Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3262

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6732
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6732 WIA

uitspraak van 25 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , wonende te [naam woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M.J.E.M. Edelmann, advocaat te Breda,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 22 november 2019 (bestreden besluit) inzake de weigering hem een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 2 oktober 2020 in Middelburg. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.


De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het UWV is bij brief van 12 oktober 2020 verzocht om te reageren op de brief van eisers gemachtigde van 1 oktober 2020 (met bijlagen) en aan te geven of deze brief voor het UWV aanleiding is om een ander standpunt in te nemen over het bestreden besluit.

Het UWV heeft bij brief van 21 oktober 2020 gereageerd, met als bijlage een medische rapportage van 19 oktober 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b).

Eiser heeft bij brief van 27 november 2020 een reactie gegeven.

Op die brief heeft het UWV schriftelijk gereageerd op 23 december 2020.

Op de brief van het UWV van 23 december 2020 heeft eiser gereageerd op 8 maart 2021.

Op 30 maart 2021 heeft de rechtbank partijen gevraagd of er uitspraak zonder nadere zitting kan worden gedaan.

Eiser is op 8 april 2021 akkoord gegaan met het achterwege laten van een zitting. Het UWV heeft niet gereageerd op de vraag van de rechtbank, waarna het onderzoek op 18 mei 2021 is gesloten.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als triage audicien bij [naam werkgever] voor 34 uur per week. Voor dat werk is hij op 3 augustus 2017 uitgevallen vanwege psychische klachten.

Bij besluit van 19 juli 2019 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd aan eiser per
1 augustus 2019 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV eiser terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 1 augustus 2019.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.

4.1

De verzekeringsarts heeft eiser gezien bij het spreekuur op 15 juli 2019, waarbij ook psychisch onderzoek is verricht, heeft het dossier bestudeerd en heeft medische informatie opgevraagd. De verzekeringsarts rapporteert het volgende. Eiser is al jaren bekend met (lichamelijke) spannings-, vermoeidheids- en stemmingsklachten, waarbij in 2005 in verband hiermee zelfs sprake is geweest was van een PAAZ-opname gedurende acht weken. Er is een consistente en plausibele samenhang van klachten, stoornissen, beperkingen en participatieproblemen in het kader van geobjectiveerde medische aandoeningen/ problematiek. Ondanks gerichte vormen van behandeling en begeleiding is er tot op heden helaas sprake van een moeizaam beloop met weinig vooruitgang, waardoor klachten en belemmeringen in persoonlijk en sociaal functioneren blijven aanhouden. De behandeling zal worden gecontinueerd. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser heeft de verzekeringsarts neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2019.

In een aanvullend medisch onderzoeksrapport van 5 augustus 2019 geeft de verzekeringsarts aan dat de gegevens uit de brief van sociaal psychiatrisch verpleegkundige [naam verpleegkundige] van Emergis van 29 juli 2019 geen aanleiding voor de verzekeringsarts zijn tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt. De verzekeringsarts kan in de gegevens met name geen grond vinden om alsnog een aanvullende urenbeperking te kunnen onderbouwen. Hooguit zou dat later aan de orde kunnen zijn, als zou blijken van een specifieke verdere behandeling, maar dat is thans (nog) niet concreet, aldus de verzekeringsarts.

4.2

De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien bij de hoorzitting op 20 november 2019 en heeft diens dossier bestudeerd. De verzekeringsarts b&b is van mening dat er geen reden is om de belastbaarheid te wijzigen. De stelling dat er een groot verschil is tussen de FML van de bedrijfsarts en de FML van de verzekeringsarts moet in de juiste context worden gezien. De FML van de bedrijfsarts ziet op de toestand van eiser zoals die was op 27 juni 2018, terwijl de FML van de verzekeringsarts betrekking heeft op de datum in geding, zijnde 1 augustus 2019. Dat is meer dan een jaar later. Een verschil is dan niet ongewoon, aldus de verzekeringsarts b&b.

