Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:318

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10281 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzen verzoek niet over te gaan tot sluiting van een woning o.g.v. de Opiumwet art. 13-B

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10281 VV

uitspraak van 27 januari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: F.H.M. van Oorschot,

en

de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 17 november 2020 en 8 december 2020 (samen: bestreden besluit) van de burgemeester over de sluiting van de woning aan [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker]. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 januari 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam bewindvoerder], verzoekers bewindvoerder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D.I.F. Videler.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is eigenaar van de woning aan [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker].

Door de politie is op 10 september 2020 in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Bij brief van 29 oktober 2020 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hierop geen zienswijze ingediend.

De burgemeester heeft verzoeker bij besluit van 17 november 2020 op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet gelast om de woning per 25 november 2020 te sluiten en er zorg voor te dragen dat het pand gesloten blijft voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 8 december 2020 heeft de burgemeester dit aangevuld en daarbij verzoeker gelast om de woning per 7 januari 2021 te sluiten en er zorg voor te dragen dat het pand gesloten blijft voor een periode van drie maanden.

Het hiertegen ingediende beroepschrift is door de rechtbank doorgestuurd naar de burgemeester ter behandeling als bezwaar.

Verzoeker heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij al jaren bekend is bij GGZ WNB en op 10 september 2020 met een crisismaatregel opgenomen is geweest bij GGZ WNB, afdeling [naam afdeling]. Door de [naam stichting] is inmiddels zoveel mogelijk orde op zaken gesteld. Verzoeker legt een aantal berichten van onder andere GGZ WNB, zijn vader en [naam stichting] over. Het is essentieel dat een stabiele situatie ontstaat zowel psychisch als in financiële zin. Het persoonlijk belang dient in dit geval te prevaleren. Het beschermingsbewind garandeert dat er een andere weg is ingeslagen, waarbij werk zal worden gemaakt van een schuldsanering. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. In artikel 2 van de Opiumwet is, voor zover thans van belang, bepaald, dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren of aanwezig te hebben.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5. Ter beoordeling ligt aan de voorzieningenrechter voor of de verwachting bestaat dat het besluit van de burgemeester, waarbij aan verzoeker een last onder bestuursdwang is opgelegd tot sluiting van de woning gedurende drie maanden, in bezwaar stand zal houden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat in de woning van verzoeker een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen met 320 hennepplanten. Deze hoeveelheid is door de burgemeester terecht aangemerkt als een handelshoeveelheid. Daarnaast is niet in geschil dat op 12 maart 2019 in de woning van verzoeker eveneens een hennepkwekerij is aangetroffen.

De burgemeester hanteert het beleid zoals neergelegd in “Damoclesbeleid District de Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom 2020”. Hierin is neergelegd dat bij een 2e overtreding de woning voor 3 maanden wordt gesloten.

Gelet hierop is de burgemeester bevoegd om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet sluiting van de woning voor een periode van drie maanden te gelasten.

Het besluit tot sluiting van de woning voor drie maanden is in overeenstemming met het Damoclesbeleid. Dit betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester terecht tot sluiting heeft besloten. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling. Daarbij dient hij te beoordelen of er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn als gevolg waarvan de sluiting onevenredig is in verhouding tot de belangen die de beleidsregel moet dienen.

6. Tussen partijen is in geschil of de burgemeester in dit geval in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Bij de beantwoording van die vraag, hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912). Daarbij dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is.

In de woning van verzoeker is een hoeveelheid hennepplanten aangetroffen die groter is dan de hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij een dergelijke hoeveelheid is het in beginsel aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Niet in geschil is dat verzoeker een deel van zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor de opzet van een hennepkwekerij. Niet is gesteld, noch is gebleken dat er vanuit de woning drugs is verhandeld en dat er daarmee loop van drugsgebruikers naar de woning is geweest. Tevens is niet in geschil dat er geen meldingen van overlast rondom de woning zijn geweest. Wel volgt de rechtbank het standpunt dat criminelen naar de woning kwamen om de hennepplanten te verzorgen. Ook overweegt de voorzieningenrechter dat het exploiteren van een hennepkwekerij gevaar met zich brengt voor de omgeving. Gelet op het vorenstaande bestaat een noodzaak tot sluiting van de woning ter bescherming van het woon- en leefklimaat en herstel van de openbare orde.

Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Voor de beoordeling van de evenredigheid is het navolgende van belang.

Uit de stukken blijkt dat verzoeker op de dag waarop de hennepkwekerij is ontdekt in verband met een psychose is opgenomen op de crisisopvang. Verzoeker gebruikte toen al bijna een jaar geen medicatie voor zijn psychische gesteldheid.

Uit de stukken blijkt ook dat verzoeker op 7 december 2020 onder beschermingsbewind is gesteld op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Inmiddels krijgt verzoeker weer medicatie en lijkt zijn toestand zich te stabiliseren. Zowel uit het verhandelde ter zitting als uit de overgelegde stukken, de brieven van de behandeld psychiater en de casemanger, blijkt wel dat sprake is van een ‘fragiele toestand’, dat verzoeker drie weken nadat hij zijn depot ontvangt psychotische verschijnselen krijgt en mede daarom een stabiele en veilige situatie en omgeving noodzakelijk is. De stelling van verweerder dat verzoeker daarvoor niet persé in de woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] hoeft te verblijven, is juist. Echter is niet gebleken dat verzoeker andere woonruimte heeft, die de voor hem benodigde stabiliteit biedt, als hij zijn woning in verband met de opgelegde maatregel tijdelijk moet verlaten.

De stelling van verweerder ter zitting dat ervaring leert dat personen wiens woning wordt gesloten meestal wel ‘op hun pootjes terecht komen’ volgt de voorzieningenrechter niet. Onbetwist is dat verzoeker geen huurwoning op korte termijn kan betrekken en dat zijn familie heeft aangegeven hem niet in huis te nemen gelet op gebeurtenissen in het verleden. Daarnaast volgt de voorzieningenrechter het standpunt van verzoeker dat maatschappelijke opvang in dit geval geen goede oplossing is nu verzoeker sociaal kwetsbaar is en dit de kans op een terugval, met alle gevolgen van dien, kan vergroten.

Voorts is gebleken dat de bewindvoerder bezig is met de aanpak van de schuldenproblematiek van verzoeker en dat de woning zal worden verkocht. Door de woning te sluiten, komt dit proces ook grotendeels stil te liggen. Dit komt de financiële situatie, en daarmee ook de psychische toestand, van verzoeker niet ten goede.

Gelet op het voorgaande is de noodzaak om de woning te sluiten aanwezig, terwijl sluiting tevens grote gevolgen heeft voor verzoeker. De voorzieningenrechter overweegt dat de sluiting gevolgen heeft die vergaand zijn voor verzoekers psychische gesteldheid. Daarnaast is niet gebleken dat vervangende woonruimte aanwezig is en maatschappelijke opvang is in het onderhavige geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment geen passende optie. Verzoeker is, gelet op zijn psychose mogelijk een minder groot verwijt te maken bij de drugshandel dan waarvan verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan. Op deze punten is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan, zodat de bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb niet volledig zijn beoordeeld. Aldus kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Dat is echter een verzuim dat in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of bij afweging van de betrokken belangen aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Hoewel niet valt uit te sluiten dat verweerder in de bezwaarschriftprocedure zijn standpunt voldoende zal kunnen onderbouwen, dient bij de huidige stand van zaken de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening weegt vanwege zijn psychische gesteldheid en de in gang gezette hulpverlening zwaarder dan het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.