Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3296

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
BRE-19_1411
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 9-8-2021
FutD 2021-2555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1411

uitspraak van 14 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.164 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.987 (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking € 417 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Het tegen de aanslag gemaakte bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur op 2 januari 2019 ontvangen.

1.3.

Belanghebbende heeft de inspecteur op 18 maart 2019 een ingebrekestelling gestuurd, omdat de inspecteur nog niet heeft beslist op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling is op 21 maart 2019 door de inspecteur ontvangen.

1.4.

Belanghebbende heeft op 20 maart 2019 beroep ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit. Dit beroepschrift is door de rechtbank op 21 maart 2019 ontvangen. Bij beroepschrift van 8 april 2019, ontvangen bij de rechtbank op 9 april 2019, heeft belanghebbende de uitspraak op bezwaar van 27 maart 2019 ten aanzien van de aanslag overgelegd. In die uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 47.

1.5.

Bij separaat schrijven van 27 maart 2019 is het verzoek om een dwangsom afgewezen.

1.6.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brieven van 2 april 2021 en 12 april 2021 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda, waarop tezamen, maar niet gevoegd, zijn behandeld de beroepen met zaaknummers BRE 18/2969, 18/2970, 18/3209 tot en met 18/3219, 18/3221 en 18/3223, 18/3604 tot en met 18/3606 en 19/1406 tot en met 19/1411. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerders].

1.9.

De inspecteur heeft ter zitting exemplaren van een pleitnota, met een bijlage, overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Na een ingelaste leespauze heeft belanghebbende verklaard voldoende kennis van de pleitnota en de bijlage te hebben genomen om daarop te kunnen reageren.

1.10.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is sinds de oprichting van [A BV] (hierna: de BV) op [datum] 1987 enig bestuurder en aandeelhouder.

2.2.

Belanghebbende bezit een onroerende zaak gelegen aan [adres 1] in [plaats X] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende heeft de onroerende zaak tot 1 april 2012 verhuurd aan de BV. Sinds 1 april 2012 verhuurt belanghebbende de onroerende zaak aan een derde, [B BV] (hierna: [B BV]). De met [B BV] overeengekomen aanvangshuur bedraagt € 88.000 per jaar exclusief omzetbelasting. De huurovereenkomst met [B BV] is aangegaan voor een periode van vijf jaar met een optie tot verlenging. De verhuur van de onroerende zaak aan [B BV] is na de periode van vijf jaar met één jaar verlengd. Sindsdien staat de onroerende zaak leeg.

2.3.

Op 31 maart 2010 is een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2010. De uitkomsten van dat onderzoek zijn vervat in een rapport van 2 augustus 2010. Dat rapport bevat onder andere het volgende:

“De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het ontwikkelen en verkopen van software, de ontwikkeling en produktie en handel in technische systemen en het verstrekken van technische adviezen en begeleiding bij produktontwikkeling.

(…)

Het product vindt geen aftrek bij de ondernemers; vanaf 2002 draait [A BV] met verlies. Eind 2006 is het enige personeelslid ontslagen. [A BV] onderneemt momenteel nagenoeg geen activiteiten. In 2008 en 2010 heeft [A BV] een aantal onderdelen geleverd aan een klant die in het verleden een besturings-systeem heeft aangeschaft.

[belanghebbende] verklaarde bezig te zijn met de ontwikkeling van een nieuw product. De werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het raadplegen en verzamelen van gegevens via internet (…) en het nadenken over de te volgen stappen in de toekomst. [belanghebbende] verwacht over ruim twee jaar meer duidelijkheid over zijn plannen.”.

2.4.

Op 18 februari 2015 heeft de inspecteur een vragenbrief gestuurd over de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. Vervolgens is in de brief van 3 april 2015 aangekondigd dat een boekenonderzoek wordt gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2015.

2.5.

Bij brief van 24 juli 2015 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek bij de BV wordt uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting van de BV over de jaren 2009 tot en met 2013. In een brief van diezelfde dag heeft de inspecteur aangekondigd dat hij van plan is om een boekenonderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2013. Laatstgenoemde brief van 24 juli 2015 vermeldt dat het boekenonderzoek zich beperkt tot de “fiscale aspecten aangaande uw onroerende zaken die aan vennootschap(pen) ter beschikking zijn gesteld (bedrijfspand [adres 1] te [plaats X] en de loods [adres 2] België)”.

2.6.

Op 7 juli 2016 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2014 gedaan. De aangifte IB/PVV 2014 is gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 198.356 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.767, waarvan € 18.627 aan belanghebbende wordt toegerekend.

2.7.

