Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:326

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BESLU

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5472 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] B.V., te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. M. Kortekaas,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de staatssecretaris), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 juli 2019 (primaire besluit) heeft de staatssecretaris een bestuurlijke boete van € 4.500,- aan eiseres opgelegd vanwege overtreding van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

In het besluit van 7 februari 2020 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de grondslag van de boete gewijzigd naar artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit en het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken tijdens de zitting van de rechtbank op 15 oktober 2020.

Hierbij waren via een Skype-verbinding aanwezig [naam persoon1] en [naam persoon2] namens eiseres en gemachtigde van eiseres. In de zittingzaal was mr. S. Smit namens de staatssecretaris aanwezig.

Ter zitting is de procedure geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de nagezonden schriftelijke pleitaantekeningen van gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft bij brief van 26 oktober 2020 zijn reactie kenbaar gemaakt. Partijen hebben niet aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 19 januari 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert een bedrijf dat gespecialiseerd is in opslag, overslag en transport van goederen. Op 14 augustus 2018 heeft in een magazijn van eiseres een arbeidsongeval plaatsgevonden. [naam heftruckchauffeur] (vorkheftruckchauffeur) heeft tijdens zijn werkzaamheden bestaande uit het lossen van pallets uit een container, met de vorkheftruck vooruit gereden en over de voet van [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) gereden. Het zicht van de chauffeur was belemmerd door de lading – twee pallets met bigbags – op de vorken van de vorkheftruck. Ten gevolge van het ongeval is het slachtoffer één nacht in het ziekenhuis opgenomen geweest met een verbrijzelde voet (op vier plaatsen gebroken).

Het ongeval werd op 14 augustus 2018 gemeld bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Naar aanleiding hiervan heeft een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW onderzoek gedaan naar het ongeval en is tot de conclusie gekomen dat eiseres artikel 16, tiende lid, van het Arbobesluit in samenhang gelezen met artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit niet heeft nageleefd. Hiervan heeft hij een boeterapport opgemaakt.

In de brief van 23 mei 2019 heeft de staatssecretaris aan eiseres medegedeeld dat hij voornemens is een bestuurlijke boete aan eiseres op te leggen van € 4.500,-. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de vorkheftruckchauffeur vooruit reed terwijl zijn zicht was belemmerd door de lading op de vorken van de heftruck, waardoor de vorkheftruck niet uitsluitend is gebruikt op de wijze waarvoor hij is ingericht en bestemd. Verder heeft hij medegedeeld dat hij daarmee afwijkt van het boeterapport, omdat hij vindt dat sprake is van overtreding van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit, in plaats van het in het boeterapport genoemde artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit.

Eiseres heeft daartegen haar zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de staatssecretaris in het primaire besluit een bestuurlijke boete aan eiseres opgelegd van
€ 4.500,-.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit en is op 24 oktober 2019 gehoord op de hoorzitting bij het Ministerie van SZW.

Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de grondslag van de boete gewijzigd naar artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit, omdat de vorkheftruck niet zodanig is gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet (getroffen worden door het arbeidsmiddel, dan wel de lading daarop) zoveel mogelijk is voorkomen. Het boetebedrag is niet gewijzigd.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding, omdat de vorkheftruck op correcte wijze is gebruikt. Daarnaast voert zij aan dat zij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding. Zij heeft namelijk uitdrukkelijk een aantal zaken met het personeel besproken, waaronder de wijze van stickering. Verder heeft eiseres naar aanleiding van de inspecties op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen (brzo) in de afgelopen vijf jaren heel beperkt op- of aanmerking gekregen over de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de werkzaamheden. Ten slotte geeft eiseres aan dat adequaat toezicht is gehouden, nu ten tijde van het ongeval vier personen in het magazijn aanwezig waren, waaronder de operationeel manager.

Deze inspanningen dienen volgens eiseres te leiden tot een matiging van de boete. Door geen toepassing te geven aan de matigingsgronden zoals neergelegd in artikel 1, lid 11, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregel), wordt volgens haar een inbreuk gemaakt op het evenredigheidsbeginsel.

