Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3132

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8124 WIA

uitspraak van 21 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. M. Mesoudi,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2020 (bestreden besluit) van het UWV over de wijziging (verlaging) van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 26 september 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser is werkzaam geweest als verkoper. Voor dat werk heeft hij zich op 19 augustus 2013 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld vanwege psychische klachten.

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft het UWV aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 17 augustus 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

Bij besluit van 17 februari 2017 heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 57,64%.

Bij besluit van 6 februari 2019 heeft het UWV eisers WGA-uitkering na het bereiken van de maximale duur, omgezet in een vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 25 september 2019 (primair besluit) heeft het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 50% en zijn uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers mate van arbeidsongeschiktheid niet 50% maar 51,20% bedraagt maar dat dit voor de hoogte van de vervolguitkering geen verschil maakt.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 26 september 2019 heeft vastgesteld op 51,20%.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Op grond van artikel 60, eerste lid, van de WIA bestaat de WGA-uitkering, indien de duur van de loongerelateerde uitkering van deze uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, uit:

a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt; of

b. een vervolguitkering.

Op grond van artikel 62, eerste lid, in verbinding met artikel 61, zesde lid, van de WIA hangt de hoogte van de WGA-vervolguitkering af van de mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

4.1

Bespreking van de medische beroepsgronden

Eiser is bekend met onder meer klachten van de rug en ribben alsmede psychische klachten.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur op 12 augustus 2019. Hij heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 augustus 2019.

De verzekeringsarts b&b heeft het dossier met de aanwezige medische gegevens bestudeerd en heeft eiser gezien op de hoorzitting op 22 april 2020. Zij zag geen aanleiding af te wijken van de conclusie van de verzekeringsarts omdat deze een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek heeft verricht en daarbij de aanwezige medische informatie heeft betrokken.

4.2

Medische beroepsgronden

Eiser voert in beroep aan dat hij meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen en niet geschikt is voor de geselecteerde functies. Volgens eiser was slechts sprake van een summier onderzoek door de verzekeringsarts. Eiser kan niet lang lopen of staan vanwege zijn rugklachten. Daarmee is volgens hem onvoldoende rekening gehouden. Eiser wijst erop dat hij naast fysieke klachten ook een toename van psychische klachten heeft sinds april 2019, waarvoor hij onder behandeling staat van de praktijkondersteuner. Eiser stelt dat er beperkingen zijn in persoonlijk en sociaal functioneren in die zin dat hij ook beperkt is op de aspecten concentreren van de aandacht en verdelen van de aandacht.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser medische informatie overgelegd van radiologen [naam radioloog 1] , [naam radioloog 2] [naam radioloog 3] en van verslavingsarts [naam verslavingsarts] . De radiologische informatie betreft beschrijvingen van röntgenfoto’s van september 2019 tot maart 2020. De brief van de verslavingsarts van 10 juli 2019 vermeldt dat de behandeling in april 2018 is afgesloten en het goed is gegaan tot januari 2019. Toen was sprake van een terugval, waarna eiser zich heeft herpakt. Volgens de verslavingsarts is er geen indicatie voor behandeling, maar zijn ondersteunende gesprekken door een praktijkondersteuner passend. Deze gesprekken zijn vervolgens opgestart. Eiser verzoekt de rechtbank om benoeming van een deskundige.
Verder stelt eiser dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat eiser naast een aangepaste dagindeling met een eigen tempo ook nog regelmatig rustpauzes moet nemen. In geen van deze functies is dat mogelijk.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

4.3

Nadere reactie verzekeringsarts b&b

Naar aanleiding van het beroepschrift met daarbij gevoegd medische informatie heeft de verzekeringsarts b&b op 11 december 2020 het volgende gerapporteerd. Er is geen aanleiding eisers belastbaarheid van rug en borstwand verder te beperken. Er is slechts sprake van enige bij de leeftijd passende toegenomen röntgenologische bevindingen van de lage rug en deels oude letsels aan de ribben. Bij het onderzoek van de verzekeringsarts was er een normale beweeglijkheid van de rug. De nieuwe letsels dateren waarschijnlijk van na de datum in geding maar zijn bovendien geen reden de eerder, wegens de oude letsels, vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Eiser is geschikt voor lichte arbeid en er zijn beperkingen voor trilling belasting, reiken, buigen (150 x 60 graden per uur), duwen/trekken, tillen en dragen (10 kg), gebogen/getordeerd en boven schouderhoogte actief zijn. Bovendien geldt een urenbeperking van 24 uur per week. Er is wel aanleiding om eisers belastbaarheid te wijzigen ten aanzien van de benen: eiser wordt beperkt voor lang lopen, lang staan, veel traplopen, hoog klimmen en lang knielen/hurken.

De overgelegde informatie over de psychische toestand brengt volgens de verzekeringsarts b&b geen verandering van het persoonlijk en sociaal functioneren.

De verzekeringsarts b&b heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 december 2020.

4.4

Oordeel rechtbank over beroepsgronden

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder fysieke en psychische klachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Er is een urenbeperking gesteld voor 24 uur per week. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd is bij de beoordeling betrokken en heeft geleid tot aanpassing van de FML ten aanzien van de fysieke klachten. Niet gebleken is dat verdere beperkingen nodig zijn; de toename van de psychische klachten in 2019, waarvoor eiser onder behandeling is bij de praktijkondersteuner, was bekend bij de verzekeringsarts b&b en daarmee is rekening gehouden. In vergelijking met de eerdere WIA-beoordeling in 2017 zijn meer beperkingen aangenomen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren (conflicthantering, hoog handelingstempo in werk, vaste werkwijze). Voor beperkingen voor concentratie en verdelen van de aandacht hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding gezien. Uit het dossier en tijdens het spreekuurcontact en de hoorzitting zijn geen stoornissen van het vasthouden en het verdelen van de aandacht gebleken. Bovendien blijkt daarvan ook niet uit de aanwezige medische informatie. Weliswaar zijn er volgens de informatie van GGZ- [naam GGZ instelling 1] / [naam GGZ instelling 2] van 11 juni 2018 aanwijzingen voor cognitieve beperkingen in het werkgeheugen, maar is daarbij ook vermeld dat de overige cognitieve functiedomeinen intact zijn en eiser daarmee nog een behoorlijk aantal mogelijkheden heeft om de beperking in het cognitief functioneren op te vangen.
Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de rechtbank evenmin aanleiding.

Niet gebleken is dat in de FML van 11 december 2020 de beperkingen van eiser zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de gewijzigde FML, bekeken of de geselecteerde functies nog geschikt zijn en aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen worden gelegd. De arbeidsdeskundige b&b concludeert dat eiser geschikt is voor de eerder geselecteerde functies: archiefmedewerker (Sbc-code 315132), productiemedewerker metaalbewerking (Sbc-code 264122) en medior soldering operator (Sbc-code 111180).

5.2

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 17 december 2020. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 4.4 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist.

De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,2%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 26 september 2019 heeft vastgesteld op 51,2% en de vervolguitkering terecht heeft berekend naar de klasse 45 tot 55%.

7. Conclusie

Omdat het UWV in beroep de FML heeft gewijzigd is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat de geselecteerde functies wel terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd en het UWV in beroep zijn standpunt afdoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 21 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl .

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.