Op 31 mei 2018 heeft de inspecteur een verzoek om informatie gestuurd naar aanleiding van de ontvangen aangifte IB/PVV 2014. Dat verzoek om informatie luidt als volgt:

“Ik ontving de aangiften inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2014 van de heer [belanghebbende], burgerservicenummer [bsn]. Om deze aangifte te kunnen beoordelen, heb ik meer informatie nodig. In deze brief leest u onder punt 1 om welke informatie het gaat. Tevens ben ik van plan om op een aantal punten van de aangiften af te wijken. In deze brief informeer ik u hierover onder punt 2. Onder punt 3 leest u hoe en binnen welke termijn u kunt reageren op deze brief.

1 Verzoek om informatie

Box 1 Resultaat uit ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen

TBS Balans waarden 1 januari en 31 december

De volgende bezittingen en schulden staan op de tbs balans:

Begin

Eind

[adres 2] (Bel)

52.750

52.750

Rekening courant [A BV]

110.450

196.455

Lening o/g [A BV]

75.328

75.328

Om te kunnen beoordelen of de rekening courantvordering van [A BV] en de lening van [A BV] voor de juiste waarde zijn opgenomen, verzoek ik u mij de rekeningcourantovereenkomst, de leningsovereenkomst en overzichten/grootboekrekeningen van de rekening courant en de lening toe te sturen.

Ten behoeve van welke bezitting is de lening o/g aangegaan? Kunt u een nadere

toelichting geven?

Box 3 Voordeel uit sparen en beleggen

In de aangiften 2013 en 2014 worden de volgende bezittingen aangegeven in box 3.

1 januari 2013

1 januari 2014

Bankbezittingen

45.091

59.040

Aandelen, obligaties, ed

16.747

23.178

Overige onroerende zaken

211.000

670.250

De bankbezittingen nemen toe. Tevens neemt de rekening-courant vordering op [A BV] toe zoals blijkt uit de tbs balans. [belanghebbende en partner] hebben geen inkomen. Graag ontvang ik een toelichting op de toename in de bankbezittingen en de rekening-courant vorderingen. Waar komt het geld vandaan? Graag ontvang ik stukken waaruit dat blijkt.

2 Voornemen tot afwijken van de aangiften

Box 1 Resultaat uit overige werkzaamheden

[adres 1] [plaats X]

Uw cliënt vermeldt in zijn aangifte 2014 € 228.932 voor kosten bij resultaat ter beschikking stellen vermogensbestanddelen. Als toelichting wordt aangegeven dat het gaat om boekverlies [adres 1] wegens einde tbs 01-04-2012. Ik ben voornemens om deze kosten te corrigeren. Ik verwijs u naar het rapport d.d. 26 oktober 2017 van het boekenonderzoek dat is ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 en de correspondentie die ik hierover met [belanghebbende] heb gevoerd. Het boekresultaat bedraagt positief € 22.068. Hiermee wordt rekening gehouden bij de vaststelling van het inkomen over 2012 aangezien de terbeschikkingstelling van het pand aan [A BV] in dat jaar is beëindigd.

[adres 2] België

Na de controle naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 is vastgesteld dat het pand aan [adres 2] volledig in box 3 valt, omdat niet is aangetoond dat [A BV] het pand (gedeeltelijk) gebruikt. Op grond van de huidige regels omtrent de voorkoming van dubbele belasting van het belastingverdrag Nederland-België leidt een eventuele correctie in de rubricering en/of waardering van het pand aan niet tot inkomensheffing in Nederland voor het jaar 2014. In het rapport van de controle d.d. 26 oktober 2017 is daarom aangegeven dat voor het jaar 2014 geen correctie toegepast zal worden.

In toekomstige aangiften dient het pand volledig te worden aangegeven in box 3, waarna in de aangifte tevens een voorkoming van dubbele belasting kan worden gevraagd.

Box 2 Inkomen uit aanmerkelijk belang

Door [A BV] gemaakte privékosten van [belanghebbende]

Over 2014 merk ik een bedrag van € 2.423+ € 509 (BTW) = € 2.932 aan als reguliere voordelen in box 2. Voor een toelichting verwijs ik u naar hoofdstuk 3.2.1 en hoofdstuk 4 van het rapport d.d. 26 oktober 2017 van het boekenonderzoek dat is ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2011 t/m 2013 en de aangiften omzetbelasting tijdvak 1 januari 2012 t/m 31 maart 2017 ten name van [A BV]. Dit rapport is naar [A BV] gestuurd.

