Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3260

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-7-2021
V-N Vandaag 2021/1727
FutD 2021-2268
NLF 2021/1556 met annotatie van Jacques Raaijmakers
NTFR 2021/2590 met annotatie van mr. drs. W.A. de Paepe
V-N 2021/33.24.41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/4174

uitspraak van 25 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] ( [land] ,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 20 november 2017 en beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 51.324 (hierna: de aansprakelijkstellingsbeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstellingsbeschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger de aansprakelijkstellingsbeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier griffierecht van belanghebbende geheven voor een bedrag van € 46.

1.4.

De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de ontvanger schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden, G.J. van Nieuwenhuijzen RB en drs. B.A.H.J. Schijns, verbonden aan Van Oers accountancy & advies te Roosendaal, en namens de ontvanger [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de ontvanger.

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

[aandeelhouder 1] is sinds 27 december 2004 enig aandeelhouder van [aandeelhouder 2] is sinds 6 september 2006 enig aandeelhouder en sinds 31 december 2003 bestuurder van [aandeelhouder 1] Belanghebbende is sinds 29 juni 1999 enig aandeelhouder en bestuurder van [aandeelhouder 3] .

2.2.

Vanaf 4 februari 2015 heeft bij [aandeelhouder 3] . en de aan haar gelieerde vennootschappen, waaronder [aandeelhouder 4] , een boekenonderzoek plaatsgevonden naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting (hierna: OB) over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012.

2.3.

In het kader van het boekenonderzoek heeft de inspecteur bij brief van 15 oktober 2015 aanvullende vragen gesteld.

2.4.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur bij brief van 12 november 2015 aangekondigd aan [aandeelhouder 4] naheffingsaanslagen OB, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente op te zullen leggen over de periode 2010 tot en met 2013. Ten aanzien van de op te leggen naheffingsaanslagen is in die brief het volgende opgenomen:

Crediteuren

Per 31-12-2012 staat er een totaalbedrag van € 285.391,78 aan openstaande crediteuren op de balans. Uit de van u ontvangen specificatie blijkt dat een bedrag van € 247.656,67 belast is geweest met BTW en een bedrag van € 37.735,11 niet belast is geweest met BTW.

De voorbelasting van deze crediteuren is al in een eerder jaar in de aangiften omzetbelasting in aftrek gebracht. Deze omzetbelasting wordt weer verschuldigd als de crediteuren niet (volledig) worden voldaan. De omzetbelasting wordt in elk geval verschuldigd als na het opeisbaar worden van het factuurbedrag twee jaar zijn verstreken en dit bedrag nog niet (geheel) is betaald. Volgens de ontvangen specificatie zijn de crediteuren allemaal ouder dan twee jaar waardoor de omzetbelasting weer verschuldigd is geworden.

De berekening van de verschuldigde BTW is als volgt:

2008 € 49.012 weer verschuldigd in 2010 € 7.825

2009 € 22.894 weer verschuldigd in 2011 € 3.655

2010 € 178.855 weer verschuldigd in 2012 € 28.556

2011 € 34,630 weer verschuldigd in 2013 € 5.529

TOTAAL € 285.391

Deze verschuldigde BTW zal alsnog worden nageheven. (…)

Schuldkwalificatie

Al meerdere jaren bent u als ondernemer voor de omzetbelasting actief. Hierdoor bent u op de hoogte van de fiscale verplichtingen die de wet op de omzetbelasting met zich meebrengt. Het bedrag aan verschuldigde omzetbelasting die eerder als voorheffing omzetbelasting in aftrek is genoten hebt u niet in de aangifte verwerkt. Daarnaast hebt u het bedrag dat u als verschuldigde belasting behoorde aan te geven en af te dragen als balansschuld in de jaarrekeningen opgenomen maar niet via een suppletie omzetbelasting aan de Belastingdienst gestuurd. U wist, dan wel behoorde te weten, dat u door geen omzetbelasting aan te geven te weinig omzetbelasting gedurende de betreffende jaren hebt afgedragen. Deze gedraging is in fiscale zin te kwalificeren als (voorwaardelijk) opzet. Op grond van artikel 67f AWR juncto paragraaf 25 en 28a respectievelijk art 28e BBBB ben ik voornemens een vergrijpboete op te leggen van 25% van de verschuldigde belasting. Deze omstandigheden vormen een ernstige nalatigheid die belanghebbende verweten kan worden. De belastingdienst heeft hierdoor een fiscaal nadeel geleden. Ik van dan ook van mening dat er sprake is van grove schuld, oftewel een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat er te weinig belasting zou worden geheven of betaald.

Ik ben voornemens om daarom een boete op te leggen van 25%.’

2.5.

