Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3295

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
BRE-19_1409_1410
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 9-8-2021
FutD 2021-2556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/1409 en 19/1410

uitspraak van 14 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven ten aanzien van de voorgenomen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2015 en 2016.

1.2.

Het tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur op 22 november 2018 ontvangen.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2019 de informatiebeschikking gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 maart 2019, ontvangen bij de rechtbank op 21 maart 2019, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 47.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De rechtbank heeft op 30 maart 2021 een brief gestuurd aan de inspecteur waarin de in het verweerschrift genoemde bijlagen 25 tot en met 29 zijn opgevraagd. Een afschrift van dit verzoek is verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Bij brief van 31 maart 2021, ontvangen bij de rechtbank op 2 april 2021, heeft de inspecteur de bijlagen 25 tot en met 29 bij het verweerschrift overgelegd. Belanghebbende heeft bij brieven van 2 april 2021 en 12 april 2021 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda, waarop tezamen, maar niet gevoegd, zijn behandeld de beroepen met zaaknummers BRE 18/2969, 18/2970, 18/3209 tot en met 18/3219, 18/3221 en 18/3223, 18/3604 tot en met 18/3606 en 19/1406 tot en met 19/1411. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerders].

1.9.

De inspecteur heeft ter zitting exemplaren van een pleitnota, met een bijlage, overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Na een ingelaste leespauze heeft belanghebbende verklaard voldoende kennis van de pleitnota en de bijlage te hebben genomen om daarop te kunnen reageren.

1.10.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Op 18 november 2016 doet belanghebbende aangifte IB/PVV over het jaar 2015. Op 10 november 2017 doet belanghebbende aangifte IB/PVV over het jaar 2016.

2.2.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [A BV] (hierna: de BV). Op 28 mei 2018 is aan de BV een informatieverzoek gestuurd naar aanleiding van de door de BV ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2016.

2.3.

Op 21 juni 2018 is aan [administratiekantoor] een informatieverzoek gestuurd naar aanleiding van de ingediende aangiften IB/PVV 2015 en 2016 van belanghebbende. Dat informatieverzoek luidt als volgt:

“1. Verzoek om informatie

Box 1 Resultaat uit ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen

De volgende bezittingen en schulden staan op de TBS balans:

01-01-2015

31-12-2015

01-01-2016

31-12-2016

[adres], Berneau (Bel)

€ 52.750

€ 52.750

€ 52.750

€ 52.750

Rekening courant [A BV]

€ 196.455

€ 88.566

€ 88.566

€ 68.117

Lening o/g [A BV]

€ 75.328

€ 75.328

€ 75.328

€ 0

Ik zie dat de waarde van de rekening-courantvordering van [A BV] en de lening o/g [A BV] op de TBS balans zijn afgenomen. Om te kunnen beoordelen of die voor de juiste waarden zijn opgenomen, verzoek ik u mij, de volgende informatie te sturen:

- Een specificatie van de mutaties van de rekening-courant of grootboekrekeningen 2015 en 2016 van de rekening-courant;

- De rekeningcourant overeenkomst;

- De leningsovereenkomst;

- Een antwoord op de volgende vragen:

• Ten behoeve van welke bezitting is de lening o/g aangegaan? Kunt u een nadere toelichting geven?

• Met welke middelen heeft uw cliënt de lening o/g [A BV] kunnen aflossen?

• Wat is de herkomst van deze middelen? Graag ontvang ik stukken waaruit dat blijkt.

Box 3 Voordeel uit sparen en beleggen

In de aangiften 2014, 2015 en 2016 worden de volgende bankbezittingen aangegeven in box 3.

01-01-2014

01-01-2015

01-01-2016

Bankbezittingen

€ 59.040

€ 76.401

€ 771.720

De bankbezittingen nemen toe. Graag ontvang ik de volgende informatie van u:

• Een verklaring voor de toenames?

• Stukken die uw verklaring onderbouwen.

• Heeft de toename van de bankbezittingen tussen 2015 en 2016 betrekking op de vaststellingsovereenkomst tussen [A BV], [B BV], [C NV], [D BV] en [belanghebbende] d.d. 14/15 januari 2015?

• Zo ja, dan verzoek ik u nader toe te lichten waarom het bedrag op de privé bankrekening is ontvangen. Volgens de vaststellingsovereenkomst d.d. 14/15 januari 2015, zou het bedrag aan [A BV] toekomen.

