Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3241

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
BRE 20/6906
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-7-2021
FutD 2021-2273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6906

uitspraak van 25 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , gevestigd te [adres],

belanghebbende (V.O.F.),

[belanghebbende 2] , wonende te [adres],

belanghebbende (vennoot),

[belanghebbende 3] , wonende te [adres],

belanghebbende (vennoot),

hierna gezamenlijk te noemen: belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 29 april 2020 op de bezwaren van belanghebbenden tegen de informatiebeschikkingen wegens het niet voldoen aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) met dagtekening 16 augustus 2017, referentienummer [nummer] (de informatiebeschikkingen).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbenden, vergezeld van hun gemachtigde

[gemachtigde], verbonden aan [bedrijf] te [adres], en namens de inspecteur,

[inspecteur], [inspecteur], en [inspecteur].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

De belanghebbenden zijn een V.O.F. (de V.O.F.) en de twee vennoten van de V.O.F (de broers). De vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de resultaten van de V.O.F. Haar ondernemingsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van een cafetaria met een klein café functie.

2.2.

Binnen de onderneming gaat contant geld om. Voor het bepalen van de omzet wordt gebruik gemaakt van een elektronische kassa die een kassa-/bestelbon produceert. Er worden geen kopieën van de bonnen bewaard.

2.3.

De dagelijkse omzet wordt bepaald aan de hand van de Z-afslag van de kassa. Er wordt geen dagelijks kasboek bijgehouden. De vennoten verzamelen de Z-afslagen, de bankafschriften en de betaalde inkoop- en kostennota’s en overhandigen deze gegevens één keer per maand aan hun boekhouder.

2.4.

De boekhouder verwerkt de gegevens in Excel en maakt een reconstructie van (i) de totaalomzet aan de hand van de aangeleverde Z-afslagen, (ii) de totaalomzet speelautomaten op basis van de afrekenstaten van de exploitant, (iii) het totaalbedrag aan contant uitbetaalde lonen, en (iv) alle mutaties op de zakelijke bankrekening.

2.5.

De inspecteur heeft per brief van 23 februari 2017 aangekondigd een boekenonderzoek te starten in verband met de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2012 tot en met 2015 van de broers en de aangiften omzetbelasting (OB) over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 van de V.O.F.

2.6.

Op basis van de aangetroffen boekhouding heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbenden niet aan hun wettelijke administratie- en bewaarplicht hebben voldaan. Hiervoor heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen aan de onderneming en aan de vennoten afgegeven.

2.7.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het gedeelte van de informatiebeschikking van de V.O.F. dat ziet op de OB-tijdvakken 2012 en 2013 niet-ontvankelijk verklaard wegens het opleggen van naheffingsaanslagen voor die tijdvakken waardoor de informatiebeschikkingen in zoverre van rechtswege zijn vervallen. Voor het overige heeft de inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard en de informatiebeschikkingen in stand gelaten.

2.8.

In geschil is het antwoord op de vraag of de resterende informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbenden hebben voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de AWR.

Ten aanzien van de informatiebeschikkingen in verband met de OB-tijdvakken 2014 en 2015:

2.9.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 52, tweede lid, van de AWR de V.O.F. administratieplichtig is met betrekking tot de onderneming die in de V.O.F. wordt uitgeoefend. De V.O.F. is dan ook gehouden van haar vermogenstoestand en van alles betreffende haar bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.1 De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.2 Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikel 52 van de AWR, de inspecteur dit vast kan stellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking). Op de inspecteur rust de last om aannemelijk te maken dat niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de AWR.

2.10.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 52 van de AWR. De primaire bescheiden zijn niet bewaard en er is geen gedetailleerd dagoverzicht van de kasadministratie bijgehouden. Dit leidt ertoe dat niet (binnen een redelijke termijn) gecontroleerd kan worden wat er in de onderneming gebeurt en of de omzet volledig wordt verantwoord, aldus de inspecteur.

2.11.