Box 3 Voordeel uit sparen en beleggen

Bezittingen: onroerende zaken [adres 1]

In de aangifte wordt een bedrag vermeld van € 521.000 voor het pand aan [adres 1] te [plaats X]. Ik ben van plan de waarde te corrigeren naar € 720.000. Dit is de waarde die de taxateur van de Belastingdienst heeft vastgesteld. Ik verwijs u naar het controlerapport d.d. 26 oktober 2017 ten name van [belanghebbende] en naar mijn brief van 3 november 2016.

Bezittingen: onroerende zaken [adres 2] België

In de aangifte wordt een bedrag vermeld van € 158.250 voor het pand aan [adres 2] België. Na de controle naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 is vastgesteld dat het pand aan [adres 2] volledig in box 3 valt, omdat niet is aangetoond dat [A BV] het pand (gedeeltelijk) gebruikt. Op grond van de huidige regels omtrent de voorkoming van dubbele belasting van het belastingverdrag Nederland-België leidt een eventuele correctie in de rubricering en/of waardering van het pand aan niet tot inkomensheffing in Nederland voor het jaar 2014. In het rapport van de controle d.d. 26 oktober 2017 is daarom aangegeven dat voor het jaar 2014 geen correctie toegepast zal worden.

In toekomstige aangiften dient het pand volledig te worden aangegeven in box 3 voor de waarde in het economische verkeer, waarna in de aangifte tevens een voorkoming van dubbele belasting kan worden gevraagd.”.

2.8.

Op 7 september 2018 is aan belanghebbende een herhaald informatieverzoek verzonden, dat naast de aangifte IB/PVV 2014 ook betrekking had op de ingediende aangiften IB/PVV 2015 en 2016. In de brief van 7 september 2018 vermeldt de inspecteur dat de vragen zijn gesteld op basis van artikel 47 AWR.

2.9.

Per brief van 1 november 2018 bericht de inspecteur dat hij bij de aanslagregeling zal afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2014, omdat een reactie van belanghebbende op de gestelde vragen is uitgebleven. De inspecteur licht de afwijkingen als volgt toe:

“1. Afwijking van de aangifte

Box 1 Resultaat uit overige werkzaamheden

[adres 1] in [plaats X]

U vermeldt in uw aangifte inkomstenbelasting 2014 een bedrag van € 228.932 voor kosten bij resultaat ter beschikking stellen vermogensbestanddelen. Als toelichting wordt aangegeven dat het gaat om boekverlies [adres 1] wegens einde terbeschikkingstelling op 1 april 2012. Ik ben voornemens om deze kosten te corrigeren. Ik verwijs u naar het rapport d.d. 26 oktober 2017 van het boekenonderzoek dat is ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 en de correspondentie die

hierover met u is gevoerd.

[adres 2] België

U vermeldt op de TBS balans onder anderen het volgende:

01-01-2014

31-12-2014

[adres 2] (Bel)

€ 52.750

€ 52.750

Na de controle naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 is vastgesteld dat het pand aan [adres 2] volledig in box 3 valt, omdat niet is aangetoond dat [A BV] het pand (gedeeltelijk) gebruikt. In het rapport van de controle d.d. 26 oktober 2017 is aangegeven dat voor het jaar 2014 geen correctie zal worden toegepast.

In toekomstige aangiften dient het pand volledig te worden aangegeven in box 3, waarna in de aangifte tevens aftrek ter voorkoming van dubbele belasting kan worden gevraagd. U hebt het pand in 2014 voor een deel (€ 158.250) aangegeven in box 3.

Box 2 Inkomen uit aanmerkelijk belang

Door [A BV] gemaakte privékosten van [belanghebbende]. Over 2014 zou nog een bedrag van € 2.423+ € 509 (BTW) = € 2.932 als reguliere voordelen in box 2 worden aangemerkt. Voor een toelichting verwijs ik u naar hoofdstuk 3.2.1 en hoofdstuk 4 van het rapport d.d. 26 oktober 2017 van het boekenonderzoek dat is ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften

vennootschapsbelasting 2011 t/m 2013 en de aangiften omzetbelasting tijdvak 1 januari 2012 t/m 31 maart 2017 ten name van [A BV]. Dit rapport is naar [A BV] gestuurd.

Doordat deze kosten in de Vennootschapsbelasting zijn geaccepteerd, zal ik het

bedrag van € 2.932 niet als een uitdeling aanmerken in de box 2.

Box 3 Voordeel uit sparen en beleggen

Bezittingen: onroerende zaken [adres 1] in [plaats X]

In de aangifte wordt een bedrag vermeld van € 521.000 voor het pand aan [adres 1] te [plaats X]. In het controlerapport d.d. 26 oktober 2017 ten name van [belanghebbende] en in de brief van 3 november 2016 is toen bepaald dat de waarde naar € 720.000 zou worden gecorrigeerd.