• Ik lees in de correspondentie dat uw cliënt aangeeft dat hij de vordering die [A BV] had op [B BV], voor € 1,--in privé heeft overgenomen. De afspraak tussen uw cliënt en [A BV] voor overname van het ontvangen bedrag, is volgens uw cliënt niet op schrift gezet. Graag ontvang ik een toelichting op deze afspraak. Kunt u daarbij ook aangeven of en zo ja waarom u van mening bent dat het hier gaat om een zakelijke afspraak tussen [A BV] en uw cliënt.

Om de zakelijkheid van deze afspraak te kunnen beoordelen ontvang ik graag de volgende informatie:

- Hoe is het bedrag van € 696.062 dat aan [A BV] toekwam en door uw cliënt in privé is overgenomen tot stand gekomen?

- Wat waren de geschillen en wat waren de claims van [A BV] en uw cliënt in de juridische procedures tussen [A BV] en [B BV] (volgens de vaststellingsovereenkomst d.d. 14/15 januari 2015 zaaknummer 87331 / HA ZA 02-1980)?

- Wat waren de geschillen en wat waren de claims van [A BV] en uw cliënt in de juridische procedures tussen [A BV] en [B BV] (volgens de vaststellingsovereenkomst d.d. 14/15 januari 2015 zaaknummer HD 200.088.120)?

- Wat waren de geschillen en wat waren de claims van [A BV] en uw cliënt in de juridische procedures tussen [Holding E] en [A BV] (volgens de vaststellingsovereenkomst d.d. 14/15 januari 2015 zaaknummer 200-112.108/01)?

2. Verdere afhandeling

Ik verzoek u mij uw schriftelijke reactie vóór 16 juli 2018 toe te sturen.

(…)”.

2.4.

Op 29 juni 2018 is aan de BV een aanvullend informatieverzoek verzonden. Op 27 juli 2018 is een herinneringsbrief ten aanzien van dit informatieverzoek verzonden.

2.5.

Op 7 september 2018 is aan belanghebbende een herhaald informatieverzoek verzonden, omdat de fiscaal dienstverlener voor de beantwoording van de gestelde vragen naar belanghebbende verwijst. In de brief van 7 september 2018 vermeldt de inspecteur dat de vragen zijn gesteld op basis van artikel 47 AWR.

2.6.

Met dagtekening 16 oktober 2018 is aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR gegeven ten aanzien van de voorgenomen aanslagen IB/PVV 2015 en 2016. De tekst van de informatiebeschikking luidt als volgt:

“(…)

Op 7 september 2018 zond ik u een vragenbrief met betrekking tot uw aangiften Inkomstenbelasting

2015 en 2016. Met betrekking tot deze aangiften zond een collega van mij op 21 juni 2018 al

vergelijkbare vragen aan uw administrateur, Administratiekantoor Kerhof en Partner (zie bijlage).

Gevraagde informatie

Voor een uitgebreide toelichting op de informatie die ik gevraagd heb, verwijs ik naar mijn brief van

7 september 2018. Een kopie van deze brief treft u als bijlage aan. Samenvattend heb ik de volgende

gegevens opgevraagd:

• Specificatie van de box 1 bezittingen en schulden. In het bijzonder vraag ik om een toelichting op

de mutaties op het rekening-courant en de lening o/g tussen u en uw vennootschap, [A BV]

(hierna: [A BV]), onder toezending van de bijbehorende

overeenkomsten;

• Toelichting, onder toezendding van alle relevante documentatie zoals bankbescheiden, van de

toename van uw box 3-bezittingen;

In 2015 neemt uw vermogen box 3 toe met een bedrag dat is ontvangen als uitvloeisel van een

vaststellingsovereenkomst d.d. 14/15 januari 2015, waarbij ondermeer [A BV] partij was. U

heeft deze betalingen aangegeven in box 3. Ik wil toetsen of deze verwerking juist is en uitsluiten

dat het geen inkomsten betreffen die in box 1 of box 2 aangegeven hadden moeten worden. Om

dit te beoordelen verzocht ik om inzage in alle relevante documentatie / afspraken tussen u en

[A BV] aangaande deze betaling. Ook verzocht ik u om uw toelichting op deze afspraken, zodat

ik de zakelijkheid van de overeenkomst kan toetsen;

• De vaststellingsovereenkomst van 14/15 januari 2015 is door u mede-ondertekend. In deze

overeenkomst worden feiten weergegeven en wordt verwezen naar diverse gerechtelijke

procedures. Ik heb verzocht om alle op die overeenkomst betrekking hebbende achterliggende

stukken, waaronder de gerechtelijke procedures waarnaar verwezen wordt, en een toelichting

hierop.

