Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3208

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
BRE 19_5075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1702
V-N 2021/35.19.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/5075, 20/4902, 20/4990 en 20/9193

uitspraak van 29 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2014 tot en met 2017 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Voor de jaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV. Voor de jaren 2016 en 2017 heeft belanghebbende regulier bezwaar tegen de aanslagen aangetekend. Ook heeft belanghebbende voor de jaren 2014, 2015 en 2016 de inspecteur in gebreke gesteld en verzocht om toekenning van een dwangsom.

1.2.

De inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar alle aanslagen IB/PVV gehandhaafd. Bij afzonderlijke beschikkingen heeft de inspecteur geen dwangsommen aan belanghebbende toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroepen ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende griffierecht geheven.

1.4.

De inspecteur heeft voor ieder beroep een afzonderlijk verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op zeer veel verschillende data in alle procedures aanvullende stukken en conclusies van repliek ingediend. Deze stukken zijn steeds in kopie doorgestuurd aan de inspecteur.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij brief met dagtekening 23 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek in alle onderhavige zaken gesloten en binnen zes weken een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

Bij brief van 27 mei 2021 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn in deze zaken met zes weken verlengd.

2 Feiten

2.1.

Op 10 juni 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) uitspraak gedaan in het door belanghebbende ingestelde hoger beroep tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over de jaren 2008 en 2009, de navorderingsaanslag IB/PVV over 2009 en de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2010.

2.2.

Uit de uitspraak blijkt dat partijen ter zitting bij de meervoudige kamer van het Hof op 13 mei 2016 ter beslechting van de geschilpunten bij wijze van compromis overeenstemming hebben bereikt. Het compromis behelst, zo begrijpt de rechtbank, staking van de onderneming van belanghebbende per 31 december 2009 met inachtneming van € 100.000 stakingswinst en voor het jaar 2010 een verlaging van de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. Het Hof heeft:

  • -

    de uitspraak van de rechtbank Den Haag bevestigd, behoudens de beslissingen over de navorderingsaanslag IB/PVV 2009, de aanslag IB/PVV 2010, de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking;

  • -

    de uitspraken van de inspecteur die zien op de navorderingsaanslag IB/PVV

2009 en de aanslag IB/PVV 2010, de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking vernietigd;

  • -

    de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 verminderd in die zin dat de stakingswinst wordt vastgesteld op € 100.000, onder handhaving van de overige elementen van de navorderingsaanslag;

  • -

    de bijbehorende beschikking heffingsrente gewijzigd met inachtneming van die vermindering;

  • -

    de boetebeschikking verminderd in die zin dat de boete wordt verminderd tot 10 percent van de verschuldigde belasting;

  • -

    de aanslag IB/PVV 2010 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.488 (ongewijzigd) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.871;

  • -

    de bijbehorende beschikking heffingsrente gewijzigd met inachtneming van die vermindering; en

  • -

    de inspecteur gelast aan belanghebbende € 123 aan griffierecht te vergoeden.

Onder deze uitspraak is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen. Belanghebbende heeft geen cassatie ingesteld tegen deze uitspraak. Wel heeft belanghebbende verzocht om een proces-verbaal van de zitting. Deze is door het Hof niet aan hem verstrekt. Ook heeft belanghebbende een aantal keren een herzieningsverzoek ingediend bij het Hof, maar steeds heeft belanghebbende het herzieningsverzoek weer ingetrokken.

2014

2.3.

Op 6 april 2015 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening 28 mei 2016 de definitieve aanslag IB/PVV 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.3.1.

Op 19 september 2019 heeft belanghebbende een verzoek gedaan om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2014. Dit verzoek heeft de inspecteur op 21 november 2019 afgewezen waartegen belanghebbende op 22 november 2019 bezwaar heeft gemaakt. Op 14 februari 2020 heeft de inspecteur van belanghebbende een dwangsomformulier ontvangen. De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 20 februari 2020 afgewezen en met dagtekening 6 maart 2020 de ingebrekestelling prematuur verklaard en derhalve geen dwangsom toegekend.

2.3.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar op 28 februari 2020 digitaal beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/4990 en de rechtbank heeft € 48 griffierecht geheven van belanghebbende.

