Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3287

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
BRE_19-2790
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 7-7-2021
FutD 2021-2189
V-N Vandaag 2021/1768
V-N 2021/38.20.12
Belastingadvies 2021/22.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/2790 tot en met 19/2795

uitspraak van 18 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017 naheffingsaanslagen (aanslagnummers [aanslagnummer] .A.01.250.0, [aanslagnummer] .A.01.350.1, [aanslagnummer] .A.01.460.1, [aanslagnummer] ,A.01.660.0, [aanslagnummer] .A.01,650.0 en [aanslagnummer] .750.0) loonheffingen opgelegd, alsmede bij beschikking twee verzuimboetes.

1.2.

De inspecteur heeft bij in drie geschriften vervatte uitspraken op bezwaar van 28 mei 2019 en 11 juni 2019 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 juni 2019, ontvangen bij de rechtbank op 18 juni 2019, beroep ingesteld.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op verzoek van de rechtbank heeft de inspecteur nadere stukken ingebracht. Deze stukken zijn op 20 mei 2021 doorgestuurd naar belanghebbende.

1.6.

Op 21 mei 2021 is bij de rechtbank een brief van belanghebbende binnengekomen, waarin zij verzoekt om uitstel van de zitting en tardiefverklaring van de in 1.5 bedoelde stukken. Belanghebbende het verzoek om tardiefverklaring ter zitting ingetrokken. De rechtbank heeft het verzoek op de hierna onder 4.0 vermelde gronden afgewezen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [persoon 1] en haar gemachtigden P. Janssen en R.M.P.G. Niessen-Cobben, verbonden aan RSM Nederland Belastingadviseurs N.V te Heerlen, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 15 september 2010. De ondernemersactiviteiten van belanghebbende bestaan uit assurantiën, financieringen en in andere vormen van financiële diensten optreden als gevolmachtigd agent, namens verzekeringsmaatschappijen. In de akte van oprichting is onder meer het volgende bepaald:

“(…)

Bestuur

Artikel 16

1. De vennootschap heeft een bestuur, bestaande uit een door de algemene vergadering te bepalen aantal van één of meer bestuurders.

2. Bestuurders worden door de algemene vergadering benoemd en kunnen te allen tijde door de algemene vergadering worden geschorst en ontslagen. (…)

3. Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap.

De algemene vergadering is bevoegd bij een daartoe strekkend besluit, besluiten van het bestuur aan haar voorafgaande goedkeuring te onderwerpen. Die besluiten dienen duidelijk te worden omschreven en schriftelijk aan het bestuur te worden meegedeeld.

(…)

Besluitvorming

Artikel 25

1. Ieder aandeel geeft recht op het uitbrengen van één stem.

2. Alle besluiten van de algemene vergadering waaromtrent bij de wet of bij deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

3. Stemming over zaken geschiedt mondeling, over personen wordt bij ongetekende briefjes gestemd. Indien bij stemming over personen bij de eerste stemming niet de volstrekte meerderheid is verkregen, wordt een herstemming gehouden tussen de twee personen die de meeste stemmen op zich hebben verenigd.

4. Bij staking van stemmen over zaken is het voorstel verworpen.

Bij staking van stemmen over personen beslist het lot.

(…)

SLOTVERKLARINGEN

De comparanten, handelende als gemeld, verklaarden ten slotte:

A. BESTUUR, BOEKJAAR, GEPLAATST KAPITAAL

1. Voor de eerste maal worden tot bestuurders van de vennootschap benoemd, met de titel van algemeen direkteur:

a. de voornoemde rechtspersoon: [BV 1] ;

b. de voornoemde rechtspersoon: [BV 2]

2. (…)

3. Bij de oprichting zijn geplaatst achttienduizend (18.000) aandelen, vertegenwoordigende een geplaatst kapitaal van achttienduizend euro (€ 18.000,00).

4. In het geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door [BV 1] , voornoemd, voor twaalfduizend (12.000) aandelen, genummerd 1 tot en met 12.000 en door [BV 2] , voornoemd, voor zesduizend (6.000) aandelen, genummerd 12.001 tot en met 18.000.