De beantwoording van mijn vragen is noodzakelijk voor een gedegen behandeling van de ingediende

aangiften inkomstenbelasting 2015 en 2016. Op 28 september 2018 reageerde u op mijn vragenbrief.

In uw brief gaat u niet in op mijn inhoudelijke vragen.

Informatiebeschikking

Nu de door mij gestelde vragen niet zijn beantwoord, ontvangt u deze informatiebeschikking in de zin

van artikel 52e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

(…)”.

2.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 22 november 2018 bezwaar gemaakt.

2.8.

De inspecteur heeft in zijn brief van 20 december 2018 de termijn voor het beslissen op het bezwaar eenzijdig met zes weken verdaagd.

2.9.

In de brief van de inspecteur van 18 januari 2019 wordt aan belanghebbende gevraagd om binnen veertien dagen kenbaar te maken of belanghebbende gehoord wenst te worden. De inspecteur schrijft verder dat indien belanghebbende niet binnen die termijn reageert, de inspecteur ervan uitgaat dat belanghebbende niet gehoord wenst te worden. Ook wordt belanghebbende in deze brief gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 7:4 Awb inzage te verkrijgen in de op zaak betrekking hebbende stukken.

2.10.

Belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief van de inspecteur van 18 januari 2019.

2.11.

In de uitspraak op bezwaar van 7 februari 2019 verklaart de inspecteur het bezwaar ongegrond. Belanghebbende is voorafgaand aan deze beslissing niet gehoord.

3 Geschil

3.1.

In geschil is:

I. Is terecht griffierecht geheven?

II. Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd (artikel 8:42 Awb)?

III. Is de hoorplicht geschonden?

IV. Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

V. Is de informatiebeschikking terecht gegeven?

VI. Dient aan belanghebbende een schadevergoeding te worden toegekend?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de informatiebeschikking, tot een (immateriële) schadevergoeding en tot vergoeding van de (werkelijke) proceskosten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: griffierecht

4.1.1.

Tijdens de zitting van 15 april 2021 zijn meerdere zaken van belanghebbende behandeld. Het beroepschrift in een deel van die zaken is ingediend in 2018, het beroepschrift dat ziet op de overige behandelde zaken is in 2019 ingediend. Belanghebbende stelt dat – voor zover hier van belang – vanwege de samenhang tussen de diverse procedures slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd voor de zaken van belanghebbende waarvoor het gezamenlijke beroepschrift in 2019 is ingediend.

4.1.2.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is onder meer eenmaal griffierecht verschuldigd indien het beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten is gericht. De griffier heeft daar uitvoering aan gegeven en ter zake van het beroep tegen de informatiebeschikking IB/PVV 2015 en 2016 eenmaal griffierecht geheven. De overige besluiten waartegen het beroepschrift uit 2019 is gericht, zijn geen samenhangende zaken. Die besluiten zien namelijk op de BV of op de afwikkeling van het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2014 waarbij geen informatiebeschikking is gegeven. De griffier heeft in de onderhavige zaak daarom terecht eenmaal griffierecht geheven.

Schending artikel 8:42 Awb

4.2.1.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om te gelasten dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt. Meer in bijzonder heeft belanghebbende gevraagd om overlegging van stukken waaruit volgt dat binnen de Belastingdienst over belanghebbende wordt “gekonkeld”.

4.2.2.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht is om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De inspecteur betwist dat niet is voldaan aan de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb. De inspecteur ontkent nadrukkelijk dat sprake is van meer stukken binnen de Belastingdienst waarin over belanghebbende wordt gesproken. Belanghebbende maakt tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk dat er sprake is van andere stukken waarin over belanghebbende wordt gesproken. Voor het overige heeft belanghebbende het beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb niet gespecificeerd.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de brief van belanghebbende van 28 september 2018 waarnaar in de informatiebeschikking wordt verwezen, zich niet in het dossier bevindt. Deze brief kan worden beschouwd als een op de zaak betrekking hebbend stuk. In zoverre zijn niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De rechtbank zal hier evenwel aan voorbij gaan omdat uit de informatiebeschikking volgt dat belanghebbende in deze brief geen inhoudelijke reactie heeft gegeven of informatie heeft verstrekt. Belanghebbende heeft bovendien niet gesteld dat de weergave van de brief door de inspecteur onjuist is en heeft de brief evenmin overgelegd. De rechtbank acht zich daarom voldoende voorgelicht.