2015

2.4.

Voor het jaar 2015 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend. Met dagtekening 28 oktober 2016 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd conform de ingediende aangifte. Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof (zie 2.2) heeft belanghebbende op 27 juni 2019 bezwaar gemaakt en op 23 juli 2019 een hernieuwde aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Op 7 oktober 2019 heeft de inspecteur van belanghebbende een dwangsomformulier ontvangen met betrekking tot zijn hernieuwde aangifte IB/PVV 2015. Met dagtekening 9 oktober 2019 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hij heeft het bezwaar aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek in hetzelfde geschrift als de uitspraak op bezwaar afgewezen. Hiertegen heeft belanghebbende op 5 november 2019 bezwaar gemaakt.

2.4.1.

Op 17 februari 2020 heeft de inspecteur dat bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft een kopie van die (niet ondertekende) uitspraak op 24 februari 2020 digitaal aan de rechtbank gestuurd. Daarbij heeft hij opgemerkt dat sprake is van een ongeldig besluit en gesteld dat hij een beroep niet tijdig beslissen zou indienen als hij geen getekend exemplaar van de uitspraak op bezwaar zou ontvangen. Hierbij heeft belanghebbende tevens diverse gronden genoemd op grond waarvan de volgens belanghebbende ongeldige uitspraak op bezwaar niet juist zou zijn. De griffie van de rechtbank heeft dit stuk aangemerkt als beroepschrift gericht tegen de uitspraak op bezwaar van het verzoek om ambtshalve vermindering IB/PVV 2015 en € 48 griffierecht geheven. Aan dit beroep heeft zij zaaknummer BRE 20/4902 toegekend.

Ook heeft belanghebbende de inspecteur nog in gebreke gesteld nu er volgens hem niet tijdig is beslist omdat de uitspraak op bezwaar niet is ondertekend. Op 8 april 2020 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat geen dwangsombeschikking zal worden afgegeven omdat reeds op het bezwaar is beslist.

2016

2.5.

Met betrekking tot het jaar 2016 heeft belanghebbende op 2 maart 2017 twee identieke aangiften IB/PVV ingediend. Op 16 maart 2019 heeft belanghebbende wederom een aangifte IB/PVV 2016 ingediend. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 22 maart 2019 medegedeeld voornemens te zijn af te wijken van de ingediende aangiften. Met dagtekening 17 mei 2019 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2016 opgelegd conform het eerder gestuurde voornemen. Hiertegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de beslistermijn voor dat bezwaar op 17 juli 2019 eenzijdig met zes weken verlengd.

2.5.1.

De voorgenomen uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur op 23 september 2019 verstuurd naar het oude adres van belanghebbende. In deze brief heeft de inspecteur ook data opgenomen voor de inzage en het hoorgesprek. Deze brief is echter onbestelbaar retour gekomen.

2.5.2.

Op 24 september 2019 heeft de inspecteur van belanghebbende een ingebrekestelling ontvangen. Op 1 oktober 2019 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Op 3 oktober 2019 heeft de inspecteur beslist op de ingebrekestelling en geen dwangsom aan belanghebbende toegekend. Ook de uitspraak op bezwaar en de beslissing met betrekking tot de dwangsom heeft de inspecteur gestuurd naar het oude adres van belanghebbende.

2.5.3.

Op 9 oktober 2019 heeft belanghebbende een beroep wegens het niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 19/5075 en van belanghebbende is € 48 griffierecht geheven.

2.5.4.

Nadat belanghebbende beroep wegens niet tijdig beslissen heeft ingesteld heeft hij, op 10 oktober 2019, alsnog de uitspraak op bezwaar ontvangen. Een kopie van deze uitspraak heeft hij gestuurd aan de rechtbank met daarbij ook gronden die gericht zijn tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft een en ander zo opgevat dat belanghebbende ook tegen de afwijzing van zijn bezwaar in beroep komt en de procedure op die manier ook inhoudelijk wenst voort te zetten.

2017

2.6.

Op 1 maart 2018 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV ingediend. Op 31 maart 2018 en op 23 februari 2019 heeft belanghebbende eveneens aangiften IB/PVV 2017 ingediend. De inspecteur heeft over de ingediende aangiften vragen aan belanghebbende gesteld en belanghebbende heeft de vragen beantwoord.

