Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3251

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7528
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7528 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van [uiterlijk 6 juli 2021] in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 4 januari 2019 (primaire besluit) heeft het UWV eiseres laten weten dat zij weliswaar recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), maar dat de uitkering blijvend niet wordt uitbetaald. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

In het besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de ZW-uitkering alsnog met toepassing van een maatregel van 50% wordt uitbetaald.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gelijktijdig met het beroep van eiseres met procedurenummer 20/9225 ZW, besproken op de zitting van de rechtbank op 25 mei 2021.

Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde en A.G. Lavrijsen namens het UWV.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres is vanaf 6 oktober 2006 werkzaam geweest als schoonmaakster bij een bedrijf (werkgever) voor 10 uur per week, op 2 dagen per week, waarvan vanaf 6 oktober 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De laatste tijd werkte eiseres in de privéwoning van de werkgever.

Eiseres heeft zich begin juni 2018 enkele keren ziek gemeld.

Eiseres en de werkgever hebben op 18 juni 2018 een vaststellingsovereenkomst getekend om de dienstbetrekking met ingang van 1 oktober 2018 te beëindigen. De dienstbetrekking is met ingang van 1 oktober 2018 daadwerkelijk beëindigd.

Eiseres heeft zich op 2 november 2018 bij het UWV vanaf 5 juni 2018 ziek gemeld voor dit werk vanwege diverse gezondheidsklachten.

In het primaire besluit heeft het UWV eiseres laten weten dat zij weliswaar met ingang van 5 juni 2018 recht heeft op een uitkering op grond van de ZW, maar dat deze blijvend niet wordt uitbetaald omdat eiseres een onnodig beroep doet op die uitkering.

2. Standpunt van het UWV

Het UWV stelt vast dat eiseres zich begin juni 2018 heeft ziek gemeld. De werkgever heeft vervolgens het initiatief genomen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Indien eiseres vond dat ze nog steeds ziek was, wat de verzekeringsarts later bevestigd heeft, had ze de vaststellingsovereenkomst niet moeten tekenen of juridische bijstand moeten inschakelen. Verder had eiseres de mogelijkheid om de ondertekende overeenkomst alsnog te ontbinden, maar zij heeft dit nagelaten. Het UWV verwijt eiseres dan ook dat zij meewerkte aan de vaststellingsovereenkomst. Daardoor is er een recht ontstaan op een ZW-uitkering, terwijl dat niet was ontstaan als eiseres zich aan haar verplichtingen had gehouden. Dan had de werkgever immers gedurende de ziekteperiode het loon moeten doorbetalen. Er is daarom sprake van een benadelingshandeling. Dit is een overtreding van een verplichting uit de vierde categorie, waarbij volgens het Maatregelenbesluit de standaardmaatregel een blijvend gehele weigering van de uitkering is.

Maar het UWV begrijpt ook dat eiseres de impact om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen op het moment dat zij tekende niet geheel kon overzien. Bovendien kan het UWV zich voorstellen dat eiseres druk ervaarde vanwege de voortvarendheid van de werkgever om het dienstverband te beëindigen. Er is daarom sprake van verminderde verwijtbaarheid. Hiermee bedoelt het UWV hetzelfde als met ‘niet in overwegende mate kan worden verweten’. Het UWV vindt een maatregel van een blijvende maatregel van 50% gerechtvaardigd. Omdat het plegen van een benadelingshandeling ernstiger is dan overtreding van de verplichtingen uit de derde categorie, rechtvaardigt dat een hogere maatregel dan de standaardmaatregel behorend bij overtreding van een verplichting uit de derde categorie.