Bij brief van 13 november 2015 heeft de gemachtigde de aanvullende vragen in het kader van het boekenonderzoek uit de in 2.3 genoemde brief van de inspecteur beantwoord. In die brief is onder meer het volgende opgenomen:

33. BTW correcties [aandeelhouder 4]

De onder punt 33 en 34 voorstelde correcties zijn op zich akkoord. Echter, [aandeelhouder 9] heeft in het verleden reeds melding gemaakt van haar betalingsonmacht en waar nodig gelieve u dit schrijven als een herbevestiging van deze betalingsonmacht te zien.’

2.6.

Op 28 december 2015 zijn aan [aandeelhouder 4] de volgende naheffingsaanslagen OB (hierna: de naheffingsaanslagen) opgelegd:

Periode

Aanslag-

nummer

Belasting

Boete

Heffings/belasting-rente

Totaal

01.01.10 t/m 31.12.2011

[naheffingsaanslag 1] F.01.1501

€ 11.907

€ 2.976

€ 1.793

€ 16.676

01.01.2012 t/m 31.12.2013

[naheffingsaanslag 1] F.01.3501

€ 34.085

€ 8.521

€ 3.539

€ 46.145

Totaal

€ 45.992

€ 11.497

€ 5.332

€ 62.821

2.7.

Belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 7 januari 2016 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.

2.8.

De resultaten van het in 2.2 genoemde boekenonderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 24 november 2016.

2.9.

Een tussen de Belastingdienst en, onder meer, [aandeelhouder 4] gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) van 25 november 2016 maakt deel uit van het in 2.8 genoemde rapport. In die vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

2. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid

De kwestie waarover partijen van mening verschillen/in onzekerheid verkeren luidt als volgt: Toepassing artikel 12a LB, afdrachtvermindering onderwijs, omzetbelasting op advieskosten en ICT, pro rata op voorbelasting, activering aanschaf van Slokkers, afboeking HIR op assurantieportefeuille.

3. Overleg en correspondentie

Aan de totstandkoming van deze overeenkomst is het volgende voorafgegaan:

Begin februari 2015 is een boekenonderzoek aangekondigd bij partij A (en nog enkele vennootschappen). Het onderzoek heeft plaatsgevonden door meerdere medewerkers van de Belastingdienst en voor meerdere middelen. Gedurende het onderzoek zijn diverse geschilpunten naar voren gekomen. Daarover is veel hier niet nader geduide correspondentie gewisseld. Ook via e-mail.

4 Inhoud van overeenkomst

Partijen zijn het volgende overeengekomen (deze vso – aanvullend – maakt deel uit van de nog uit te brengen rapportage in verband met het boekenonderzoek):

(…)

d. De correctie verlegde omzetbelasting over de jaren 2011 t/m 2014 bedraagt € 95.942 (conform cijfers adviseur)

e. Correctie pro rata regeling omzetbelasting periode 2011 t/m 2014 € 21.434

f. De akkoordverklaringen door de adviseur, zoals verwoord in brieven van 13 november 2015 nrs [correspondentie] en [correspondentie] ( [aandeelhouder 5] cs, [aandeelhouder 6] [aandeelhouder 7] en [aandeelhouder 8] ) blijven in stand.

(…)

5 Heffingsrente, invorderingsrente en boete

Heffingsrente/belastingrente wordt berekend conform de wettelijke bepalingen.

Invorderingsrente wordt berekend conform de wettelijke bepalingen.

De op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 op te leggen boete wordt als volgt vastgesteld:

Verzuimboete ex artikel 67c AWR inzake de naheffingsaanslag(en) loonheffingen (1 maal) ad € 5.278 (max.)

Verzuimboete ex artikel 67c AWR inzake de naheffingsaanslag(en) omzetbelasting (1 maal) ad € 5.278 (max.)

6. Afstand van rechtsmiddelen

Partij A doet terzake van de in deze overeenkomst geregelde onderwerpen uitdrukkelijk afstand van het recht op bezwaar en het recht op beroep bij de (belasting)rechter.

De ondertekening van deze overeenkomst geldt als schriftelijke intrekking door partij A van het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2010, aanslagnummer [naheffingsaanslag 2] .F010501, met dagtekening 28-12-2015, zonder recht op enige vergoeding van kosten.’

2.10.

Op 2 februari 2017 heeft het eindgesprek inzake het boekenonderzoek plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren aanwezig belanghebbende diens gemachtigden G.J. van Nieuwenhuizen RB, drs. B.A.H.J. Schijns en B.J. Vrijenhoek, en namens de Belastingdienst [inspecteur 3] [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .

2.11.

Belanghebbende heeft bij e-mail van 10 maart 2017 het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ingetrokken.