3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit is overtreden en dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij inspanningen heeft verricht die zijn toegespitst op het voorkomen van de concrete overtreding in dit concrete geval. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij aan een van de matigingsgronden heeft voldaan.

4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

5.1

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of sprake is van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit.

5.1.1

Het gaat bij artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit om de vraag of een arbeidsmiddel zodanig is geplaatst, bevestigd of ingericht en zodanig wordt gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoveel mogelijk is voorkomen. Daarbij is van belang dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. Dit betekent dat de overtreding vaststaat als aan de materiële voorwaarden van het artikellid is voldaan (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4172).

5.1.2

Uit de stukken en uit wat tijdens de zitting is besproken blijkt het volgende.

Op 14 augustus 2018 haalde heftruckchauffeur [naam heftruckchauffeur] pallets met daarop bigbags uit een container. De pallets werden naar de achterzijde van het magazijn verplaatst en daar in een rij opgesteld. Op de goederen werden stickers geplakt door het latere slachtoffer. Deze had vier pallets voorzien van een sticker en liep vervolgens richting een rij met pallets aan de achterkant van het magazijn om daar verder te gaan met het plakken van stickers. [naam heftruckchauffeur] had pallets met daarop twee bigbags van twee meter hoog op de vorkheftruck geladen. Met deze lading reed hij achteruit de container uit. Toen hij vervolgens - met beperkt zicht - vooruit reed om de pallets op de daarvoor bestemde plaats in het magazijn te lossen, kwam de vorkheftruck in aanraking met het slachtoffer.

Daarmee is het arbeidsmiddel, de vorkheftruck, niet zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordeed, zoveel mogelijk werd voorkomen. Aldus is sprake van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit.

5.1.3

Niet in geschil is dat, nu sprake is van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit, de staatssecretaris bevoegd is een bestuurlijke boete op te leggen.

5.2

Partijen verschillen vervolgens van mening over de vraag of de staatssecretaris terecht de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete niet heeft gematigd.

5.2.1

Zoals de ABRvS eerder heeft geoordeeld bestaat geen grond voor boeteoplegging in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1674). De situatie waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel. In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25%, namelijk:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en er een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbowetgeving;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden voor toepassing van een veilige werkwijze zijn gecreëerd.

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.

5.2.2

Als reden om de boete te matigen, heeft eiseres in de eerste plaats het volgende aangevoerd. De lading per pallet heeft een hoogte van twee meter en wanneer een pallet op de vorken van een heftruck wordt geplaatst, is het onvermijdelijk dat het zicht van de heftruckchauffeur vooruit wordt belemmerd. In dat geval moet de chauffeur volgens het Veiligheidshandboek Heftruckbestuurder en het Verkeersplan achteruit rijden. Volgens eiseres geldt dat voor de langere afstanden die gereden moeten worden. De chauffeur heeft het laatste stukje echter geen andere mogelijkheid dan vooruit te rijden om de pallets op de juiste plaats in het magazijn neer te zetten. Er ontstaat een gevaarlijke situatie indien andere personen aanwezig zijn in de zone waar de heftruckchauffeur met belemmerd zicht vooruit moet rijden. Om te voorkomen dat andere personen zich in de gevaarlijke zone bevinden en zodoende het risico op ongevallen te vermijden, heeft eiseres in de werkinstructies opgenomen dat de heftruckchauffeur de lading zelf dient te stickeren en dat anderen daarbij niet mogen helpen. De wijze van bestickeren heeft eiseres uitdrukkelijk met het personeel, waaronder het slachtoffer, besproken. Dit dient volgens eiseres op grond van matigingsgronden a. en c. te leiden tot boetematiging.

