Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3263

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5469
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5469 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J. Wouters, advocaat,

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 12 augustus 2019 (primair besluit) heeft Orionis eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.

In het besluit van 11 februari 2020 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, onder verwijzing naar de ambtelijke notitie en het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Middelburg op 6 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. Francke.

De termijn voor het doen van uitspraak is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft op 30 juli 2019 een aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ingediend bij Orionis.

In het kader van eisers aanvraag heeft Orionis hem uitgenodigd voor een gesprek op
9 augustus 2019, waarbij Orionis hem heeft verzocht verschillende gegevens mee te nemen. Eiser is zonder bericht niet verschenen op het gesprek. Eiser had wel al bankafschriften ingeleverd en een huurcontract van het adres [adres] . Dit contract staat op naam van hem en zijn zus, [naam eiser] , met als ingangsdatum 1 juni 2018. Beiden staan op het adres ingeschreven, maar sinds 26 september 2018 staat op het adres ook nog een andere zus, [naam zus] ingeschreven.

Eveneens op 9 augustus 2019 heeft een intaker van Orionis telefonisch contact opgenomen met de heer Van de Klooster van ISI (werkgever) over eisers werkzaamheden bij Technico. Uit dat contact bleek dat er op de werkplek iets is voorgevallen, waardoor zowel Technico als ISI zich heeft teruggetrokken. Dit heeft bij de intaker gezorgd voor een rechtsvermoeden voor de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3, vierde lid, sub d, van de Participatiewet.

Vervolgens heeft Orionis het primaire besluit genomen. Na een hoorzitting van 9 december 2019 en een advies van 6 januari 2020 van de bezwaaradviescommissie, heeft Orionis bij het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd.

2. Geschil

In geschil is of Orionis in het bestreden besluit terecht en op goede gronden de afwijzing van eisers aanvraag om een bijstandsuitkering heeft gehandhaafd.

3. Beroepsgronden

Eiser stelt dat er geen registratie op grond van artikel 3, derde lid, en vierde lid, onder d, van de Participatiewet bestaat, waardoor geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met zus [naam eiser] . Het huurcontract volstaat niet voor het aannemen van een registratie, zo blijkt uit ECLI:NL:RBROT:2019:5033. Wederzijdse zorg kan niet op basis van een huurcontract worden aangenomen en er is geen onderzoek naar gedaan door Orionis. Verder stelt eiser dat de inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 en het huwelijk met
[naam echtgenote] op 23 augustus 2019 geen rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een registratie. Eiser woont niet met zijn vrouw samen en Orionis heeft niet toegelicht welke rol de feiten spelen in de beoordeling.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage.

5. Beoordeling

5.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 18 juli 2019 tot en met 12 augustus 2019.

5.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:831).

Gezamenlijke huishouding

5.3.1.

Niet in geschil is dat eiser en zijn zus [naam eiser] op 1 juni 2018 als huurders een huurovereenkomst hebben ondertekend voor het adres [adres] . Tevens is niet in geschil dat eiser per 1 augustus 2018 op het opgegeven adres staat ingeschreven, zus [naam eiser] sinds 31 juli 2018 en zus [naam zus] sinds 26 september 2019. Eiser heeft de juistheid daarvan niet betwist.

5.3.2.

Orionis heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst van eiser en zijn zus wordt aangemerkt als registratie in de zin van artikel 3 van de Participatiewet en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding (Besluit), waardoor sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Eiser bestrijdt – evenals de bezwaarschriftencommissie – dit standpunt. Bovendien heeft Orionis volgens eiser geen onderzoek gedaan naar het bestaan van wederzijdse zorg.

5.3.3.

Om tot een registratie in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onderdeel d, van de Participatiewet te komen, vereist artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit de registratie als duurzame gemeenschappelijke huishouding op grond van de onderafdeling 3 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hiervoor zijn de artikelen 7:266 en 7:267 van het BW van belang. Uit de tekst van artikel 7:267, eerste lid, van het BW volgt dat een gezamenlijk verzoek van de huurder en de andere persoon, die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, aan de rechter is vereist om te bepalen dat de andere persoon medehuurder zal worden.

5.3.4.

Ter zitting hebben partijen desgevraagd aangegeven dat een dergelijk verzoek aan de rechter niet is gedaan door eiser en zijn zus. Tevens volgt uit de tekst van het artikel dat het enkele bestaan van een huurovereenkomst onvoldoende was om eiser aan te kunnen merken als medehuurder. De rechtbank overweegt dat reeds daarom geen sprake is van een registratie in de zin van artikel 3, vierde lid, onder d, van de Participatiewet.