De hoorplicht

4.3.1.

Op grond van onderdeel 9 Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB) ligt, in afwijking van artikel 25, lid 1, AWR, het initiatief voor het horen van een belanghebbende bij de inspecteur. De inspecteur moet dus aan een belanghebbende vragen of hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden. Onderdeel 9, onder 2, BFB brengt mee dat de inspecteur kan afzien van horen wanneer een belanghebbende niet binnen een door de inspecteur gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden.

4.3.2.

In artikel 7:4 Awb wordt het recht op inzage gekoppeld aan het horen. Een mededeling van een belanghebbende dat hij kennis wil nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet daarom worden opgevat als de in artikel 7:3, letter d, Awb en in onderdeel 9, onder 2, BFB bedoelde verklaring dat een belanghebbende gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Als dit verzoek geclausuleerd is, doet dit niet af aan het voorgaande.1

4.3.3.

Als een belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij door de inspecteur gehoord wil worden, mag de inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie wordt ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek om binnen een bepaalde termijn te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden.2 Uit de omstandigheid dat een belanghebbende in latere stukken niet terugkomt op een eerder gedaan verzoek om gehoord te worden, mag de inspecteur evenmin afleiden dat een belanghebbende afstand doet van het recht om gehoord te worden.3 Het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn kan immers een andere reden of oorzaak hebben. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.4

4.3.4.

Indien is verzuimd om een belanghebbende op de juiste wijze te horen, kan de belastingrechter aan dit verzuim voorbij gaan, indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld. Daarvan is geen sprake indien het gebrek is hersteld doordat de belastingplichtige zijn bezwaren in beroep schriftelijk uiteen heeft gezet.5 Een belastingplichtige is niet benadeeld indien een gebonden beschikking in het geding is en er tussen de inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan.6

4.4.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift niet kenbaar gemaakt dat hij gehoord wilde worden. In de onder 2.9 vermelde brief heeft de inspecteur aan belanghebbende gevraagd of hij gehoord wil worden. Belanghebbende heeft vervolgens evenmin kenbaar gemaakt dat hij gehoord wenst te worden. De inspecteur kon daarom afzien van het horen gelet op artikel 7:3, aanhef en letter d, Awb.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het geven van de informatiebeschikking en bij de behandeling van het bezwaarschrift heeft gehandeld in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo is belanghebbende van mening dat (i) de inspecteur niet inhoudelijk heeft gereageerd op de stellingen van belanghebbende, (ii) belanghebbende en de BV onevenredig vaak onderwerp zijn geweest van een onderzoek door de inspecteur, (iii) de termijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar nodeloos is verlengd.

4.5.2.

Belanghebbendes beroep op het motiveringsbeginsel wordt verworpen. De inspecteur is in de uitspraak op bezwaar, zij het beknopt, ingegaan op de bezwaren van belanghebbende. Ook vermeldt de uitspraak op bezwaar dat de informatiebeschikking en de uitspraak op bezwaar zien op de voorgenomen aanslagen IB/PVV 2015 en 2016. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat hij en de BV onevenredig vaak onderwerp zijn van onderzoek en vragen verwijst de rechtbank naar haar oordeel in de overwegingen 4.7.2 en 4.7.3 in de uitspraak met zaaknummers BRE 18/3614 tot en met 18/3616 ten aanzien van de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013 en de hierna gegeven oordelen over de rechtmatigheid van de informatiebeschikking.

4.5.3.

Op grond van artikel 7.10, lid 1, Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van lid 3 van artikel 7.10 Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. Als het bestuursorgaan, in dit geval de inspecteur, besluit om gebruik te maken van de in artikel 7.10, lid 3, Awb gegeven bevoegdheid, dan is daarvoor geen instemming van belanghebbende vereist. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur misbruik van deze bevoegdheid heeft gemaakt. Zo heeft de inspecteur belanghebbende na het verdagen van de beslistermijn uitgenodigd voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid overigens geen gebruik gemaakt.