4.3

Eiser heeft in zijn beroepschrift van 27 januari 2020 tegen het medisch oordeel van het UWV, samengevat, het volgende aangevoerd. Het bezwaarschrift is met name gefocust op de FML van 15 juli 2019. De FML van de verzekeringsarts en de FML van bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] van 27 juni 2018 verschillen op zeker een 20-tal items van elkaar. De verzekeringsarts b&b heeft dit wel heel kort afgedaan en heeft geen inhoudelijke verklaring gegeven waarom de beperkingen zoals neergelegd in de FML afwijken van de beperkingen die de bedrijfsarts heeft aangenomen. En beide FML’s hebben weliswaar betrekking op verschillende data met een verschil van meer dan een jaar, maar de beperkingen van eiser zijn in de tussentijd hetzelfde gebleven.

4.4

De rechtbank oordeelt hierover het volgende. Eiser heeft een beroep gedaan op de door de bedrijfsarts [naam bedrijfsarts] opgestelde FML van 27 juni 2018. Zoals de rechtbank ter zitting ook al heeft opgemerkt, bevindt zich onder de stukken een Actueel oordeel van
van 10 april 2019 (stuknummer B 217/218). In dat actueel oordeel heeft de bedrijfsarts aangegeven hoe de actuele situatie van eiser is. De rechtbank stelt vast dat de functionele beperkingen die [naam bedrijfsarts] in dat actueel oordeel voor eiser heeft aangenomen nagenoeg volledig overeenkomen met de beperkingen die de verzekeringsarts in de FML van 15 juli 2019 heeft aangenomen. Het beroep van eiser op de door [naam bedrijfsarts] opgestelde FML van 27 juni 2018 slaagt dan ook niet.

4.4.1

Bij brief van 1 oktober 2020 heeft eiser nog gewezen op het volgende. Eiser heeft zich op 5 september 2019 ziek gemeld bij het UWV. In het kader daarvan heeft een verzekeringsarts van het UWV op 7 juli 2020 vastgesteld dat er voor eiser op 5 september 2019 een toegenomen beperking bestond ten opzichte van de FML van 15 juli 2019. Eiser is door de betreffende verzekeringsarts beperkt geacht voor werk waarbij alertheid van belang is, zoals werk waarbij men moet werken met gevaarlijke machines/gereedschappen of motorvoertuigen. De situatie van eiser was in september 2019 identiek aan juli 2019, zodat de FML van 15 juli 2019 op dit punt onjuist is en aangevuld moet worden.

Ook dit beroep slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit de door het UWV op
23 december 2020 ingebrachte volledige rapportage van de verzekeringsarts blijkt uit punt 3.1 dat naast de beperkingen uit de FML van 15 juli 2019 een aanvullende beperking wordt gesteld in verband met het gebruik door eiser van een nieuw medicijn, [naam medicijn 1] . Onder de kop “actuele medicatie” op bladzijde 2 van de rapportage is vermeld dat eiser per 28 april 2020 is gestart met deze medicatie. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met juistheid heeft betoogd dat deze datum ver na de datum in geding van de WIA-beoordeling ligt. Met deze toegenomen beperking heeft het UWV dan ook geen rekening hoeven houden in de WIA-beoordeling. Eiser heeft nog betoogd dat [naam medicijn 1] in dezelfde categorie van medicatie valt als [naam medicijn 2] , dat hij al jaren in wisselende doseringen inneemt, maar aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij. Allereerst heeft eiser zijn stelling dat [naam medicijn 1] in dezelfde categorie van medicatie valt als [naam medicijn 2] niet met een medische verklaring onderbouwd, maar ook heeft eiser eerder in de procedure niet aangevoerd (niet in bezwaar, maar ook niet in beroep) dat het gebruik van [naam medicijn 2] tot de bedoelde beperking in de FML van 15 juli 2019 zou moeten leiden. Dit terwijl al op 15 juli 2019 ook bij het UWV bekend was dat eiser [naam medicijn 2] gebruikte.

4.5

Nu aldus niet is gebleken dat in de FML van 15 juli 2019 de beperkingen van eiser zijn onderschat, gaat de rechtbank uit van de belastbaarheid van eiser die is neergelegd in die FML.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML van 15 juli 2019, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser: Produktiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043), Snackbereider (handmatig) (Sbc-code 111071) en Wikkelaar (nieuw en revisie) (Sbc-code 267053).

5.2

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 19 juli 2019. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Die functies mochten naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 2019 van 20,71%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

7. Conclusie

Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 1 augustus 2019.
Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Pasmans, griffier, op 25 juni 2021 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.


griffier* rechter


* De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mee te ondertekenen.


Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.