Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3130

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7082
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7082 WVW

uitspraak van 22 juni 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker,

gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ,

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 mei 2020 (bestreden besluit) van de RDW inzake de beëindiging van de tenaamstelling bij het voertuig met kenteken [kenteken voertuig eiser] .

Bij e-mailbericht van 11 mei 2021 heeft de RDW bericht het bestreden besluit niet te handhaven en de tenaamstelling van het voertuig met kenteken [kenteken voertuig eiser] met terugwerkende kracht per 12 april 1997 vervallen te verklaren.

Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek de RDW te veroordelen in de proceskosten. De RDW heeft hierop bij brief van 26 mei 2021 gereageerd. Ook verzoeker heeft bij brief van 26 mei 2021 een reactie gegeven.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bericht van 11 mei 2021 dat de RDW aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de RDW te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

3. Het RDW heeft aangevoerd dat niet is gebleken van door verzoeker gemaakte kosten van rechtsbijstand. Verzoeker is bijgestaan door een medewerker van de Rechtswinkel [plaatsnaam] . Deze heeft gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 2 november 2017 (met nummer BRE 17/2370 HUUR).

De rechtbank leidt uit verwijzing naar deze uitspraak af dat de Rechtswinkel [plaatsnaam] met verzoeker is overeengekomen dat als de procedure gewonnen wordt, er een betalingsverplichting voor verzoeker ontstaat ter hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft geen reden om aan het bestaan van een dergelijke afspraak te twijfelen, nu dit kennelijk de gebruikelijke werkwijze van de Rechtswinkel [plaatsnaam] is.

De rechtbank overweegt, overeenkomstig voornoemde uitspraak, dat deze wijze van werken door een rechtswinkel te vergelijken is met een no cure no pay overeenkomst. In dat soort zaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4665, r.o. 3.1) geoordeeld dat geen sprake is van een onaanvaardbare wijze van het vaststellen van een verschuldigde vergoeding. Voor zover het RDW in de brief van 26 mei 2021 beoogt te betogen dat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een betalingsverplichting, dan wel meent dat dit niet relevant is, faalt deze stelling. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank een ‘voorwaardelijke’ betalingsverplichting zoals overeengekomen met de Rechtswinkel [plaatsnaam] in dit geval ook kan worden aangemerkt als betalingsverplichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de RDW op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 178,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 22 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.