4.5.4.

Alles wat belanghebbende verder naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Indien al sprake zou zijn van een schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur, dan kan daar in dit geval niet het door belanghebbende beoogde gevolg, vernietiging van de informatiebeschikking, aan worden verbonden.

De informatiebeschikking

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte gegeven is, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden die aan een informatiebeschikking gesteld worden. Belanghebbende is van mening dat (i) sprake is van een fishing expedition, (ii) de inspecteur niet exact heeft beschreven welke informatie geleverd moet worden, (iii) de inspecteur niet duidelijk heeft gemaakt of de gevraagde informatie ter inzage moet worden gelegd of moet worden verstrekt, (iv) de inspecteur niet heeft gesteld dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing, (v) de inspecteur informatie heeft gevraagd waarvoor geen wettelijke bewaarplicht geldt en (vi) de inspecteur er geen rekening mee houdt dat belanghebbende niet in staat is de gevraagde informatie en stukken te verstrekken.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust ter zake van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij de informatiebeschikking wegens schending van de informatieverplichting van artikel 47 AWR terecht heeft gegeven.

4.8.

Artikel 47 AWR geeft de inspecteur een ruime bevoegdheid om inlichtingen te vragen. Het artikel bepaalt dat ieder gehouden is aan de inspecteur desgevraagd de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Daarbij is niet van belang of de gegevens en inlichtingen waarom wordt verzocht daadwerkelijk van belang zijn, maar of zij van belang kúnnen zijn voor die belastingheffing. In de parlementaire geschiedenis wordt daarover het volgende opgemerkt:

“Daarbij is het van belang er op te wijzen dat uit de bewoordingen van dit artikel blijkt dat bij de uitvoering van de controletaak respectievelijk het voldoen aan de verplichting tot beschikbaarstelling van bescheiden etc. niet beslissend is of de kennisneming van deze bescheiden van belang is, maar of zij van belang kán zijn voor de belastingheffing. Zoals blijkt uit de jurisprudentie op de bestaande fiscale wetgeving, behoort ook bij de toepassing van artikel 47 elk van de betrokken partijen te doen al wat juist van háár redelijkerwijs verlangd kan worden. Dit betekent dat de belastingplichtige die lichtvaardig beschikbaarstelling van bepaalde bescheiden weigert of lichtvaardig in gebreke blijft deze ter beschikking te stellen, groot risico loopt dat een aanslag door de inspecteur zal worden vastgesteld en dat hij vervolgens in de daarop volgende bezwaarschrift- of beroepsprocedure ingevolge respectievelijk artikel 25 of artikel 29 [rechtbank: thans artikel 27e] zal worden geconfronteerd met de daarin neergelegde omkering van de bewijslast. Anderzijds houdt een juiste vervulling van de controletaak ook in dat de inspecteur – in concreto – in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat de ter inzage gevraagde bescheiden etc. van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.”.

(Kamerstukken II, vergaderjaar 1988-1989, 21 287, nr. 3, blz. 5).

4.9.

Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Daarbij heeft, in het geval van belanghebbende, te gelden dat de inspecteur in redelijkheid een vermoeden moet hebben dat de (aandeelhouders)relatie van belanghebbende tot de BV, de eventuele terbeschikkingstelling aan de BV, de financiële verhoudingen met de BV en de vermogenstoename van belanghebbende in privé van belang zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.

4.10.

De rechtbank acht aannemelijk dat de bij brieven van 21 juni 2018 en 7 september 2018 gevraagde informatie voor de belastingheffing van belanghebbende over de jaren 2015 en 2016 van belang kan zijn. De vordering van de inspecteur tot het verschaffen van inlichtingen is voldoende onderbouwd en van een fishing expedition is geen sprake. De inspecteur heeft ook voldoende geconcretiseerd welke gegevens en inlichtingen belanghebbende dient te verstrekken. Het betoog van belanghebbende dat de inspecteur niet heeft vermeld of belanghebbende de gegevens moest overleggen of voor inzage ter beschikking moest stellen, wordt door de rechtbank verworpen. De brief van 7 september 2018 vermeldt immers “Ik verzoek u onze vragen te beantwoorden onder toezending van alle relevante documentatie.”. Die zin kan (redelijkerwijs) niet anders worden opgevat dan een verzoek om toezending van de relevante gegevens voorzien van inlichtingen.