Een taxateur van de Belastingdienst heeft de waarde van dit pand op 1 januari 2013 bepaald op € 680.000. Ik ben daarom van plan de waarde te corrigeren naar € 680.000.

Bezittingen: onroerende zaken [adres 2] België

In de aangifte wordt een bedrag vermeld van € 158.250 voor het pand aan [adres 2] België. Na de controle naar de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2011 t/m 2013 is vastgesteld dat het pand aan [adres 2] volledig in box 3 valt, omdat niet is aangetoond dat [A BV] het pand (gedeeltelijk) gebruikt. Op grond van de huidige regels omtrent de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van het belastingverdrag Nederland-België leidt een eventuele correctie in de rubricering en/of waardering van het pand niet tot inkomensheffing in Nederland voor het jaar 2014. In het rapport van de controle d.d. 26 oktober 2017 is daarom aangegeven dat voor het jaar 2014 geen correctie toegepast zal worden.

In toekomstige aangiften dient het pand volledig te worden aangegeven in box 3 voor de waarde in het economische verkeer, waarna in de aangifte tevens aftrek ter voorkoming dubbele belasting kan worden gevraagd.

Correctie 2014

Gezien het verstrijken van de aanslagtermijn en in verband met het behoud van rechten, ben ik niet meer in de gelegenheid om het verder te onderzoeken. Ik zal om die reden dan ook op de onderstaande punten van de aangifte afwijken.

Box 1 Resultaat uit overige werkzaamheden

Uw aangifte

Na correctie

Bruto resultaat uit TBS

€ 3.528

€ 3.528

Kosten bij TBS

€ 228.932 -

€ 0 -

-/- € 225.404

€ 3.528

TBS-vrijstelling 12%

-/- € 27.048 -

€ 423 -

Netto resultaat uit TBS

-/- € 198.356

€ 3.105

Box 3 Voordeel uit sparen en beleggen

Bezittingen

Uw aangifte

Na correctie

Bank

€ 59.040

€ 59.040

Aandelen, obligaties e.d.

€ 23.178

€ 23.178

Onroerende zaken:

- [adres 1] in [plaats X]

- [adres 2] België

€ 521.000

€ 158.250 +

€ 680.000

€ 158.250 +

Totale waarde bezittingen

€ 761.468

€ 920.468

Schulden

€ 0 -

€ 0 -

Heffingsvrij vermogen

€ 42.278-

€ 42.278 -

Rendementsgrondslag

€ 719.190

€ 878.190

Ad: [adres 2] België

In het controlerapport van d.d. 26 oktober 2017 is aangegeven dat de waarde van het pand aan [adres 2] in België voor het jaar 2014 niet zal worden gecorrigeerd. Tevens heeft u recht op aftrek ter voorkoming dubbele belasting.

(…)”.

2.10.

Met dagtekening 22 november 2018 stelt de inspecteur de aanslag vast. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de aangifte IB/PVV gecorrigeerd conform het vermelde in het onder 2.9 opgenomen brief.

2.11.

Belanghebbende maakt op 2 januari 2019 bezwaar tegen de aanslag.

2.12.

Op 18 februari 2019 stelt de inspecteur voor om het bezwaar aan te houden tot is beslist op het beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2013.

2.13.

In zijn brief van 14 maart 2019 vermeldt de inspecteur dat belanghebbende niet heeft gereageerd op voornoemde brief van 18 februari 2019. De inspecteur stelt belanghebbende nogmaals in de gelegenheid om te reageren op het verzoek om aanhouding van het bezwaar. Verder nodigt de inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek op 27 maart 2019 om 10:00 uur, indien belanghebbende niet akkoord gaat met aanhouding van het bezwaar.

2.14.

Op 18 maart 2019, ontvangen door de inspecteur op 21 maart 2019, stelt belanghebbende de inspecteur in gebreke, omdat nog niet is beslist op het bezwaar.

2.15.

De inspecteur doet op 27 maart 2019 uitspraak op bezwaar. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. Belanghebbende is niet verschenen bij het op 27 maart 2019 geplande hoorgesprek en hij heeft ook niet op een andere wijze gereageerd op de uitnodiging voor een hoorgesprek.

2.16.

Bij separaat schrijven van 27 maart 2019 is het verzoek om een dwangsom afgewezen.

2.17.