5. De geplaatste aandelen worden volgestort op de wijze en onder de bepalingen hierna sub B en C vermeld. (…)”.

2.2.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [BV 1] is [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [BV 2]

2.3.

Per 1 januari 2011 heeft belanghebbende de aandelen in [BV 3] en [BV 4] verkregen. In het kader van de fusie van de verzekeringskantoren hebben [persoon 1] en [persoon 2] drie overeenkomsten gesloten. In de “AANVULLENDE OVEREENKOMST DEEL 3 van 3” is het volgende overeengekomen:

“AANVULLENDE OVEREENKOMST

DEEL 3 van 3.

VASTSTELLINGSOVEREENKOMST EN/OF KOOPOVEREENKOMST ALS

ONDERDEEL VAN HET TOTAAL VAN 3 OVEREENKOMSTEN

(…)

Afgesproken is er tussen partijen dat er zo spoedig mogelijk een stichting adm.kantoor boven de nieuwe BV [persoon 1] en [persoon 2] zal komen met gelijke stemrechten tussen [persoon 1] en [persoon 2] .

(…)

11 Bij eventuele arbeidsongeschiktheid van een van de partijen zal het salaris en de in deze afspraak onder punt 2 genoemde declaratie tot maximaal 2 jaar na datum ingang ziekte door lopen. Dit geldt alleen bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65% of meer. Na deze periode van 2 jaar heeft de arbeidsongeschikte partij de verplichting om de aandelen van [belanghebbende] aan te bieden aan de andere partij/c.q. aandeelhouder.”.

2.4.

Op 19 april 2011 zijn door notaris [notaris] conceptakten opgesteld. Het betreft de volgende drie conceptakten:

  1. “STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR” betreffende de oprichting van [stichting] ;

  2. “ADMINISTRATIEVOORWAARDEN” betreffende de voorwaarden waaronder de stichting aandelen zal verwerven tegen uitgifte van certificaten op naam;

  3. “LEVERING VAN AANDELEN TER CERTIFICERING” betreffende de levering van de aandelen en de uitgifte van de voor deze aandelen af te geven certificaten.

De notaris heeft deze concepten via e-mail op 19 april 2011 verzonden aan [persoon 1] .

2.5.

De inspecteur heeft op 14 maart 2017 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder andere de aangiften loonheffingen van belanghebbende over de tijdvakken in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Tijdens het boekenonderzoek is medegedeeld dat de controle is uitgebreid met de tijdvakken in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 en de periode 1 januari 2017 tot en met 18 december 2017, met betrekking tot de verzekeringsplicht van belanghebbende voor de werknemersverzekeringen van [persoon 2] .

2.6.

Met dagtekening 6 december 2017 is de naheffingsaanslag loonheffingen over de tijdvakken van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 ten bedrage van € 20.471, ter behoud van rechten, opgelegd. Ook is bij beschikking € 3.813 belastingrente in rekening gebracht.

2.7.

Op 19 december 2017 zijn de aandelen in belanghebbende gecertificeerd. Enig houder van de aandelen in belanghebbende is sinds 19 december 2017 [de stichting] (hierna de Stichting).

2.8.

Van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt op 24 mei 2018 (hierna: het controlerapport). In het controlerapport is onder meer het volgende vermeld:

5.2.2 Verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen

Regelgeving:

Een dienstbetrekking is een arbeidsrelatie die is gebaseerd op een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer. Met deze overeenkomst maken werkgever en werknemer afspraken over de voorwaarden waaronder de werknemer tegen betaling werkt. Meestal leggen de werkgever en werknemer deze afspraken schriftelijk vast, maar zij kunnen dat ook mondeling of stilzwijgend doen.

Een echte dienstbetrekking heeft de volgende kenmerken:

- De werknemer heeft zich verplicht om voor de werkgever te werken (persoonlijke arbeid);

- De werkgever is verplicht om de werknemer voor het werk loon te betalen;

- Tussen de werknemer en de werkgever bestaat een gezagsverhouding.