Verder is belanghebbende van mening dat de inspecteur ten onrechte vragen stelt over de aangiften IB/PVV 2015 en 2016, omdat de vragen zien op posten die in voorgaande jaren ook al in de aangiften IB/PVV staan vermeld of waarvan in de aangiften IB/PVV vermelde bedragen aansluiten op de bedragen in de aangiften VPB van de BV. De rechtbank is van oordeel dat die omstandigheden niet in de weg staan aan het stellen van vragen door de inspecteur.

Ook de stellingen van belanghebbende die er op neerkomen dat de inspecteur vraagt naar gegevens die niet (meer) bestaan of die belanghebbende niet voorhanden heeft, worden door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat deze niet onderbouwde uitlatingen van belanghebbende een onvoldoende motivering zijn voor het niet (meer) voorhanden hebben van de gegevens.7 De gevraagde inlichtingen zien vrijwel uitsluitend op de financiële verhoudingen tussen belanghebbende en de BV. De BV is administratieplichtig en daarom op grond van artikel 52 AWR gehouden om op een zodanige wijze administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen voor de heffing van belasting daaruit blijken. Belanghebbende is enig bestuurder en aandeelhouder van de BV en kan uit dien hoofde beschikken over die gegevens waaruit ook gegevens volgen die voor de belastingheffing van belanghebbende van belang kunnen zijn. Daarbij komt nog dat de rechtbank belanghebbende ter zitting heeft voorgehouden dat belanghebbende enerzijds verklaart dat hij slechts gegevens en inlichtingen wenst te verstrekken als de rechtbank dit aan hem opdraagt en belanghebbende anderzijds betoogt dat de gevraagde gegevens en inlichtingen niet verstrekt kunnen worden. Belanghebbende heeft tijdens de zitting herhaald dat hij, indien hem dit door de rechtbank wordt opgedragen, een toelichting kan geven op de vragen van de inspecteur. De blote stellingname van belanghebbende dat hij niet beschikt over de gevraagde stukken is daarmee tegenstrijdig en ook in dat licht bezien onvoldoende onderbouwd.

4.11.

Voor zover het gaat om informatieverplichtingen, zoals in dit geval de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 47 AWR, strekt deze regeling ertoe te bevorderen dat een belanghebbende zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt over de gevolgen, met name voor zijn bewijspositie, indien hij niet voldoet aan een informatieverzoek van de inspecteur.8 Daarmee strookt dat de rechter al in het kader van een procedure over de informatiebeschikking kan beslissen of het volgens die beschikking gepleegde verzuim van dien aard is dat het zal kunnen leiden tot de in de artikelen 25, lid 3, en 27e, lid 1, AWR voorziene gevolgen voor de bewijspositie van de belanghebbende (de zogenoemde omkering van de bewijslast). Dit strookt met de parlementaire toelichting bij de regeling, waarin is opgemerkt dat de belanghebbende in het kader van bezwaar en beroep tegen de informatiebeschikking onder meer kan aanvoeren dat het onredelijk is omkering van de bewijslast toe te passen.9 Belanghebbende heeft niet aangevoerd dat het onredelijk is om de omkering en verzwaring van de bewijslast toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat de in de informatiebeschikking geconstateerde informatieverzuimen tot omkering en verzwaring van de bewijslast zullen kunnen leiden.

4.12.

Het overwogene onder 4.11 neemt niet weg dat de vraag of de omkering van de bewijslast op haar plaats is ook aan de orde kan worden gesteld in de procedure over een belastingaanslag of beschikking die is opgelegd of gegeven nadat een op die aanslag of beschikking betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.10

4.13.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen dient te verstrekken. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat een termijn van zes weken voldoende is om de gevraagde gegevens en inlichtingen te kunnen verstrekken. De rechtbank zal belanghebbende daarom een termijn van zes weken geven om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.

Schadevergoeding

4.14.

Belanghebbende heeft geklaagd dat de behandeling van het bezwaar en beroep onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank vat dit beklag op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken, die aanvangt bij de ontvangst van het bezwaarschrift bij de belastingdienst11.