Tot de stukken van het geding behoort een door de inspecteur overgelegd taxatierapport (hierna: het taxatierapport) met datum 21 mei 2019 opgemaakt door J.M. Geerlings (hierna: de taxateur). In het taxatierapport concludeert de taxateur dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak in verhuurde staat op 1 januari 2014 € 640.000 bedraagt. De taxateur heeft zijn bevindingen gebaseerd op een zichttaxatie vanaf de openbare weg en op gegevens van een inpandige taxatie die in 2016 door een collega heeft plaatsgevonden. In het taxatierapport heeft de taxateur de waarde in het economische verkeer van de onroerende bepaald aan de hand van het brutoaanvangsrendement (BAR) en de vergelijkingsmethode.

3 Geschil

3.1.

In geschil is:

I. Is terecht griffierecht geheven?

II. Is de aanslag tijdig vastgesteld?

III. Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd (artikel 8:42 Awb)?

IV. Is de hoorplicht geschonden?

V. Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

VI. Heeft de inspecteur de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak naar een te hoog bedrag vastgesteld?

VII. Is terecht en naar het juiste bedrag een beschikking belastingrente gegeven?

VIII. Dient aan belanghebbende een schadevergoeding te worden toegekend?

IX. Dient aan belanghebbende een dwangsom te worden toegekend?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag conform de ingediende aangifte, tot een (immateriële) schadevergoeding, tot vergoeding van de (werkelijke) proceskosten en tot toekenning van een dwangsom. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.164 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.387.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: de ontvankelijkheid van het beroep

4.1.1.

Het beroepschrift van 20 maart 2019, ontvangen op 21 maart 2019, is ingediend voordat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat beroep richt zich volgens belanghebbende op het niet tijdig nemen van een besluit, namelijk het doen van uitspraak op bezwaar.

4.1.2.

Op grond van artikel 6:12 Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra (i) het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en (ii) twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Aan die laatste voorwaarde is niet voldaan. Van een situatie als bedoeld in lid 3 van artikel 6:12 Awb, waarin van belanghebbende kan niet gevergd worden dat een ingebrekestelling vereist is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

4.1.3.

Met het aanvullende beroepschrift van 8 april 2019, door de rechtbank ontvangen op 9 april 2019, heeft belanghebbende evenwel tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 27 maart 2019 over de aanslag IB/PVV 2014. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Vooraf: griffierecht

4.2.1.

Tijdens de zitting van 15 april 2021 zijn meerdere zaken van belanghebbende behandeld. Het beroepschrift in een deel van die zaken is ingediend in 2018, het beroepschrift dat ziet op de overige behandelde zaken is in 2019 ingediend. Belanghebbende stelt dat – voor zover hier van belang – vanwege de samenhang tussen de diverse procedures slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd voor de zaken van belanghebbende waar het gezamenlijke beroepschrift in 2019 is ingediend.

4.2.2.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is onder meer griffierecht verschuldigd indien het beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten is gericht. De griffier heeft daar uitvoering aan gegeven en ter zake van het onderhavige beroep griffierecht geheven. De overige besluiten waartegen het beroepschrift uit 2019 is gericht, zijn geen samenhangende zaken. Die besluiten zien namelijk op de BV of op de afwikkeling van het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking ten aanzien van de voorgenomen aanslagen IB/PVV 2015 en 2016. De griffier heeft in de onderhavige zaak daarom terecht griffierecht geheven.

Tijdigheid aanslag

4.3.1.

De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door het verloop van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.1 De belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.2 Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt voornoemde termijn met de duur van het verleende uitstel verlengd.3

4.3.2.

De aangifte IB/PVV 2014 diende aanvankelijk vóór 1 mei 2015 te zijn gedaan. Voor het doen van de aangifte IB/PVV 2014 is verzocht om uitstel dat door de inspecteur is verleend voor de duur van veertien maanden en twaalf dagen. Dat betekent dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014 met die termijn wordt verlengd. De aanslag IB/PVV 2014 van 22 november 2018 is dus tijdig vastgesteld.

Schending artikel 8:42 Awb

4.4.1.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om te gelasten dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt. Meer in bijzonder heeft belanghebbende gevraagd om overlegging van stukken waaruit volgt dat binnen de Belastingdienst over belanghebbende wordt “gekonkeld”.

4.4.2.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht is om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De inspecteur betwist dat niet is voldaan aan de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb. De inspecteur ontkent nadrukkelijk dat sprake is van meer stukken binnen de Belastingdienst waarin over belanghebbende wordt gesproken. Belanghebbende maakt tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk dat er sprake is van andere stukken waarin over belanghebbende wordt gesproken. Voor het overige heeft belanghebbende het beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb niet gespecificeerd. De rechtbank is ook niet gebleken dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat er meer stukken zijn die op de zaak betrekking hebben dan de door de inspecteur overgelegde stukken.