3. Standpunt van eiseres

Eiseres stelt zich op het standpunt dat, omdat sprake is van een overtreding van een verplichting uit de vierde categorie waarbij sprake is van verminderde verwijtbaarheid, op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit het bepaalde onder c van dat artikel van toepassing is. De hoogte van de standaardmaatregel is dan 25% van het uitkeringsbedrag, en niet 50%, waarbij vervolgens kan worden gekeken of er aanleiding is om van de standaardmaatregel af te wijken. Het UWV heeft niet duidelijk gemaakt dat sprake is van een dusdanig verwijt dat een zwaardere maatregel dan de minimummaatregel van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit, namelijk 25% gedurende vier maanden, gerechtvaardigd is.

4. Wettelijk kader

4.1

In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is, voor zover van belang, bepaald dat het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, weigert indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen.

In het tweede lid is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In het zesde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

In het zevende lid is bepaald dat onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede wordt verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid.

4.2

De nadere regels als bedoeld in artikel 45, zesde lid, van de ZW, zijn gesteld in het Maatregelenbesluit Socialezekerheidswetten (hierna: Maatregelenbesluit).

In artikel 2, eerste lid, van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de hoogte en duur van een op te leggen maatregel, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 bedraagt, wordt vastgesteld op:

a. (…);

b. (…);

c. 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6;

d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is;

e. (…)

In het zesde lid is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, bij overtreding van de verplichting bedoeld in artikel 45, eerste lid aanhef en onder j, van de ZW onder “blijvend” wordt verstaan: voor de duur dat de verzekerde aanspraak op loon zou kunnen doen gelden.

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW.

5. Beoordeling door de rechtbank

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4304), is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres door het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd en dat dit volgens artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit een overtreding van een verplichting uit de vierde categorie is. De rechtbank gaat hier dan ook vanuit.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat de hierbij behorende standaardmaatregel een blijvend gehele (100%) weigering van de uitkering is.

De rechtbank stelt ook vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze overtreding eiseres niet in overwegende mate kan worden verweten. Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit is in zo’n geval onderdeel c van artikel 2 van het Maatregelenbesluit van toepassing.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 2, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit de standaardmaatregel 25 % van het uitkeringsbedrag bedraagt gedurende ten minste vier maanden bij overtreding van een verplichting uit de derde categorie. Deze bepaling geeft het UWV echter de bevoegdheid om zowel wat betreft de hoogte als de duur van de maatregel daarvan af te wijken.

De rechtbank is verder met het UWV van oordeel dat de verplichtingen uit de derde categorie, samengevat, re-integratieverplichtingen zijn. Eiseres heeft dit niet weersproken.

Tussen partijen is in geschil of het UWV de maatregel van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden had moeten opleggen of dat het UWV de maatregel van een blijvende weigering van 50% van het uitkeringsbedrag mocht opleggen.

De rechtbank kan het standpunt van het UWV volgen dat het plegen van een benadelingshandeling ernstiger is dan het overtreden van een verplichting uit de derde categorie. Bij een benadelingshandeling geeft de werknemer immers het recht op loondoorbetaling door de werkgever gedurende maximaal 104 weken arbeidsongeschiktheid (ziekte) van de werknemer volledig prijs en moet het UWV gedurende die periode de ZWuitkering betalen. Bij overtreding van een re-integratieverplichting gaat het er echter om dat als de werknemer deze verplichting had nageleefd er een kans was dat aan hem geen of minder ZW- uitkering zou zijn verstrekt door het UWV omdat de werknemer zelf (weer) inkomen had kunnen verwerven.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst haar recht op doorbetaling door haar werkgever gedurende 104 weken arbeidsongeschiktheid volledig heeft prijs gegeven. Haar kan daardoor meer worden verweten dan wanneer zij een re-integratieverplichting niet was nagekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom niet onredelijk dat het UWV zowel wat betreft de hoogte van de maatregel als de duur ervan ten nadele van eiseres is afgeweken van de standaardmaatregel van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit. De rechtbank vindt het daarom niet onredelijk dat het UWV de maatregel van blijvende weigering van 50% van het uitkeringsbedrag heeft opgelegd.

6. Conclusie en proceskosten

Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op [uiterlijk 6 juli 2021].

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.