2.6.1.

Met dagtekening 11 augustus 2020 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2017 opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de inspecteur op 20 oktober 2020 toegewezen in zoverre dat de peildatum voor het vaststellen van de waarde van de eigen woning niet 1 januari 2016 maar 1 januari 2017 is. Deze wijziging heeft geen effect gehad op het belastbaar inkomen uit werk en woning. Voor het overige heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.6.2.

Belanghebbende heeft daartegen op 28 oktober 2020 beroep ingesteld. De rechtbank heeft zaaknummer BRE 20/9193 aan dit beroep toegekend en € 48 griffierecht van belanghebbende geheven.

Alle jaren

2.7.

Voor alle procedures geldt dat de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om telefonisch te worden gehoord. In de procedures waarbij belanghebbende niet op het voorstel van de inspecteur heeft gereageerd heeft de inspecteur getracht telefonisch met belanghebbende in contact te komen om een afspraak te maken voor het inzage- en hoorrecht. Belanghebbende heeft steeds te kennen gegeven van zijn hoorrecht gebruik te willen maken, maar dat niet telefonisch te willen doen.

2.8.

Belanghebbende is in de onderhavige jaren eigenaar van, onder andere, het pand aan de [adres] . Dit pand bestaat, in ieder geval tot 1 januari 2017, uit twee delen, nummer [A] en [B] . Nummer [A] betreft de eigen woning van belanghebbende. Belanghebbende heeft in zijn aangiften/verzoeken om ambtshalve vermindering het pand opgenomen als één object en aangegeven als onderdeel van de (winst uit) onderneming. De inspecteur heeft dat steeds gecorrigeerd. Nummer [A] heeft de inspecteur aangemerkt en belast als eigen woning. Nummer [B] heeft de inspecteur opgenomen in de grondslag van de berekening voor het inkomen uit sparen en beleggen.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 2014 en 2015 terecht heeft afgewezen en of hij de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 niet naar een te hoog bedrag heeft opgelegd. Nagenoeg alle geschilpunten zijn terug te voeren op de vraag of de uitspraak van het Hof nietig is.

Voorts is belanghebbende van mening dat hij recht heeft op een dwangsom omdat er niet tijdig is beslist en omdat de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2015 niet is ondertekend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen dan wel de verminderingsbeschikkingen conform de door belanghebbende opgestelde berekeningen/ingediende nadere aangiften.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf – IB/PVV 2015

4.1.

Belanghebbende stelt dat hij pas op 28 februari 2020 beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering over 2015. Het door hem op 24 februari 2020 ingediende stuk was slechts een waarschuwing aan de inspecteur. Dat beroep, door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/4902, is volgens belanghebbende derhalve ten onrechte geregistreerd en hij heeft daarvoor ten onrechte griffierecht betaald. Omdat hij op 28 februari 2020 zowel tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het jaar 2014 als 2015 in beroep is gegaan is hij voor beide jaren slechts eenmaal griffierecht verschuldigd. Dit betekent volgens belanghebbende dat eenmaal griffierecht van € 48 aan hem moet worden terugbetaald.

4.2.

In artikel 6:5, eerste lid, van de Awb staan de vereisten waaraan een beroepschrift moet voldoen. In het door belanghebbende digitaal ingediende stuk staan zijn naam en adres vermeld, alsook een dagtekening. Een kopie van de uitspraak op bezwaar is toegevoegd en uit de tekst die belanghebbende zelf als aanvullende informatie heeft opgenomen kan worden afgeleid waarom hij het niet eens zou zijn met de uitspraak op bezwaar. Voor dat geval heeft de griffie het door belanghebbende ingediende stuk terecht aangemerkt als beroepschrift. Dat belanghebbende van mening is dat sprake is van een gebrek aan de uitspraak op bezwaar omdat deze niet is ondertekend, maakt dat niet anders. De rechtbank merkt op dat het niet mogelijk is om bij haar een stuk in te dienen enkel als waarschuwing voor de inspecteur. Als een stuk namelijk niet bij een beroepszaak hoort dan zal het aan de indiener worden teruggestuurd en niet, zoals belanghebbende blijkbaar wenste, worden doorgestuurd aan de inspecteur. Het zaaknummer BRE 20/4902 is terecht aangemaakt voor de behandeling van het beroep van belanghebbende met betrekking tot de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2015. Derhalve is het griffierecht ook terecht van belanghebbende geheven.

