Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3293

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
BRE_19_1408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 9-8-2021
FutD 2021-2571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1408

uitspraak van 14 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft belanghebbende bij zijn besluit van 30 november 2017 meegedeeld dat zij vanaf 1 november 2017 is uitgeschreven als ondernemer voor de omzetbelasting (hierna, ook wel aangeduid als: btw) en dat haar btw-identificatienummer niet meer geldig is (hierna: het besluit van 30 november 2017).

1.2.

Het tegen die uitschrijving gemaakte bezwaar heeft de inspecteur op 14 december 2017 ontvangen. Belanghebbende heeft bij brief van 12 maart 2018 de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en een dwangsom gevorderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar bij brief van 20 maart 2019, ontvangen bij de rechtbank op 21 maart 2019, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 345.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brieven van 2 april 2021 en 12 april 2021 voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda, waarop tezamen, maar niet gevoegd, zijn behandeld de beroepen bekend onder zaaknummers BRE 18/2969, 18/2970, 18/3209 tot en met 18/3219, 18/3221 en 18/3223, 18/3604 tot en met 18/3606 en 19/1406 tot en met 19/1411. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [A], directeur van belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerders].

1.7.

De inspecteur heeft ter zitting exemplaren van een pleitnota, met een bijlage, overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Na een ingelaste leespauze heeft belanghebbende verklaard voldoende kennis van de pleitnota en de bijlage te hebben genomen om daarop te kunnen reageren.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Bij belanghebbende is met ingang van 15 april 2017 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2017. In het daarvan opgemaakte rapport van 26 oktober 2017 is het standpunt ingenomen dat bij belanghebbende vanaf 1 januari 2015 geen sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting, aangezien zij niet heeft kunnen aantonen dat zij door middel van activiteiten deelneemt aan het economische verkeer. Daarbij is vermeld dat dit gebrek aan activiteiten ook blijkt uit het feit dat belanghebbende vanaf 2012 tot eind oktober 2017 geen omzet heeft gerealiseerd.

2.2.

De inspecteur heeft de registratie van belanghebbende als ondernemer voor de btw gewijzigd, omdat uit informatie is gebleken dat belanghebbendes “activiteiten zijn gestopt of overgedragen”. Belanghebbende is vanaf 1 november 2017 uitgeschreven als ondernemer voor de btw en het aan haar toegekende btw-identificatienummer is ingetrokken. Daarvan heeft de inspecteur aan belanghebbende op 30 november 2017 mededeling gedaan.

2.3.

In zijn verweerschrift van 10 april 2019 heeft de inspecteur meegedeeld dat hij ten onrechte niet heeft beslist op het bezwaarschrift tegen het besluit van 30 november 2017 en dat hij alsnog bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren. Ook zal hij nog een dwangsombeschikking nemen. De uitspraak op bezwaar behoort niet tot de gedingstukken.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of het bezwaar tegen de uitschrijving als btw-ondernemer ontvankelijk is en zo ja, of de inspecteur belanghebbende terecht heeft uitgeschreven als btw-ondernemer en of hij een dwangsom vanwege het niet tijdig doen van uitspraak verschuldigd is. Verder is in geschil of de inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden en of aan belanghebbende een schadevergoeding dient te worden toegekend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, ontvankelijkverklaring van het bezwaar, vernietiging van het besluit van 30 november 2017, herinschrijving als btw-ondernemer en toekenning van een dwangsom en een schadevergoeding. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en ongegrondverklaring van het beroep met betrekking tot de dwangsom.

4 Beoordeling van het geschil

Bezwaar tegen de uitschrijving als OB-ondernemer

4.1.

Belanghebbende stelt dat zij haar activiteiten niet heeft gestopt of overgedragen en ten onrechte is uitgeschreven als btw-ondernemer. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd dat zij als gevolg van die uitschrijving en de intrekking van het btw-nummer geen aangifte voor de omzetbelasting meer kan doen en evenmin bij aangifte kan verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting. Daarom moet het volgens belanghebbende mogelijk zijn tegen het besluit van 30 november 2017 rechtsmiddelen aan te wenden.

4.2.