Er zijn verschillende soorten dienstbetrekkingen:

- echte dienstbetrekking

- fictieve dienstbetrekking

- vroegere dienstbetrekking

Voor verdere informatie wordt verwezen naar:

 de handleiding loonheffingen 2017 hoofdstuk 1;

 de oude en nieuwe (per 1 januari 2016) regeling aanwijzing DGA, waarin wordt uitgelegd wanneer een directeur-grootaandeelhouder verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

Bevindingen:

Tijdens het boekenonderzoek is vastgesteld dat de heren [persoon 1] en [persoon 2] als statutair bestuurders, via hun persoonlijke holding-BV, met respectievelijk 66%% en 33%% aandeelhouder zijn van belanghebbende. Beide heren zijn opgenomen in de loonadministratie van belanghebbende als niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Gezien het feit dat de heer [persoon 1] , door zijn meerderheidsbelang van 66%%, niet tegen zijn wil kan worden ontslagen is dit correct. Echter de heer [persoon 2] kan wel tegen zijn wil door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) worden ontslagen. In de statuten van de vennootschap is hiervoor niks opgenomen. Tijdens het onderzoek heeft de [persoon 3] de aanvullende overeenkomst (deel 3) van de vaststellingsovereenkomst en/of koopovereenkomst (als onderdeel van de drie overeenkomsten) van 1 juli 2010 overlegd. Hierin is opgenomen dat zo spoedig mogelijk (pagina 2) een stichting administratiekantoor wordt opgericht, om te zorgen voor gelijke stemrechten. Tot op heden is dit niet gebeurd.

Conclusie:

Omdat de heer [persoon 2] door zijn minderheidsbelang tegen zijn wil, door de AVA, kan worden ontslagen, is er een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de heer [persoon 2] . Vanaf fusie datum 1 januari 2011 is er sprake van een echte dienstbetrekking en moet naast de reeds afgedragen loonbelasting en premie volksverzekeringen, in het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 18 december 2017, ook de premies voor de werknemersverzekeringen worden berekend en afgedragen. De periode 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 wordt niet gecorrigeerd in verband met de verjaringstermijn van 5 jaar.

Op 30 oktober 2017 heeft een eindgesprek plaats gevonden. Hierbij hebben de heren [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] medegedeeld het niet eens te zijn met ons standpunt. Het is altijd de intentie geweest om door het oprichten van een STAK het stemrecht gelijk te verdelen. Inmiddels per mail de statuten en inschrijving van de STAK, met oprichtingsdatum 19-12-2017, ontvangen.

Standpunt Belastingdienst:

Ondanks bovenstaande argumenten van belanghebbende handhaven wij ons standpunt. De reden is dat er weldegelijk een gezagsverhouding is tussen de AVA en de heer [persoon 2] door zijn minderheidsbelang en onder andere om deze reden verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

Gevolg:

Voor de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 18 december 2017 worden aan belanghebbende, met betrekking tot de geconstateerde onjuistheden, een correctieverplichting opgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar onderdeel 6.2.1 van dit rapport.

Tevens wordt opgemerkt dat de beoordeling van de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen, met ingang van oprichtingsdatum STAK d.d. 19 december 2017, tijdens dit onderzoek ook is beoordeeld. Met ingang van deze datum zijn de heren [persoon 1] en [persoon 2] beide niet verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen.”.

2.9.

De inspecteur heeft een verminderingsbeschikking gegeven met dagtekening 6 juli 2018, waarbij de in 2.6 bedoelde naheffingsaanslag is verminderd met € 12.136 tot een bedrag van € 8.335.

2.10.

Met dagtekening 14 december 2018 is de naheffingsaanslag loonheffingen over de tijdvakken van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 ten bedrage van € 5.965, ter behoud van rechten, opgelegd. Ook is bij beschikking € 1.176 belastingrente in rekening gebracht.

2.11.

De naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 zijn opgelegd met dagtekening 26 april 2019, waarbij tevens bij beschikking belastingrente in rekening is gebracht. Ook is bij beschikking tweemaal een verzuimboete opgelegd. Het betreft de volgende naheffingsaanslagen en beschikkingen:

Jaar

Loonheffingen

Belastingrente

Verzuimboete

2014

6.806

1.187

2015

6.600

887

2016

6.774

639

677

2017

6.712

365

671

2.12.