4.3.

Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende zelf, in zijn stuk van 28 februari 2020, opmerkt dat hij de niet ondertekende uitspraak op bezwaar als rechtsgeldig zal beschouwen. Op de vraag of er sprake is van een rechtsgeldige uitspraak op bezwaar ondanks dat deze niet is ondertekend zal de rechtbank dan ook niet ingaan.

Vooraf – horen en inzagerecht

4.4.

Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt het bestuursorgaan, vóórdat het op het bezwaar beslist, belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Daarvan kan ingevolge artikel 7:3 van de Awb slechts worden afgezien in een beperkt aantal gevallen. Artikel 25, eerste lid, van de AWR bepaalt dat in afwijking van artikel 7:2 van de Awb slechts een hoorgesprek plaatsvindt indien een belanghebbende daarom verzoekt. Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB), onderdeel 9, bepaalt echter dat het initiatief voor het horen (in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de AWR en conform artikel 7:2 van de Awb) bij de inspecteur ligt. Artikel 7:3, onderdeel d, van de Awb en onderdeel 9, onder 2, van het BFB brengen mee dat de inspecteur kan afzien van horen wanneer de belanghebbende niet binnen een door de inspecteur gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord.

4.5.

Belanghebbende stelt dat zijn hoor- en inzagerecht zijn geschonden. Hij wil enkel gehoord worden in [plaats] en voorafgaand aan het horen wil hij inzage in zijn complete dossier, dus over alle lopende jaren, ook in [plaats] . Verder wil belanghebbende alleen fysiek worden gehoord en niet telefonisch omdat hij geen controle heeft als telefonisch wordt gehoord. Volgens belanghebbende zijn de regels over het hoor- en inzagerecht helder en doen de vanwege de Covid-19 pandemie geldende beperkende maatregelen daaraan niet af omdat horen volgens hem in [plaats] veilig kan gebeuren. Hoewel belanghebbende in eerste instantie verzoekt om terugwijzing naar de inspecteur om alsnog gebruik te kunnen maken van zijn inzage- en hoorrecht, heeft hij later aangegeven geen terugwijzing meer te wensen omdat de standpunten helder zijn.

4.6.

De inspecteur stelt dat er geen sprake is van schending van het hoor- en inzagerecht. Aan belanghebbende zijn mogelijkheden geboden voor het effectueren van zijn hoor- en inzagerecht, maar belanghebbende heeft steeds nieuwe voorwaarden naar voren gebracht waaronder hij die rechten zou willen effectueren. De inspecteur is daarin niet meegegaan. Indien wel sprake zou zijn van schending van het hoor- en inzagerecht dan is dat volgens de inspecteur geen reden om de uitspraken op bezwaar te vernietigen en hem te gelasten dat verzuim alsnog te herstellen nu de uitspraak op bezwaar redelijkerwijs niet anders zou zijn geweest en belanghebbende dus niet is benadeeld.

4.7.

De uitbraak van Covid-19 is een uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheid. In navolging van de op dat moment in Nederland geldende maatregelen heeft de Belastingdienst haar kantoren gesloten en besloten om geen fysieke hoorgesprekken toe te staan. Het aan belanghebbende geboden alternatief van telefonisch horen komt de rechtbank niet onredelijk voor, mede gelet op de impact en gevolgen van Covid-19. Dat belanghebbende van mening is dat in [plaats] veilig fysiek kan worden gehoord maakt dat niet anders. Nu belanghebbende expliciet heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de door de inspecteur geboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord en hij voorts de inspecteur heeft gesommeerd om uitspraak op zijn bezwaren te doen is de rechtbank van oordeel dat het hoorrecht van belanghebbende niet is geschonden.

Rechtsgeldigheid uitspraak Hof Den Haag

4.8.