Het btw-nummer is een instrument dat door de wetgever is voorzien in de terzake geldende fiscale wetgeving, zowel in BTW-richtlijn 2006 als in de Wet OB. Een besluit van de inspecteur tot toekenning of tot intrekking van een btw-nummer dient daarom te worden aangemerkt als een ingevolge de belastingwet genomen besluit in de zin van artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen1 (hierna: AWR). De regels omtrent de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen beslissingen van de Belastingdienst zijn in artikel 26 AWR vastgelegd. Daarin is bepaald dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld indien het betreft een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.

4.3.

Aangezien een besluit tot intrekking van een btw-nummer niet een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking betreft, staat tegen een dergelijk besluit niet ingevolge enige bepaling van de belastingwet het rechtsmiddel van bezwaar of beroep open. Hieruit volgt dat het bezwaar tegen een dergelijk besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verder dient de belastingrechter de belanghebbende die tegen een dergelijk besluit beroep instelt, dat verder aan de ontvankelijkheidseisen voldoet, in dat beroep te ontvangen2. Dit betekent ook dat belanghebbende terecht de mogelijkheid van beroep heeft aangewend tegen het niet doen van uitspraak op haar bezwaar tegen het besluit van 30 november 2017.

4.4.

Aangezien belanghebbende heeft voldaan aan de ontvankelijkheidseisen voor het instellen van beroep zal de rechtbank het beroep tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar gegrond en het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2017 niet-ontvankelijk verklaren.

4.5.

De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de omstandigheid dat omtrent de intrekking van een btw-nummer een rechtsingang bij de bestuursrechter ontbreekt, betekent dat de betrokkene het geschil daarover ter beoordeling van de burgerlijke rechter kan voorleggen3.

4.6.

Belanghebbende klaagt erover dat zij als gevolg van het uitschrijven als btw-ondernemer en het intrekken van het btw-nummer niet meer door middel van een aangifte kan verzoeken om teruggaaf, omdat zonder btw-nummer geen aangifte kan worden gedaan. De rechtbank verwerpt die klacht. Voor belanghebbende is het immers mogelijk een verzoek om teruggaaf in te dienen bij de inspecteur4. Het verzoek om teruggaaf moet weliswaar worden gedaan door het doen van aangifte, maar op grond van artikel 6, lid, 2, AWR dient de inspecteur ieder die daarom verzoekt uit te nodigen tot het doen van aangifte. Dat geldt ook indien de betrokkene niet over een btw-nummer beschikt. Op een vervolgens ingediend verzoek om teruggaaf dient de inspecteur te beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking5.

Dwangsom

4.7.

Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 12 maart 2018 in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. De inspecteur heeft hierop niet gereageerd en geen dwangsombeschikking genomen. Hij is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom in verband met het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2017, omdat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift6.

4.8.

De rechtbank overweegt dat in een geval als het onderhavige, waarin geen bezwaar openstaat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit (tot uitschrijving als btw-ondernemer), het bepaalde in artikel 26 AWR meebrengt dat daardoor evenmin inzake de dwangsom bestuursrechtelijke rechtsbescherming geldt en de burgerlijke rechter bevoegd is7. Het niet-afgeven van een beschikking moet worden opgevat als een afwijzing van het verzoek tot toekenning van een dwangsom. Het bezwaar daartegen dient op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.9.

De slotsom is dat het beroep tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar gegrond en de bezwaarschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de klachten van belanghebbende omtrent schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de inspecteur, het niet-tijdig opleggen van aanslagen, niet horen in de bezwaarfase en het niet overleggen van haar gehele dossier.

Schadevergoeding

4.10.

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst haar “al meer dan 30 jaar aan een stuk (…) stelselmatig met excessieve controles” hindert in haar bedrijfsuitoefening, zich daarbij onbehoorlijk gedraagt en bevoegdheden misbruikt. Belanghebbende stelt dat zij daardoor is benadeeld en dat “kan niet zonder gevolgen blijven”, aldus belanghebbende. In dat verband verzoekt belanghebbende om “vereffening van alle schulden van belastingplichtige(..) door de belastingdienst, vergoeding van tenminste een forfaitair bedrag groot € 30.000, vergoeding van een hoger bedrag dan dat forfait indien de werkelijk schade hoger zal blijken te zijn”. De inspecteur betwist de aanspraak van belanghebbende op deze schadevergoeding.

4.11.

