Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3238

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
BRE 20/6808 en BRE 20/6809
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-7-2021
FutD 2021-2287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6808 en BRE 20/6809

uitspraak van 25 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [adres],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

- De uitspraak van de inspecteur van 6 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 (aanslagnummer [aanslagnummer]H.66.01), en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboete van € 5.278 en in rekening gebrachte belastingrente van € 988.

- De uitspraak van de inspecteur van 6 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een (maximum) bijdrage-inkomen van € 52.763 (aanslagnummer [aanslagnummer]W.66.01.4), en de in rekening gebrachte belastingrente van € 9.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur] en

[inspecteur].

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 21 april 2021 aan de gemachtigde van belanghebbende op het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 22 april 2021 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikking;

- vermindert de verzuimboete tot € 4.750.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming genaamd [bedrijf].

2.2.

Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting ingediend naar een totale jaaromzet in 2015 van € 92.932 en in 2016 van € 94.460.

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV over 2016 in te dienen. Belanghebbende heeft echter geen aangifte ingediend.

2.4.

Per brief met dagtekening 8 oktober 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangekondigd voornemens te zijn de aanslagen over 2016 op basis van een schatting van het belastbaar inkomen uit werk en woning op te leggen. Hij heeft tevens aangekondigd voornemens te zijn een verzuimboete op te leggen wegens het stelselmatig niet (tijdig) doen van aangifte. De inspecteur heeft belanghebbende daarbij in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na dagtekening van de brief alsnog een aangifte in te dienen en heeft daarbij aangegeven dat het alsnog indienen van de aangifte binnen de gestelde termijn aanleiding zal geven de boete te matigen. Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen aangifte ingediend.

2.5.

De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 opgelegd zoals aangekondigd en tevens een verzuimboete opgelegd van € 5.278.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen en de boete gehandhaafd.

2.7.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de hoorplicht geschonden?

2. Zijn de aanslagen naar de juiste bedragen opgelegd?

3. Is de verzuimboete terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd?

Ten aanzien van de eerste vraag: de hoorplicht

2.8.

Op grond van artikel 7:2 van de Awb moet een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, alvorens op het bezwaar wordt beslist. In afwijking daarvan bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat slechts een hoorzitting plaatsvindt indien een belanghebbende daarom verzoekt. Op grond van de eigen beleidsregels ligt het initiatief voor het horen bij de inspecteur.1

2.9.

Belanghebbende stelt − naar de rechtbank begrijpt − dat hij ten onrechte niet is gehoord. Belanghebbende lijkt daarbij aan te geven dat twee keer een uitnodiging daartoe niet is verstuurd. De inspecteur heeft belanghebbende echter drie keer gewezen op het hoorrecht met het verzoek aan belanghebbende om te reageren. Daarbij is een redelijke termijn gesteld waarbinnen belanghebbende zijn reactie kon geven (de antwoordkaartmethode).2 Doordat uit het beroepschrift niet valt op te maken van welke stukken de verzending wordt betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat in ieder geval één van de uitnodigingen door belanghebbende is ontvangen. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. De inspecteur heeft daarmee voldaan aan zijn verplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht dus niet geschonden.

Ten aanzien van de tweede vraag: de aanslagen

2.10.

Vaststaat dat belanghebbende niet tijdig aangifte heeft gedaan. De rechtbank laat in het midden of er gelet hierop grond is voor omkering en verzwaring van de bewijslast en overweegt hierbij als volgt. De inspecteur heeft de belastbare winst uit onderneming van € 75.000 gebaseerd op de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting 2015 en 2016. Belanghebbende heeft daartegenover niets aangevoerd waaruit volgt dat het resultaat lager moet zijn. De rechtbank acht het aannemelijk, gelet op de voorhanden zijnde financiële gegevens en de toelichting van de inspecteur ter zitting, dat sprake is van belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000. De stelling van belanghebbende dat de schatting mogelijk willekeurig te noemen is treft geen doel, aangezien de inspecteur voor zijn schatting gebruik heeft gemaakt van de voorhanden zijnde gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning niet te hoog vastgesteld.

2.11.

Aangezien de rechtbank op grond van de normale bewijslastverdeling reeds tot de conclusie is gekomen dat de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning niet te hoog heeft vastgesteld, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast.

2.12.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bijdrage-inkomen voor de aanslag Zvw 2016 terecht vastgesteld op het wettelijk maximum bedrag van € 52.763.

Ten aanzien van de derde vraag: de verzuimboete

2.13.

De inspecteur heeft op grond van artikel 67a van de AWR een verzuimboete opgelegd van € 5.278. Vaststaat dat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om uiterlijk 17 november 2017 aangifte te doen. Ook staat vast dat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan en daarmee in verzuim is. De mate van verwijtbaarheid speelt bij een verzuimboete geen rol, tenzij er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van avas niet gebleken. De inspecteur heeft de verzuimboete dus terecht opgelegd.

2.14.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboete in het onderhavige geval niet te hoog is. De inspecteur heeft wegens stelselmatig verzuim de maximale boete opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van stelselmatig verzuim. Uit het dossier blijkt dat 2016 het tiende achtereenvolgende belastingjaar is waarover belanghebbende heeft verzuimd (tijdig) zijn aangifte in te dienen. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Belanghebbende heeft immers niet voldaan aan de door de inspecteur gestelde voorwaarde voor matiging van de boete, namelijk het alsnog binnen twee weken na dagtekening van de aankondiging indienen van een aangifte IB/PVV 2016. Overige omstandigheden die zouden kunnen leiden tot matiging van de boete zijn gesteld noch gebleken. De boete is passend en geboden.

2.15.

Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie, vormt de duur van de procedures aanleiding om de boete ambtshalve te matigen. De inspecteur heeft de verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2016 aan belanghebbende kenbaar gemaakt per brief met dagtekening 8 oktober 2018. De rechtbank stelt die datum vast als aanvangsmoment van de redelijke termijn voor de behandelduur van de procedure. De rechtbank doet uitspraak op 25 juni 2021. Sinds de aankondiging van de boete is 2 jaar en (afgerond) 9 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van 2 jaar is overschreden met afgerond 9 maanden. De boete bij de aanslag IB/PVV 2016 is daarom verminderd met 10% tot € 4.750. Dit leidt echter niet tot een gegrond beroep omdat sprake is van een ambtshalve constatering van overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

Belastingrente

2.16.

De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrente onjuist is berekend.

Slotsom

2.17.

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie paragraaf 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.

2 Zie artikel 7:3, aanhef en onderdeel d, van de Awb.