Bij uitspraken op bezwaar van 28 mei 2019, 11 juni 2019 en 11 juni 2019 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op vraag of ten onrechte premies werknemersverzekeringen zijn nageheven over het loon van [persoon 2] .

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag over de tijdvakken van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot een bedrag van € 1.954 en vernietiging van de overige naheffingsaanslagen en beschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.0.

Bij de onder 1.6 vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 28 mei 2021. De rechtbank heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. De door de inspecteur overgelegde stukken zijn op verzoek van de rechtbank overgelegd.1 Het betreft op de zaak betrekking hebbende stukken, namelijk de aangiften loonheffingen over alle in geschil zijnde tijdvakken, die belanghebbende zelf heeft ingediend en waarvan de inhoud bij belanghebbende bekend mag worden verondersteld. Van een schending van de rechtspositie van belanghebbende, van het beginsel van fairplay en de goede procesorde is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Naheffingsaanslagen

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat ten onrechte premies werknemersverzekeringen zijn nageheven over het loon van [persoon 2] .

4.2.

Ingevolge artikel 20 Ziektewet (hierna: ZW), artikel 15 Werkloosheidswet (hierna: WW), artikel 16 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en artikel 7, lid 1, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) is een werknemer in de zin van de betreffende wetten verzekerd voor die wetten. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.2 In geschil is of [persoon 2] in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat tot belanghebbende en werknemer is.

4.3.

Voor de vraag of [persoon 2] in een zodanige privaatrechtelijke dienstbetrekking staat, is maatgevend of tussen hem en belanghebbende sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 Burgerlijke Wetboek (hierna: BW). Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als zodanig dient te worden aangemerkt, moet worden getoetst of de inhoud van die rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.3Voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW worden als vereisten gesteld een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.4

4.4.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat [persoon 2] persoonlijk arbeid verricht voor belanghebbende en dat hij voor die arbeid van belanghebbende een beloning ontvangt. Bij de vraag of [persoon 2] in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat tot belanghebbende en werknemer is, is uitsluitend in geschil of sprake is van een gezagsverhouding. De inspecteur, die een formele benadering bepleit, heeft gesteld dat [persoon 2] is onderworpen aan het gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende, die statutair bevoegd is te beslissen over het eventuele ontslag van een directeur. Belanghebbende, die een materiële benadering bepleit, heeft gesteld dat de stemverhouding tussen [persoon 1] en [persoon 2] 50 : 50 is, zodat er geen gezagsrelatie is tussen belanghebbende en [persoon 2] .

4.5.

De Hoge Raad5 heeft over het bestaan van een gezagsverhouding het volgende geoordeeld:

“3.3.3. (…) Bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven (…). Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling daarom niet relevant. Dit brengt mee dat de statutaire bestuurder van een BV (hierna ook: directeur) die doorslaggevende zeggenschap heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders van die vennootschap, voor die BV werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst indien hij zich verbonden heeft die werkzaamheden tegen loon te verrichten.”.

4.6.

Gelet op dit arrest moet worden uitgegaan van een formele invulling van het begrip gezagsverhouding. [persoon 2] staat onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende. De stemverhouding tussen [persoon 1] en [persoon 2] is daarbij niet van belang. Er bestaat dus een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [persoon 2] . Gelet op het voorgaande was [persoon 2] dus werkzaam in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot belanghebbende.

4.7.

De arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [persoon 2] wordt bij wijze van uitzondering niet als dienstbetrekking aangemerkt als sprake is van een directeur-grootaandeelhouder.6 In de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (hierna: de Regeling) en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 (hierna: de Regeling 2016) zijn regels gegeven om te bepalen wat in dit verband onder directeur-grootaandeelhouder moet worden verstaan.7 Leidt geen van die regels tot de slotsom dat [persoon 2] directeur-grootaandeelhouder is, dan brengt het hiervoor in 4.6 overwogene mee dat er geen ruimte is om hem desalniettemin niet als werknemer aan te merken wegens het ontbreken van een materiële gezagsverhouding.8

4.8.