Artikel 8:73 Awb geeft de belastingrechter de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor in 4.8 is overwogen, dat vanwege de omstandigheid dat geen bezwaar openstaat tegen het onderhavige besluit het bepaalde in artikel 26 AWR meebrengt dat daardoor ook inzake de schadevergoeding niet de bestuursrechtelijke rechtsbescherming geldt en de burgerlijke rechter bevoegd is.

4.12.

Belanghebbende heeft in het beroepschrift geklaagd dat zij ‘steeds onnodig lang, soms tot jaren toe, moeten wachten tot de belastingdienst (…) kwesties zou afdoen. En niet zelden kwam de belastingdienst daar weer op terug’. Daaraan heeft zij in de brief van 2 april 2021 toegevoegd dat alle aan belanghebbende opgelegde aanslagen vanaf het boekjaar 2011 tot en met heden niet zijn afgedaan en pas op de zitting van de rechtbank van 15 april 2021 behandeld worden. De rechtbank vat dit beklag op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken, die aanvangt bij de ontvangst van het bezwaarschrift bij de belastingdienst8.

4.13.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ook indien sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar binnen een redelijke termijn op het bezwaar moet worden beslist9. Gelet op de uitgangspunten van het overzichtsarrest; een redelijke termijn van twee jaar in een geval als het onderhavige, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (14 december 2017), de datum waarop het beroepschrift tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar is ontvangen (21 maart 2019), de datum van deze uitspraak (14 mei 2021) en de vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding van de redelijke termijn, heeft belanghebbende in beginsel recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.

4.14.

Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase heeft (van 14 december 2017 tot en met 21 maart 2019) afgerond 16 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase van 6 maanden is overschreden met afgerond 10 maanden. De (totale behandeltermijn (14 december 2017 tot en met 14 mei 2021) van 41 maanden – redelijke termijn 24 maanden =) overschrijding van 17 maanden wordt dan voor (17 maanden – 10 maanden bezwaar =) 7 maanden aan de beroepsfase toegerekend. De veroordeling tot schadevergoeding zal daarmee worden uitgesproken voor (10 : 17 van € 1.500 =) € 882 ten laste van de inspecteur en voor (7 : 17 van € 1.500 =) € 618 ten laste van de minister. De rechtbank merkt de minister in zoverre aan als partij in dit geding.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van proceskosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In haar brief van 2 april 2021 heeft zij de rechtbank verzocht “de proceskosten te reserveren en na de zitting te mogen begroten”. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij verzoekt om vergoeding van de werkelijke proceskosten en, indien de rechtbank daarvoor geen reden ziet, om de forfaitaire vergoeding. Daaraan heeft belanghebbende toegevoegd, dat zij bij de procedures hulp heeft gehad van adviseurs en daarvoor kosten heeft gemaakt, maar dat deze adviseurs niet op hun naam stukken wilden indienen om hun relatie met de Belastingdienst niet te verstoren.

De inspecteur heeft, gemotiveerd, betwist dat aan belanghebbende rechtsbijstand is verleend.

5.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle stukken van belanghebbende, die in de onderhavige procedure zijn ingebracht, door haarzelf en ondertekend door haar bestuurder zijn ingediend. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aan haar beroepsmatige rechtsbijstand is verleend, waarvoor zij kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Dit leidt er tevens toe dat de rechtbank alleen daarom al niet toekomt aan een aparte procedure voor de behandeling van een vergoeding van werkelijke proceskosten. Daaraan voegt de rechtbank toe dat niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar gegrond;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2017 en inzake de dwangsom niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 882;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 618;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. J.M. van der Vegt en mr. H.J. Cosijn, rechters, in aanwezigheid van drs. M.J.G. Letschert, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is alleen ondertekend door mr. J.M. van der Vegt, aangezien de voorzitter en griffier verhinderd zijn.

De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Het arrest van 13 april 2018, r.o. 2.3.4.

2 Het arrest van 13 april 2018, r.o. 2.6.1.

3 Het arrest van 13 april 2018, r.o. 2.4.

4 Artikel 31, leden 2 en 3, Wet OB.

5 Artikel 31, lid 8, Wet OB en het arrest van 13 april 2018, r.o. 2.3.6.

6 Artikel 4:17, lid 6, onderdeel c, Awb.

7 HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, r.o. 4.2.4. en 4.2.6.

8 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest).

9 HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:241, r.o. 2.4.