5.2.3

De rechtbank is van oordeel dat met deze werkinstructies niet wordt ondervangen dat personen zich om een andere reden in de gevaarlijke zone bevinden. Bovendien was het in de praktijk kennelijk niet ongebruikelijk dat, ondanks de instructies, werknemers elkaar hielpen met het stickeren. De instructies zijn daarmee niet adequaat en het feit dat eiseres de werkwijze uitdrukkelijk met haar personeel heeft besproken, is onvoldoende om aan te nemen dat zij zich voldoende heeft ingespannen om het aanrijdingsgevaar zoveel mogelijk te voorkomen. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de matigingsgronden onder a. en c.

5.2.4

In de tweede plaats is eiseres van mening dat zij de noodzakelijke randvoorwaarden heeft gecreëerd om de werkzaamheden veilig te laten uitvoeren (matigingsgrond b.). In dat verband heeft zij aangevoerd dat zij over de afgelopen 5 jaar vele inspecties op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) heeft gehad en dat zij in die periode heel beperkt op- en of aanmerkingen heeft gekregen over de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de werkzaamheden.

5.2.5

De rechtbank merkt allereerst op dat de Brzo-inspecties uitsluitend zien op de naleving van dat besluit. Op grond van het Brzo moeten bedrijven de risico’s inventariseren en alle maatregelen treffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. Het zegt iets over de algemene veiligheid in het bedrijf, maar niets over de inspanningen die eiseres heeft verricht om te voorkomen dat de concrete overtreding waar het in deze zaak om gaat (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit) zich zou voordoen. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van de staatssecretaris dat er op grond hiervan geen aanleiding is om de boete te matigen.

5.2.6

Ten slotte meent eiseres dat zij adequaat toezicht heeft gehouden op de werkplaats, omdat ten tijde van het ongeval naast de heftruckchauffeur en het slachtoffer, een warehouse medewerker en een operationeel manager aanwezig waren. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete dient te worden gematigd op grond van matigingsgrond d.

5.2.7

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de enkele opsomming van in totaal vier personen die op de werkplaats aanwezig waren, niet wie feitelijk toezicht hield en op welke wijze het toezicht is vormgegeven. Eiseres heeft hiermee onvoldoende aangetoond dat er ten tijde van het ongeval voldoende toezicht was. Aan matigingsgrond d. is dan ook niet voldaan.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen redenen zijn om de boete te matigen.

6. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 27 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet)

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Arbowet worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Arbowet legt een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

De algemene maatregel van bestuur die in de voorgaande artikelen wordt bedoeld, is het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit)

Artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit bepaalt dat een arbeidsmiddel zodanig is geplaatst, bevestigd of ingericht en zodanig wordt gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Op grond van artikel 9.9b, aanhef en onder g, van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met het voorschrift dat is opgenomen in artikel 7.4.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:41 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de beleidsregel)

Ingevolge artikel 1 wordt in de beleidsregel onderscheid gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten:

a. een zware overtreding (ZO), oftewel een overtreding die in de bijlage als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven;

b. een overtreding met directe boete (ODB), oftewel een overtreding die in de bijlage als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en

c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet zeven categorieën normbedragen worden onderscheiden, te weten:

1°. het 1e normbedrag € 340;

2°. het 2e normbedrag € 750;

3°. het 3e normbedrag € 1500;

4°. het 4e normbedrag € 3000;

5°. het 5e normbedrag € 4500;

6°. het 6e normbedrag € 9000;

7°. het 7e normbedrag € 13500;

In het zevende lid van dat artikel is bepaald dat in de bijlage bij deze beleidsregel per artikel, artikellid of onderdeel daarvan, dat is aangemerkt als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, is aangegeven welk categorie normbedrag zal worden opgelegd en om welk type overtreding het gaat.

Ingevolge het achtste lid van dat artikel zijn de in het derde lid genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende:

a. (..)

d. bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers betalen 50 procent;

Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening.

In het tiende lid van dat artikel is bepaald dat bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde kunnen zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde boetenormbedrag:

a. (..);

b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot blijvend letsel worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen met het volgende getal vermenigvuldigd:

3°. bij licht blijvend letsel met drie;

In het elfde lid van dat artikel is bepaald dat, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit kan leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.