2.12.

De ontvanger heeft bij brief van 12 oktober 2017 meegedeeld dat de door [aandeelhouder 4] verschuldigde OB, vergrijpboetes en heffings- en belastingrente – vermeerderd met rente en kosten - van in totaal € 71.579 per direct dienen te worden voldaan en dat belanghebbende als bestuurder persoonlijk aansprakelijk zal worden gesteld wanneer geen betaling van die belastingschuld volgt.

2.13.

Bij brief van 7 november 2017 heeft de ontvanger belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om hem aansprakelijk te stellen voor de in 2.12 genoemde belastingschuld van [aandeelhouder 4]

2.14.

Bij brief van 9 november 2017 heeft belanghebbende gereageerd op het in 2.13 genoemde voornemen van de ontvanger. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

‘Naar aanleiding van uw schrijven willen wij u erop wijzen dat er reeds in 2010 een melding betalingsonmacht namens deze vennootschap is ingediend welke als rechtsgeldig is aangemerkt. Ter volledigheid hebben wij de bevestiging van de rechtsgeldige melding met dagtekening 25 juni 2010 toegevoegd als bijlage.’

2.15.

Bij de aansprakelijkstellingsbeschikking is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de door [aandeelhouder 4] onbetaald gelaten OB en heffings- en belastingrente tot een bedrag van € 51.324. Aansprakelijkstelling voor de vergrijpboetes vond niet plaats.

2.16.

Belanghebbende heeft bij brief van 20 december 2017 bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstelling.

2.17.

Belanghebbende heeft bij brief van 31 januari 2018 een aanvulling op het bezwaar verzonden.

2.18.

Belanghebbende heeft op 7 maart 2018 inzage gehad in het dossier van de Belastingdienst.

2.19.

Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende heeft op 22 maart 2018 het hoorgesprek plaatsgevonden.

2.20.

Het verslag van het in 2.10 genoemde eindgesprek heeft belanghebbende op 19 april 2018 ontvangen. In dat verslag is onder meer het volgende opgenomen:

‘BV: BTW van [aandeelhouder 9] moet er ook in

BP: er is betalingsonmacht

GN: op dit punt geeft BP gelijk

(…)

CE: bezwaren OB

BS: deze worden ingetrokken’

2.21.

Belanghebbende heeft zich bij brief van 8 mei 2018 akkoord verklaard met het verslag

van het hoorgesprek en bij diezelfde brief zijn bezwaarschrift aangevuld.

2.22.

De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 mei 2018 het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

2.23.

In de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2018 heeft de ontvanger abusievelijk geen beslissing genomen ten aanzien van het verzoek van belanghebbende voor de vergoeding van de kosten van het bezwaar. Bij de aanvullende brief van 22 mei 2018 heeft de ontvanger de uitspraak op het bezwaar alsnog aangevuld met de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende terecht op grond van artikel 36, lid 1, Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk is gesteld.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de aansprakelijkstellingsbeschikking, vernietiging van de naheffingsaanslagen, vergoeding van het betaalde griffierecht en veroordeling van de ontvanger tot vergoeding van de kosten voor de bezwaar- en de beroepsprocedure. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende is door de ontvanger op grond van artikel 36, lid 1, IW aansprakelijk gesteld voor de aan [aandeelhouder 4] opgelegde naheffingsaanslagen en de daarin begrepen heffings- en belastingrente tot een bedrag van € 51.324. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van artikel 36, lid 5, onderdeel c, IW als bestuurder van [aandeelhouder 4] moet worden aangemerkt. Ook is de hoogte van de aansprakelijkstellingsbeschikking niet in geschil.

4.2.

Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat de naheffingsaanslagen onder de vso vallen waardoor de ontvanger hem niet meer aansprakelijk kan stellen. Belanghebbende stelt in de tweede plaats dat op grond van de vso voor de correcties OB slechts één verzuimboete van € 5.124 zou worden opgelegd, waardoor bij [aandeelhouder 4] geen sprake is van opzet en grove schuld en op de juiste wijze melding van betalingsonmacht bij [aandeelhouder 4] is gedaan. Op grond van het voorgaande neemt belanghebbende het standpunt in dat hij onterecht aansprakelijk is gesteld voor de door [aandeelhouder 4] schuldig gebleven OB en heffings- en belastingrente.

4.3.