De hoorplicht

4.5.1.

Op grond van onderdeel 9 Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB) ligt, in afwijking van artikel 25, lid 1, AWR, het initiatief voor het horen van een belanghebbende bij de inspecteur. De inspecteur moet dus aan een belanghebbende vragen of hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden. Onderdeel 9, onder 2, BFB brengt mee dat de inspecteur kan afzien van horen wanneer een belanghebbende niet binnen een door de inspecteur gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden.

4.5.2.

In artikel 7:4 Awb wordt het recht op inzage gekoppeld aan het horen. Een mededeling van een belanghebbende dat hij kennis wil nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet daarom worden opgevat als de in artikel 7:3, letter d, Awb en in onderdeel 9, onder 2, BFB bedoelde verklaring dat een belanghebbende gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Als dit verzoek geclausuleerd is, doet dit niet af aan het voorgaande.4

4.5.3.

Als een belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij door de inspecteur gehoord wil worden, mag de inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie wordt ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek om binnen een bepaalde termijn te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden.5 Uit de omstandigheid dat een belanghebbende in latere stukken niet terugkomt op een eerder gedaan verzoek om gehoord te worden, mag de inspecteur evenmin afleiden dat een belanghebbende afstand doet van het recht om gehoord te worden.6 Het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn kan immers een andere reden of oorzaak hebben. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.7

4.5.4.

Indien is verzuimd om een belanghebbende op de juiste wijze te horen, kan de belastingrechter aan dit verzuim voorbij gaan, indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld. Daarvan is geen sprake indien het gebrek is hersteld doordat de belastingplichtige zijn bezwaren in beroep schriftelijk uiteen heeft gezet.8 Een belastingplichtige is niet benadeeld indien een gebonden beschikking in het geding is en er tussen de inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan.9

4.6.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift niet verzocht om gehoord te worden. In de onder 2.13 vermelde brief heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 maart 2019 om 10:00 uur. Belanghebbende is niet verschenen op het geplande hoorgesprek en hij heeft evenmin op een andere wijze kenbaar gemaakt dat hij gehoord wenst te worden. De inspecteur kon daarom afzien van het horen gelet op artikel 7:3, aanhef en letter d, Awb.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.7.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij de aanslagregeling en bij de behandeling van de bezwaarschriften heeft gehandeld in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo is belanghebbende van mening dat (i) de aanslag onredelijk laat is vastgesteld, (ii) belanghebbende en de BV onevenredig vaak onderwerp zijn geweest van een onderzoek door de inspecteur, (iii) de aanslagen en de uitspraken op bezwaar niet berusten op een deugdelijke motivering en (iv) in de uitspraken op bezwaar geen sprake is van een heroverweging.

4.7.2.

De rechtbank stelt voorop dat de aanslag tijdig is vastgesteld (zie 4.3.2). De inspecteur heeft belanghebbende meerdere malen vragen gesteld over de ingediende aangifte IB/PVV 2014. Die vragen zijn door belanghebbende niet beantwoord. De inspecteur is bevoegd om vragen te stellen over een ingediende aangifte, van misbruik van die bevoegdheid is de rechtbank niet gebleken. Voor zover belanghebbende in deze zaak verwijst naar eerdere onderzoeken en vragen aan hemzelf en/of de BV verwijst de rechtbank naar haar oordeel in de overwegingen 4.7.2 en 4.7.3 in de uitspraak met zaaknummers BRE 18/3214 tot en met 18/3216 ten aanzien van de belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013.

4.7.3.

Ook belanghebbendes beroep op het motiveringsbeginsel wordt door de rechtbank verworpen. De inspecteur heeft in de brieven van 31 mei 2018 en 1 november 2018 inzichtelijk gemaakt waarom hij de aanslag in afwijking van de ingediende aangifte heeft vastgesteld en hoe hij tot het bedrag van de aanslagen gekomen is. De inspecteur is niet verplicht om een dergelijke motivering op het aanslagbiljet te vermelden, maar kan dit ook doen in een apart geschrift. Belanghebbende is het niet eens met de inhoud van voornoemde brieven, maar dat betekent niet dat de inspecteur niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de grondslag is voor het vaststellen van de aanslag.

4.7.4.

Ook de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar niet berust op een heroverweging wordt verworpen. In de uitspraak op bezwaar wordt verwezen naar wat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft aangevoerd. De inspecteur wijst het bezwaar af op grond van gegevens die ook al voorhanden waren bij de aanslagregeling, dit leidt op zichzelf evenmin tot de conclusie dat geen heroverweging heeft plaatsgevonden.