In artikel 2 van de Regeling is, wat betreft de tijdvakken in 2012 tot en met 2015, (voor zover van belang) het volgende bepaald:

“1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg wordt verstaan:

a. de bestuurder die (…) houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;

b. de bestuurder die (…) houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;

c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; of

d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die zeggenschap heeft in de algemene vergadering van de vennootschap door tussenkomst van een rechtspersoon.”.

In artikel 2 van de Regeling 2016 is, wat betreft de tijdvakken in 2016 en 2017 (voor zover van belang) het volgende bepaald:

“1. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet arbeid en zorg wordt verstaan:

  1. de bestuurder die (…) houder is van een zodanig aantal aandelen (…) dat hij (…) ingevolge de statuten van de vennootschap over zijn ontslag kan besluiten; of

  2. de bestuurder die (…) houder is van aandelen (…) die ten minste tweederde van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij (…) over zijn ontslag kan besluiten.

2. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet arbeid en zorg wordt tevens verstaan de bestuurder die een zodanige zeggenschap heeft binnen die vennootschap door tussenkomst van een of meer rechtspersonen, waarvan hij bestuurder is (…) of door tussenkomst van vennootschappen waarvan hij aandelen houdt, dat hij hierdoor over zijn ontslag kan besluiten. (…).

3. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, eerste lid, onderdeel b, sub 5°, van de Wet arbeid en zorg worden voorts verstaan bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Indien een bestuurder aandelen van de vennootschap bezit door tussenkomst van een of meer rechtspersonen waarvan hij bestuurder is of van vennootschappen waarvan hij aandelen houdt, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing.”.

4.9.

In het onderhavige geval heeft [persoon 2] zeggenschap in de algemene vergadering van belanghebbende door tussenkomst van [BV 2] Gelet op artikel 2, lid 2, van de Regeling en van de Regeling 2016 is het eerste lid van die bepaling in dat geval van toepassing op die bestuurder. Belanghebbendes stelling dat de Regeling en de Regeling 2016 niet van toepassing zijn, omdat niet [persoon 2] maar [BV 2] statutair bestuurder is, vindt dus geen steun in het recht. De rechtbank dient dus te beoordelen of [persoon 2] kan worden aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 2, lid 1, van de Regeling en van de Regeling 2016.

4.10.

Tot 19 december 2017 hield [persoon 1] , via [BV 1] , 662/3% van de aandelen in belanghebbende en [persoon 2] , via [BV 2] , 331/3% van de aandelen. Ieder aandeel geeft volgens de statuten recht op het uitbrengen van één stem (zie 2.1). Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 van de Regeling en van de Regeling 2016.