De ontvanger neemt het standpunt in dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de door [aandeelhouder 4] schuldig gebleven OB en heffings- en belastingrente. Ter ondersteuning van dat standpunt stelt de ontvanger dat volgens de vso weliswaar een verzuimboete van € 5.278 wordt opgelegd, maar dat die boete betrekking heeft op nog op te leggen naheffingsaanslagen die voortvloeien uit het boekenonderzoek en de te corrigeren bedragen op grond van de vso. Daarnaast stelt de ontvanger dat niet op de juiste wijze melding van betalingsonmacht bij [aandeelhouder 4] is gedaan omdat die melding niet aan hem is gedaan en omdat bij [aandeelhouder 4] sprake is van opzet of grove schuld.

4.4.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de naheffingsaanslagen onder de vso vallen. Naar de letterlijke tekst van de vso maken de naheffingsaanslagen geen deel uit van de daarin gemaakte afspraken. Noch de naheffingsaanslagen noch het onderwerp, reeds nageheven omzetbelasting bij [aandeelhouder 4] , worden namelijk genoemd in de opsomming van onderwerpen waarover partijen een vso wensen te sluiten. Hetgeen partijen over en weer hebben verklaard leidt niet tot een andere uitleg dan de letterlijke tekst van de vso. Partijen waren verder kennelijk eenparig van mening dat de door [aandeelhouder 4] verschuldigde OB en heffings- en belastingrente niet door haar kon worden betaald. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat de vso ziet op toekomstige aanslagen en verzuimboetes en niet op de op het tijdstip van het sluiten van de vso reeds opgelegde naheffingsaanslagen. Gezien de redactie van de vso, acht de rechtbank aannemelijk dat partijen die naheffingsaanslagen eenvoudigweg niet voor ogen hebben gehad bij het sluiten van de vso. Dat belanghebbende achteraf bezien meent dat die naheffingsaanslagen hadden moeten worden meegenomen, betekent niet dat partijen daarover in het kader van de vso afspraken hebben gemaakt. Zoals de ontvanger verder terecht heeft gesteld, zou, indien de boetes onderdeel zouden zijn geweest van de vso, daarin tot uitdrukking zijn gebracht dat die (reeds opgelegde) boetes (alsnog) zouden worden verminderd, hetgeen niet het geval is. De rechtbank neemt in dit verband verder nog in aanmerking dat uit de door partijen overgelegde correspondentie evenmin blijkt dat over de reeds opgelegde naheffingsaanslagen afspraken zijn gemaakt.

4.5.

Het oordeel in 4.4. betekent dat de rechtbank zal beoordelen of [aandeelhouder 4] met betrekking tot de naheffingsaanslagen die onherroepelijk zijn geworden en waarbij een vergrijpboete wegens grove schuld is opgelegd, nog een melding van betalingsonmacht in de zin van artikel 36, leden 2 en 3, IW kon doen.

4.6.

Ingeval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, de melding van betalingsonmacht op grond van artikel 7, lid 2, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: UBIW) worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag. De melding van betalingsonmacht voor een naheffingsaanslag die is opgelegd omdat de verschuldigde belasting meer bedraagt dan op aangifte is of moet worden voldaan of afgedragen op grond van artikel 7, lid 2, UB IW kan slechts op de juiste wijze geschieden indien die aanslag niet te wijten is aan opzet of grove schuld van het desbetreffende lichaam.1

4.7.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd omdat [aandeelhouder 4] de verschuldigde OB niet op aangifte heeft voldaan. De ontvanger heeft verder aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen te wijten zijn aan de grove schuld van [aandeelhouder 4] De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [aandeelhouder 4] bekend moet zijn geweest met de omstandigheid dat de eerder in aftrek genomen OB weer verschuldigd zou worden omdat de facturen aan de crediteuren van [aandeelhouder 4] onbetaald zouden blijven en de daardoor alsnog verschuldigde OB op aangifte moest worden voldaan. Door deze bedragen aan OB wel op te nemen als schuld op de balans maar hiervan geen (suppletie-) aangiften te doen, is het aan de grove schuld van [aandeelhouder 4] te wijten dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [aandeelhouder 4] geen melding van betalingsonmacht in de zin van artikel 36, leden 2 en 3, IW en artikel 7, lid 2, UB IW meer kon doen. Het betoog van belanghebbende dat op 13 november 2015 aan de inspecteur is gemeld dat [aandeelhouder 4] de naheffingsaanslagen niet zou kunnen betalen, kan daarom niet slagen.

Tussenconclusie

4.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende terecht op grond van artikel 36, lid 1, IW aansprakelijk is gesteld voor de door [aandeelhouder 4] schuldig gebleven OB en heffings- en belastingrente tot een bedrag van € 51.324.

5 Griffierecht en proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van griffierecht en een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. P.C. van der Vegt en mr. H.J. Cosijn, rechters, in aanwezigheid van mr. P.A. Flutsch, griffier, op

en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl/ Digitaal loket bestuursrecht.

1 Hoge Raad 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR7038.