4.7.5.

Alles wat belanghebbende verder naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Zo er al sprake is van een schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur, kan daar niet het door belanghebbende beoogde gevolg, vernietiging van de aanslag, aan worden verbonden.

De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak

4.8.

De terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan de BV is in 2012 beëindigd. Belanghebbende heeft verzuimd om dit op te nemen in de aangifte IB/PVV 2012. De aanslag IB/PVV 2012 is overeenkomstig die aangifte vastgesteld. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling van de aanslag terecht het resultaat uit overige werkzaamheden gecorrigeerd. Het resultaat uit overige werkzaamheden dat belanghebbende aan het einde van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak heeft behaald dient in 2012 verantwoord te worden en niet in het onderhavige jaar. Belanghebbende erkent ook dat dit belastbare feit in 2012 heeft plaatsgevonden. Dat de inspecteur naar de mening van belanghebbende niet voortvarend genoeg de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 heeft vastgesteld doet daar niet aan af.

4.9.

Ingevolge artikel 5.19 Wet IB 2001 worden bezittingen en schulden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Daarmee wordt afgeweken van het waarderingsvoorschrift voor woningen, niet zijnde de eigen woning. Op grond van artikel 5.20 Wet IB 2001 wordt de waarde van een woning, niet zijnde een eigen woning, gesteld op de WOZ-waarde.

4.10.

De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op 1 januari 2014 van € 680.000. In het verweerschrift stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op 1 januari 2014 € 640.000 bedraagt. De inspecteur heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het taxatierapport. De inspecteur is bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer telkens uitgegaan van de waarde die aan de onroerende zaak in verhuurde staat moet worden toegekend.

4.11.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak uitgegaan moet worden van de waarde in onverhuurde staat zodat moet worden aangesloten bij de WOZ-waarde van de onroerende zaak.

4.12.

De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat voor de waarde van de onroerende zaak in onverhuurde staat op 1 januari 2013 kan worden uitgegaan van een bedrag van € 499.000. In zoverre heeft de inspecteur het door hem overgelegde taxatierapport verlaten. De inspecteur blijft bij zijn standpunt dat voor de waarde in het economische verkeer moet worden uitgegaan van de waarde in verhuurde staat. Die waarde is hoger dan de waarde in onverhuurde staat. De inspecteur wijst in dit verband op de met [B BV] overeengekomen huurprijs waarvan tussen partijen niet in geschil is dat deze hoger is dan de marktconforme huurprijs. De waarde die in het economische verkeer aan het huurcontract wordt toegekend dient bij het hiervoor vermelde bedrag van € 499.000 te worden opgeteld. Dat totaalbedrag vormt de waarde van de onroerende zaak in het economische verkeer in verhuurde staat. De inspecteur heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke waarde per 1 januari 2014 aan het huurcontract moet worden toegekend. Daarmee heeft de inspecteur de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2014 niet aannemelijk gemaakt.

4.13.

De door belanghebbende verdedigde waarde vertegenwoordigt naar het oordeel van de rechtbank evenmin de waarde in het economische verkeer zoals bedoeld in artikel 5.19 Wet IB 2001. De wetgever heeft voor de waardering van onroerende zaken die niet als woning dienen bewust een afwijkend waarderingsvoorschrift opgenomen. Aangezien de onroerende zaak een bedrijfspand betreft moet voor de waardering daarvan worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Daarbij speelt de verhuurde staat van de onroerende zaak een rol. Belanghebbende miskent dat en daarom kan de door hem bepleite waarde niet gevolgd worden.

4.14.

Nu beide partijen de door hen bepleite waarde in het economische verkeer niet aannemelijk gemaakt hebben, stelt de rechtbank deze waarde in goede justitie vast op € 570.000. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt daarmee:

Aangegeven bezittingen

€ 761.468

Correctie

€ 49.000

Heffingvrije vermogen

€ 42.278

Rendementsgrondslag

€ 768.190

Belastbare inkomen uit sparen en beleggen

€ 30.727

4.15.

Aan de kanttekeningen die belanghebbende heeft geplaatst bij de taxatie door de taxateur en de door de taxateur gehanteerde methode, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank heeft de waarde in het economische verkeer in goede justitie heeft vastgesteld en niet op basis van de bevindingen van de taxateur.

De beschikking belastingrente

4.16.

Belanghebbende stelt dat hij de juistheid van de beschikking belastingrente niet kan beoordelen, omdat niet inzichtelijk is hoe de rente is berekend. Verder is belanghebbende van mening dat de verschuldigde belastingrente nodeloos is opgelopen, omdat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet voortvarend heeft gehandeld.