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat [persoon 2] en [persoon 1] altijd het oogmerk hebben gehad om op basis van gelijkwaardigheid te handelen. Volgens belanghebbende hebben [persoon 1] en [persoon 2] ook feitelijk op basis van gelijkwaardigheid gehandeld en zijn zij er beiden ook altijd van zijn uitgegaan dat sprake was van gelijkwaardigheid. Volgens belanghebbende was gelijkwaardigheid van [persoon 1] en [persoon 2] één van de voorwaarden waaronder hun zelfstandige verzekeringskantoren per 1 januari 2011 zijn gefuseerd. Belanghebbende heeft gesteld dat de verdeling van de aandelen in belanghebbende tussen [BV 1] (662/3%) en [BV 2] (331/3%) is gebaseerd op (de waarde van) de inbreng van de respectieve verzekeringskantoren. Voor de verdeling van de stemrechten is volgens belanghebbende gekozen voor een 50:50-verdeling, die is gebaseerd op ieders persoonlijke inbreng en relevantie binnen belanghebbende. [persoon 2] beschikt immers over de voor het voeren van een volmachtsbedrijf benodigde diploma’s. Volgens belanghebbende is de verdeling van de stemrechten overeengekomen in de “AANVULLENDE OVEREENKOMST DEEL 3 van 3” (zie 2.3). Verder heeft belanghebbende erop gewezen dat op 19 april 2011 de in 2.4 bedoelde conceptakten zijn opgesteld, maar dat het vanwege hectische omstandigheden er niet van is gekomen de akten in die tijd te laten passeren.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door belanghebbende overgelegde stukken niet dat [persoon 1] en [persoon 2] een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen konden uitbrengen. In de “AANVULLENDE OVEREENKOMST DEEL 3 van 3” zijn [persoon 1] en [persoon 2] immers slechts overeengekomen dat zo spoedig mogelijk een stichting administratiekantoor zal worden opgericht, die de aandelen in belanghebbende houdt en waarbij [persoon 1] en [persoon 2] een gelijk aantal stemmen hebben. De oprichting van die stichting heeft echter pas op 19 december 2017 plaatsgehad (zie 2.7). Aan de omstandigheid dat de in 2.4 bedoelde conceptakten zijn opgesteld, kunnen geen rechtsgevolgen worden verbonden. Partijen hebben om hun moverende redenen gewacht met het verlijden van de akten tot 2017. De rechtbank begrijpt dat [persoon 1] en [persoon 2] altijd de bedoeling hebben gehad een gelijkwaardig stemrecht te hebben en dat zij daar ook altijd van zijn uitgegaan. Maar dat sluit niet uit dat, als op enig moment onenigheid zou zijn ontstaan tussen [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 1] zijn rechten zou ‘uitspelen’, [persoon 2] zijn ontslag niet had kunnen tegenhouden, omdat zij hun rechtsverhouding niet overeenkomstig hun intenties hebben geregeld.

4.13.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is belanghebbende premies werknemersverzekeringen verschuldigd over het (maximum premie)loon van [persoon 2] . Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Boete

4.14.

De inspecteur heeft belanghebbende over de jaren 2016 en 2017 bij beschikking een verzuimboete van 10% opgelegd op grond van artikel 67c AWR. De boete over 2016 bedraagt € 677 en de boete over 2017 bedraagt € 671. Belanghebbende heeft geen grieven aangevoerd tegen de boeten.

4.15.

In artikel 67c AWR is geregeld dat, als de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een verzuimboete kan opleggen. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod om fiscale verplichtingen in te scherpen. Het enkele niet voldoen aan deze verplichtingen rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete. Voor het opleggen van de verzuimboeten is niet van belang of belanghebbende opzet of grove schuld kan worden verweten. Alleen indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld blijft een boete achterwege.

4.16.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de verschuldigdheid van de premie werknemersverzekeringen over de jaren 2016 en 2017 is overwogen, volgt dat de beboetbaar gestelde gedraging zich heeft voorgedaan. De boeten zijn dus terecht opgelegd.

4.17.

De berechting van de zaken heeft niet binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Aangezien de redelijke termijn met méér dan twee jaar is overschreden, vermindert de rechtbank de boeten ambtshalve met 20%. De boete over 2016 wordt verminderd tot € 541 en de boete over 2017 wordt verminderd tot € 536.

4.18.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

5.2.

De rechtbank oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroep ongegrond;

  • -

    vermindert de boete over 2016 tot een bedrag van € 541;

  • -

    vermindert de boete over 2017 tot een bedrag van € 536.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. P.C. van der Vegt, voorzitter, mr. J.M. van der Vegt en mr. H.J. Cosijn, rechters, in aanwezigheid van mr. drs. M.M. Stassen-Kanters, griffier, op 18 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl/ Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.

2 Artikel 3, lid 1, ZW, artikel 3, lid 1, WW, artikel 3, lid 1, WAO en artikel 8, lid 1, WIA.

3 Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.

4 Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887.

5 Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9295.

6 Artikel 6, lid 1, letter d, WW, artikel 6, lid 1, letter d, ZW, artikel 8, lid 1, WIA en artikel 6, lid 1, WAO.

7 Op grond van artikel 6, lid 4, WW, artikel 6, lid 5, ZW, artikel 6, lid 5, WAO en artikel 8 WIA.

8 Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9295.