De rechtbank overweegt dat in een geval als het onderhavige de in een geautomatiseerd bestel- en kassasysteem ingevoerde detailgegevens op grond van artikel 52, eerste lid, van de AWR dienen te worden bewaard indien deze gegevens voor de heffing van belasting van belang zijn.3 Dergelijke detailgegevens vallen in beginsel onder de bewaarplicht, omdat met behulp van deze gegevens de volledigheid van de verantwoording van de omzet in geld kan worden geverifieerd aan de hand van een op goederenniveau te leggen verband tussen de (totale) inkoop en de (totale) verkoop, en die gegevens aldus voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Een dergelijk belang ontbreekt indien de administratie voldoende andere gegevens bevat die een afdoende controle binnen een redelijke termijn van de verantwoorde omzet in geld mogelijk maakt.4

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de inspecteur aannemelijk dat niet is voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 52 van de AWR. De wijze waarop de boekhouder de kasadministratie opstelt (zie 2.2 tot en met 2.4) zorgt voor een rondrekening van de informatie die wordt aangeleverd. Aan de hand daarvan is het niet mogelijk om de volledigheid van de omzet te controleren. Immers geeft de betreffende informatie alleen een beeld van de totaalomzet per dag volgens de Z-afslag, maar valt door het ontbreken van de detailinformatie niet te controleren of er retourboekingen plaatsvinden. Dit kan ook niet worden gecontroleerd aan de hand van andere gegevens, aangezien de vennoten ter zitting hebben verklaard dat er geen dagelijkse aantekeningen van de mutaties in de kassa zijn bijgehouden. Gezien de bevinding uit het boekenonderzoek dat bij de V.O.F. sprake is van een (te) lage brutowinstmarge - wat als zodanig niet is bestreden - is er daarbij aanleiding om te veronderstellen dat er een heffingsbelang is bij deze detailinformatie.

De betreffende informatie is ook niet meer voorhanden. Het kassasysteem dat werd gebruikt in de jaren waar het hier over gaat is namelijk kapot gegaan en weggegooid. Daarmee valt dit gebrek in de administratie niet meer te helen en is er sprake van een schending van artikel 52 van de AWR. De stelling van belanghebbenden dat zij aan de inspecteur hebben aangeboden dat hij de kassa mag komen uitlezen maakt dat niet anders. Immers zijn belanghebbenden zelf verantwoordelijk voor het bewaren van de administratie. Daarbij is ook niet gebleken dat de inspecteur enige toezegging heeft gedaan dat dit geen consequenties zou hebben. Nu belanghebbenden niet hebben voldaan aan de administratieplicht heeft de inspecteur de informatiebeschikking terecht opgelegd.

Ten aanzien van de informatiebeschikkingen in verband met de aangiften IB/PVV 2012 tot en met 2015:

2.13.

De inspecteur heeft de informatiebeschikkingen aan de vennoten opgelegd, omdat zij als winstgenieters administratieplichtig zijn met betrekking tot het bedrijf dat in de V.O.F. wordt uitgeoefend. Hun winst wordt bepaald door het resultaat van de V.O.F. Gelet op het feit dat met betrekking tot de V.O.F. niet aan de administratie- en bewaarplicht is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat tevens niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van de vennoten. De inspecteur heeft de informatiebeschikkingen terecht opgelegd.

2.14.

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.15.

Indien het beroep tegen een in artikel 52a, eerste lid, van de AWR bedoelde informatiebeschikking ongegrond wordt verklaard, stelt de rechtbank op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in die beschikking bedoelde verplichtingen in situaties waarin daaraan nog gevolg kan worden gegeven. Nu belanghebbenden de administratieplicht hebben geschonden en deze schending niet (meer) ongedaan kan worden gemaakt, stelt de rechtbank geen nieuwe termijn.5

2.16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie artikel 52, eerste lid, van de AWR.

2 Zie artikel 52, zesde lid, van de AWR.

3 Vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7256.

4 Vgl. Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1740.

5 Vgl. Hoge Raad 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822, r.o. 3.4.