4.17.

De inspecteur heeft in het verweerschrift uiteengezet hoe de verschuldigde belastingrente is berekend. Belanghebbende heeft daar niet tegenover gesteld dat de inspecteur bij de berekening van de belastingrente van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De rechtbank is ook niet gebleken dat de beschikking belastingrente niet tot een juist bedrag is vastgesteld. De beschikking belastingrente is daarom terecht en naar het juiste bedrag gegeven. Dat belanghebbende vindt dat de aanslag eerder vastgesteld had kunnen worden doet aan het voorgaande niet af.

Schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft geklaagd dat de behandeling van het bezwaar en beroep onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank vat dit beklag op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken, die aanvangt bij de ontvangst van het bezwaarschrift bij de belastingdienst10.

4.19.

De rechtbank is in de uitspraak met zaaknummers BRE 18/3214 tot en met 18/3216 tot het oordeel gekomen dat sprake is van samenhang tussen die zaken over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013 en de onderhavige zaak over de aanslag. Onder verwijzing naar de overwegingen 4.31 tot en met 4.33 van de zojuist genoemde uitspraak kent de rechtbank in de onderhavige zaak een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn toe van € 375 (1/4 van € 1.500).

4.20.

Belanghebbende heeft nog verzocht om vergoeding van overige (immateriële) schade. Belanghebbende stelt dat deze schadevergoeding “gelet op de toeslagenaffaire” minimaal € 30.000 dient te bedragen.

4.21.

De rechtbank verwerpt het verzoek om schadevergoeding, anders dan de geleden immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Zo er al aanleiding bestaat tot toekenning van een schadevergoeding, geldt dat belanghebbende de door hem geleden schade niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.

Dwangsom

4.22.

Belanghebbende heeft de inspecteur op 21 maart 2019 in gebreke gesteld, omdat nog niet is beslist op het bezwaar tegen de aanslag. De inspecteur heeft vervolgens op 27 maart 2019 uitspraak op bezwaar gedaan.

4.23.

Op grond van artikel 4:17, lid 1, Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken én het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.11 Aangezien de inspecteur binnen twee weken na de schriftelijke ingebrekestellingen heeft beslist op de bezwaren van belanghebbende, is de inspecteur geen dwangsom verschuldigd.

4.24.

Belanghebbende wijst er op dat de inspecteur misbruik maakt van de dwangsomregeling, doordat de inspecteur na de ingebrekestelling op korte termijn uitspraken op de bezwaren heeft gedaan.

4.25.

De rechtbank overweegt dat de regeling over de dwangsom met betrekking tot het niet tijdig beslissen juist bedoeld is om het bestuursorgaan te bewegen om alsnog op korte termijn te beslissen op het bezwaar. Daarbij dienen wel de daarvoor geldende voorschriften in acht te worden genomen. Dat is in het onderhavige geval ook gebeurd. Van enig misbruik door de inspecteur is dan ook geen sprake.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

De inspecteur dient aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 47 vergoeden, omdat het beroep gegrond is.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van proceskosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In zijn brief van 2 april 2021 heeft hij de rechtbank verzocht “de proceskosten te reserveren en na de zitting te mogen begroten”. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij verzoekt om vergoeding van de werkelijke proceskosten en, indien de rechtbank daarvoor geen reden ziet, om de forfaitaire vergoeding. Daaraan heeft belanghebbende toegevoegd, dat hij bij de procedures hulp heeft gehad van adviseurs en daarvoor kosten heeft gemaakt, maar dat deze adviseurs niet op hun naam stukken wilden indienen om hun relatie met de Belastingdienst niet te verstoren.

De inspecteur heeft, gemotiveerd, betwist dat aan belanghebbende rechtsbijstand is verleend.

5.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle stukken van belanghebbende, die in de onderhavige procedure zijn ingebracht, door hemzelf zijn ondertekend. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aan hem beroepsmatige rechtsbijstand is verleend, waarvoor hij kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Dit leidt er tevens toe dat de rechtbank alleen al daarom niet toekomt aan een aparte procedure voor de behandeling van een vergoeding van werkelijke proceskosten. Daaraan voegt de rechtbank toe dat niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep wat betreft de dwangsom ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.164 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.727;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente bij de aanslag dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 375;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2021 door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en mr. H.J. Cosijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Bohnen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is.

De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 11, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

2 Artikel 11, lid 4, AWR.

3 Artikel 11, lid 3, AWR.

4 Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011.

5 Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

6 Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59.

7 Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

8 Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495.

9 Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666.

10 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest).

11 Artikel 4.17, lid 3, Awb.