4.15.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet op de uitgangspunten van het overzichtsarrest; een redelijke termijn van twee jaar in een geval als het onderhavige, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (22 november 2018), de datum waarop de uitspraken op bezwaar zijn gedaan (7 februari 2019), de datum van deze uitspraak (14 mei 2021) en de vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding van de redelijke termijn, heeft belanghebbende in beginsel recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500.

4.16.

De rechtbank ziet voor de vergoeding van de immateriële schade aanleiding tot matiging wegens gezamenlijk procederen. De Hoge Raad heeft daarover in het overzichtsarrest en het arrest van 17 november 201712 het volgende overwogen:

“3.10.3. De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie HR 30 januari 2015, nr. 14/01954, ECLI:NL:HR:2015:147, BNB 2015/195).”.

en

“3.2.4. (…) Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een matiging als hiervoor omschreven alleen aan de orde zijn indien sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).”.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke behandeling van de onderhavige zaken van belanghebbende met de zaak 19/1406 ter zake van de aan de BV gegeven informatiebeschikking VPB 2016. Zowel de informatiebeschikking aan belanghebbende als de informatiebeschikking aan de BV ziet immers op het niet voldoen aan de informatieverplichting die grotendeels betrekking heeft op de financiële verhouding tussen belanghebbende en de BV.

4.18.

Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase heeft (van 22 november 2018 tot en met 7 februari 2019) afgerond 3 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase van 6 maanden niet is overschreden. De (totale behandeltermijn van (22 november 2018 tot en met 14 mei 2021) afgerond 2,5 jaar – redelijke termijn 2 jaar =) overschrijding van 0,5 jaar wordt aan de beroepsfase toegerekend. De veroordeling tot schadevergoeding van € 500 zal daarmee worden uitgesproken ten laste van de minister. De rechtbank merkt de minister in zoverre aan als partij in dit geding. Gelet op de gezamenlijke behandeling met de zaak 19/1406 wordt in de onderhavige zaken 2/3 van het basisbedrag van € 500, namelijk € 333, toegekend.

4.19.

Belanghebbende heeft nog verzocht om vergoeding van overige (immateriële) schade. Belanghebbende stelt dat deze schadevergoeding “gelet op de toeslagenaffaire” minimaal € 30.000 dient te bedragen.

4.20.

De rechtbank verwerpt het verzoek om schadevergoeding, anders dan de geleden immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Zo er al aanleiding bestaat tot toekenning van een schadevergoeding, geldt dat belanghebbende de door hem geleden schade niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Hoewel de rechtbank het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, is er aanleiding om op grond van artikel 8:74, lid 2, Awb het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden. Die aanleiding bestaat uit de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep.13

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van proceskosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In zijn brief van 2 april 2021 heeft hij de rechtbank verzocht “de proceskosten te reserveren en na de zitting te mogen begroten”. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij verzoekt om vergoeding van de werkelijke proceskosten en, indien de rechtbank daarvoor geen reden ziet, om de forfaitaire vergoeding. Daaraan heeft belanghebbende toegevoegd, dat hij bij de procedures hulp heeft gehad van adviseurs en daarvoor kosten heeft gemaakt, maar dat deze adviseurs niet op hun naam stukken wilden indienen om hun relatie met de Belastingdienst niet te verstoren.

De inspecteur heeft, gemotiveerd, betwist dat aan belanghebbende rechtsbijstand is verleend.

5.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle stukken van belanghebbende, die in de onderhavige procedure zijn ingebracht, door hemzelf zijn ondertekend en ingediend. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aan hem beroepsmatige rechtsbijstand is verleend, waarvoor hij kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Dit leidt er tevens toe dat de rechtbank alleen al daarom niet toekomt aan een aparte procedure voor de behandeling van een vergoeding van werkelijke proceskosten. Daaraan voegt de rechtbank toe dat niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;

  • -

    gelast dat de minister het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan deze vergoedt;

  • -

    stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag dat deze uitspraak is verzonden, om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.

Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2021 door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en mr. H.J. Cosijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Bohnen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is.

De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011.

2 Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

3 Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59.

4 Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

5 Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495.

6 Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666.

7 Vgl. Hoge Raad 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4248, r.o. 4.3.1.

8 Hoge Raad 18 december 2015,ECLI:NL:HR:2015:3602, r.o. 2.2.1.

9 Kamerstukken II 2008/09, 30 645, nr. 14, blz. 5 en 11.

10 Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130.

11 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest).

12 Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2875.

13 Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.