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de uitspraak van het Hof nietig is nu er geen sprake is van een door beide partijen ondertekend compromis. Volgens belanghebbende was er tijdens de mondelinge behandeling op 13 mei 2016 sprake van dwang en kon hij de gevolgen niet overzien. Ook is het bedrag van € 100.000 stakingswinst volgens hem ter zitting niet genoemd. Omdat de uitspraak volgens belanghebbende nietig is, is er geen sprake van een staking van de onderneming per 31 december 2009 en behoren de diverse panden in latere jaren niet tot de grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen, maar in de grondslag voor het inkomen uit werk en woning (winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden). Dit heeft hij ook als zodanig verwerkt in de aanvullend ingediende aangiften over de jaren 2014 tot en met 2016 en in de verzoeken om ambtshalve vermindering.

4.9.

Het is niet in geschil dat belanghebbende geen beroep in cassatie heeft ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Verder heeft belanghebbende geen herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb ingediend bij het Hof, althans, dat herzieningsverzoek heeft hij weer ingetrokken. Dat betekent dat de uitspraak van het Hof van 10 juni 2016 onherroepelijk vaststaat. Het is niet aan de rechtbank om een uitspraak van het Hof nietig te verklaren. Voorts is de verwerking van de staking en de overgang van de panden van het inkomen uit werk en woning naar het inkomen uit sparen en beleggen ook als zodanig verwerkt in de aanslagen IB/PVV over 2009 en 2010. Ook deze aanslagen staan onherroepelijk vast. Dan staat vast dat de onderneming van belanghebbende per 31 december 2009 is gestaakt en dat de op dat moment in de onderneming aanwezige panden moeten worden belast als inkomen uit sparen en beleggen. Dat betekent ook dat de inspecteur belanghebbendes verzoeken om ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 en het bezwaar van belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 voor dit deel van het geschil terecht heeft afgewezen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Pand [adres]

4.10.

Nu vaststaat dat de uitspraak van het Hof moet worden gevolgd staat ook vast dat de staking van de onderneming per 31 december 2009 heeft plaatsgevonden. De op dat moment in de onderneming aanwezige panden worden daardoor met ingang van 1 januari 2010 belast als inkomen uit sparen en beleggen.

Het pand [adres] bestaat uit nummer [A] en [B] . Uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2018 (zaaknummer ROT 17/6353) blijkt dat het pand voor en op 1 januari 2016 bestond uit twee woningen, namelijk [adres] [A] en [B] . Die twee woningen zijn in 2016 samengevoegd tot één onroerende zaak, zijnde [adres] . Anders dan belanghebbende stelt is er dus pas sprake van één pand vanaf 1 januari 2017, behorende bij de aanslag IB/PVV 2017. Tot dat jaar is er sprake van twee panden waarvan [adres] [A] als eigen woning dient te worden aangemerkt en [adres] [B] als onroerende zaak in het inkomen uit sparen en beleggen. Over de te hanteren waarde van het pand (of de panden) bestaat geen geschil.

4.11.

Dit betekent dat het pand juist is verwerkt in de aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2016. De aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2016 blijven dan ook in stand. Voor het jaar 2017 was dat in eerste instantie niet het geval omdat een onjuiste waardepeildatum en daarmee samenhangende WOZ-waarde was opgenomen. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de WOZ-waarde van het pand gewijzigd. Omdat er echter geen sprake is van een eigenwoningschuld en daarmee samenhangende rentebetalingen heeft die correctie geen invloed op het belastbaar inkomen uit werk en woning. Volgens artikel 3.123a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt er namelijk geen voordeel uit eigen woning bij het belastbaar inkomen opgeteld als dat voordeel meer bedraagt dan de aftrekbare kosten met betrekking tot die eigen woning. Omdat de aanslag IB/PVV 2017 wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte blijft ook die aanslag in stand.

Diversen

4.12.

Belanghebbende verzoekt in een van zijn laatst ingediende stukken om ook de aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2010 te herzien. Nu die aanslagen geen onderdeel zijn van deze procedures, die betreffen immers slechts de jaren 2014 tot en met 2017, kan de rechtbank daarover geen oordeel geven.

4.13.