5.4.1.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt echter dat, ook al is geen sprake van een registratie in de zin van artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit, wel sprake kan zijn van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang (zie de uitspraak van de CRvB van 6 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2691). Het eerste criterium waaraan moet worden voldaan voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven zich bevindt. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken (zie de uitspraak van de CRvB van 8 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:545).

5.4.2.

Ter zitting heeft Orionis desgevraagd aangegeven dat niet is onderzocht of er sprake was van wederzijdse zorg tussen eiser en zijn zus. De rechtbank overweegt dat Orionis reeds hierom ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met zijn zus. Orionis heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het mogelijk bestaan van een gezamenlijke huishouding, omdat niet is onderzocht er wederzijdse zorg bestond tussen eiser en zijn zus. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De huurovereenkomst van eiser en zijn zus is onvoldoende om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Participatiewet. De grond van eiser slaagt.

Huwelijk

5.5.1.

Orionis heeft in het bestreden besluit aangegeven dat uit SUWI is gebleken dat eiser op 23 augustus 2019 is getrouwd met [naam echtgenote] . Hierbij heeft Orionis echter niet aangegeven wat de relevantie van het huwelijk is voor de besluitvorming.

5.5.2.

Eiser stelt dat onduidelijk is waarom Orionis zijn huwelijk aanhaalt in het bestreden besluit. Tevens heeft eiser aangegeven dat hij op 23 augustus 2019 is getrouwd met [naam echtgenote] , maar dat hij niet met [naam echtgenote] samenwoont.

5.6.

De rechtbank overweegt dat het huwelijk van eiser met [naam echtgenote] buiten de te beoordelen periode valt. Orionis mocht de omstandigheid dat eiser is getrouwd dan ook niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. De grond van eiser slaagt.

Inkomen

5.7.1.

Orionis heeft in het bestreden besluit aangegeven dat uit SUWI is gebleken dat eiser over de maanden juli en augustus 2019 inkomsten heeft genoten. Ter zitting is namens Orionis aangegeven dat deze grond als meer subsidiaire grond voor het besluit moet worden gezien.

5.7.2.

Eiser stelt dat onduidelijk is waarom Orionis zijn inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 aanhaalt in het bestreden besluit.

5.7.3.

Ter zitting is namens eiser niet betwist dat eiser de in het dossier genoemde inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat daardoor vaststaat dat eiser over de maand juli 2019 van ISI B.V. een bedrag van
€ 1.378,59 aan bruto inkomsten heeft ontvangen en over de maand augustus 2019 van het UWV een bedrag van € 1.219,60 aan bruto uitkering op grond van de Ziektewet.

5.7.4.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak is de bijstandverlenende instantie in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd (zie de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:404). Dit betekent dat eisers inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 aan te merken zijn als een onderdeel van zijn financiële situatie in de te beoordelen periode.

5.8.

De rechtbank overweegt dat de door eiser ontvangen inkomsten de voor hem geldende bijstandsnorm, of dit nu de alleenstaandennorm of de kostendelersnorm betreft, hebben overstegen. Ter zitting is dit niet betwist. Hierom was eiser niet bijstandsbehoeftig in de maanden juli en augustus 2019. Orionis heeft hierom eisers aanvraag om bijstand mogen afwijzen. De grond van eiser slaagt niet.

6. Dit betekent dat eisers beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand de gezamenlijke huishouding en het huwelijk van eiser ten grondslag zijn gelegd. Ook het primaire besluit zal worden herroepen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat eisers aanvraag om bijstand onder gewijzigde grondslag wordt afgewezen, omdat de door eiser ontvangen inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet Orionis aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

8. De rechtbank veroordeelt Orionis in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Orionis wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt dat eisers aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege de door eiser ontvangen inkomsten over de maanden juli en augustus 2019 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Orionis in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.136,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 29 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Participatiewet wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Op grond van het vierde lid, aanhef en onder d, van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding (het Besluit).

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit bepaalt dat als registratie in de zin van artikel 3, vierde lid, onderdeel d, van de Participatiewet wordt aangewezen de registratie als duurzame gemeenschappelijke huishouding op grond van de onderafdeling 3 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt dat voor de toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de Participatiewet een registratie als bedoeld in artikel 3 van het Besluit in aanmerking wordt genomen indien deze bij de aanvang van bijstand bestaat.

Op grond van artikel 7:266, eerste lid, van het BW is de echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten.

Op grond van artikel 7:267, eerste lid, van het BW kunnen de huurder en een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, alsmede een medehuurder wanneer die er is, gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn.