gebruikelijk door uit te gaan van een zwaardere wegingsfactor voor de zwaarte van de zaak van 2 in plaats van 1.

4.17.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46.

5.2.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het oordeel in 4.16 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.196 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 2).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de informatiebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.196;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 83;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.917.

Deze uitspraak is gedaan op

door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, rechters, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.

2 Artikel 47, aanhef en onderdeel a, Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR).

3 Artikel 49, eerste lid, AWR.

4 Hoge Raad 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8475.

5 Artikel 52a, eerste lid, AWR.

6 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.