Belanghebbende heeft een aantal taxatierapporten ingebracht welke zijn opgesteld door de Belastingdienst in het kader van de procedures over de jaren 2008 tot en met 2010. Deze taxaties zijn verricht op 23 oktober 2012. Belanghebbende stelt dat deze taxaties niet kunnen worden gebruikt omdat het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht te taxeren. Ook heeft hij correspondentie met betrekking tot door hem ingediende klachten over deze rapporten ingediend. Nu de waarde van de onroerende zaken ten tijde van de staking van de onderneming van belanghebbende geen onderwerp zijn van dit geschil mag de rechtbank hierover geen oordeel geven. Immers, zoals geoordeeld in 4.9 staat de uitspraak van het Hof vast.

4.14.

Belanghebbende heeft ook stukken ingediend met betrekking tot een fiscaal compromis in 2014 en het proces-verbaal van een zitting bij de rechtbank Den Haag in datzelfde jaar. Nu de in die stukken in aanmerking genomen jaren hier niet ter discussie staan zal de rechtbank daarover geen oordeel geven.

4.15.

Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, maken het oordeel van de rechtbank niet anders.

Ingebrekestelling / dwangsom

2014

4.16.

Omdat de inspecteur op 6 februari 2020 de beslistermijn eenzijdig met zes weken heeft verlengd is de ingebrekestelling van belanghebbende op 13 februari 2020 prematuur. Om die reden heeft belanghebbende voor 2014 geen recht op een dwangsom.

2015

4.17.

De inspecteur heeft op 17 februari 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. Omdat deze uitspraak niet is ondertekend stelt belanghebbende dat er geen rechtsgeldige uitspraak op bezwaar is gedaan. Om die reden heeft hij de inspecteur op 13 februari 2020 een ingebrekestelling gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de brief met dagtekening 17 februari 2020 overduidelijk een uitspraak op bezwaar, nu belanghebbende de brief niet anders had kunnen begrijpen dan dat de inspecteur de zaak daarmee als afgedaan beschouwde1 en er een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. Dat deze uitspraak niet is ondertekend maakt dat niet anders. Overigens heeft belanghebbende in zijn stuk van 28 februari 2020 zelf aangegeven de brief van 17 februari 2020 aan te merken als rechtsgeldige uitspraak op bezwaar. Nu de inspecteur tijdig uitspraak op bewaar heeft gedaan heeft belanghebbende geen recht op toekenning van een dwangsom.

2016

4.18.

Belanghebbende heeft op 9 oktober 2019 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbende. Op 24 september 2019 heeft belanghebbende de inspecteur daartoe in gebreke gesteld. Niet in geschil is dat de inspecteur op 1 oktober 2019 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Belanghebbende stelt echter dat hij, vanwege de onjuiste adressering door de inspecteur, pas op 10 oktober 2019 de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Om die reden verzoekt belanghebbende toekenning van een dwangsom voor drie dagen.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb treedt een besluit pas in werking als deze aan belanghebbende bekend is gemaakt. Vaststaat dat de inspecteur op 1 oktober 2019 uitspraak op het bezwaar van belanghebbende heeft gedaan en dat de uitspraak op bezwaar belanghebbende pas op 10 oktober 2019 heeft bereikt als gevolg van onjuiste adressering door de inspecteur. Nu belanghebbende de inspecteur op 24 september 2019 een ingebrekestelling heeft gestuurd is de eerste dag waarop de inspecteur een dwangsom verbeurt 9 oktober 2019. Omdat de uitspraak op bezwaar op 10 oktober 2019 aan belanghebbende bekend is gemaakt heeft belanghebbende recht op een dwangsom voor 2 dagen, zijnde € 40.

4.19.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen inhoudelijk ongegrond te worden verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2016 dient gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en belanghebbende voor het overige niet om vergoeding van proceskosten heeft verzocht. Wel dient de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 te vergoeden voor de procedure wegens het niet tijdig beslissen met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen inhoudelijk ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep met betrekking tot het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 gegrond;

  • -

    stelt de door de inspecteur verbeurde dwangsom vast op € 40;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 29 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. Hoge Raad 23 juni 1993, nr. 28 984, ECLI:NL:HR:1993:ZC5389.