Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:3127

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats [plaatsnaam]

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8860 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. A.P.G.J.A. Wijnans,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 11 mei 2020 (primair besluit) heeft het CBR aan eiser een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd.

In het besluit van 31 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft CBR het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 20 mei 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en mr. S. Sheikchote namens het CBR.

Overwegingen

Feiten

1. Op 5 april 2020 is eiser aangehouden wegens verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Eiser heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse.

Naar aanleiding van dit voorval is een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerwet 1994 (Wvw 1994).

Bij het primaire besluit is aan eiser een EMA opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft het CBR de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Standpunten partijen

2. Tussen partijen is in geschil of aan eiser terecht een EMA is opgelegd.

3. Eiser voert aan dat hij niet als bestuurder is opgetreden en dat hem daarom geen EMA kan worden opgelegd. Eiser stelt dat hij op 4 april 2020 een heftige woordenwissel kreeg met zijn partner. Vanwege voorvallen in het verleden besloot eiser de nacht bij zijn ouders door te brengen. Hij is eerst bij zijn vriend langs gegaan die vlakbij zijn ouders woont. Hij stelt daar wat te hebben gedronken en later naar zijn ouders te zijn gegaan, maar zij deden niet open. Hij is vervolgens in de auto gaan zitten en vanwege de kou heeft hij de motor gestart. De nachttempratuur was – 1,7 ° C. Voor het opleggen van de EMA moet eiser als bestuurder van een auto hebben opgetreden. Dat is dus niet het geval. Hij gebruikte de auto enkel als slaapplaats. Pas nadat is vastgesteld dat eiser als bestuurder heeft opgetreden, kan de weigering van de ademanalyse en de EMA aan de orde komen. Aan eiser is niet de gelegenheid gegeven om het vermoeden dat hij als bestuurder is opgetreden te weerleggen. De politie had navraag kunnen doen bij de vriend en de ouders. Ook had de motorkap gecontroleerd kunnen worden.

4. Het CBR stelt zich op het standpunt dat eiser als bestuurder moet worden aangemerkt en dus voldoet aan het criterium van artikel 11, eerste lid, sub e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011, zodat de EMA terecht is opgelegd.

Wettelijk kader

5. Het wettelijk kader is als bijlage bijgevoegd.

Oordeel rechtbank

6. Het CBR heeft het primaire besluit genomen naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994.

Het vermoeden moet bestaan dat eiser niet meer de geschiktheid heeft voor het besturen van een motorrijtuig. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:756) dient op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast te komen staan dat de betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.

De rechtbank is van oordeel dat het CBR met voldoende mate van zekerheid kon vaststellen dat eiser op 5 april 2020 onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd. Blijkens het proces-verbaal met kenmerk PL2000-2020083996-3 is op 5 april 2020 rond 01:55 uur door de verbalisanten een voertuig met kenteken [kenteken voertuig eiser] aangetroffen in de [straatnaam] te [plaatsnaam] . Dit voertuig stond buiten enig parkeervak en zorgde voor een onveilige verkeerssituatie. De verbalisanten hoorden dat de motor draaide en zagen dat eiser achter het stuur zat. Er zat vermoedelijk braaksel aan de binnen- en buitenzijde van de auto. Na het aanspreken van eiser zagen zij dat hij het raampje opende. Zij hebben bij eiser het inwendig gebruik van alcohol geroken en bloeddoorlopen ogen geconstateerd. Eiser sprak met een dubbele tong. Eiser heeft vervolgens geweigerd mee te werken aan een ademanalyse, maar niet in geschil is dat eiser onder invloed was van alcohol.

In beginsel mag van de juistheid van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal worden uitgegaan. De stelling van eiser dat hij niet als bestuurder heeft opgetreden, maar enkel in de auto zat en sliep, is door eiser onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft een verklaring van zijn vriend [naam vriend eiser] en diens vriendin [naam vriendin van vriend eiser] overgelegd. Uit deze verklaringen blijkt enkel dat eiser op 4 april 2020 wat drankjes heeft gedronken bij deze personen. Echter uit deze verklaringen blijkt niets van de door eiser geschetste omstandigheden, wanneer eiser is weggegaan of waarom eiser in zijn auto zat met de motor aan.

Dat de verbalisanten niet hebben waargenomen dat eiser ten tijde van zijn aanhouding op 5 april 2020 het motorrijtuig bestuurde, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW7633), waarin is overwogen dat uit de ter zake van toepassing zijnde wettelijke voorschriften niet voortvloeit dat het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorrijtuig. De bevoegdheid tot het opleggen van een EMA komt het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat iemand in strijd met de wettelijke voorschriften onder invloed van drogerende stoffen een motorrijtuig heeft bestuurd. Uit de omstandigheden waaronder eiser is aangetroffen, waarbij de rechtbank de wijze waarop de auto werd aangetroffen (met drie wielen op de rijweg, buiten een parkeervak) mede van belang acht, mocht het CBR de conclusie trekken dat eiser bestuurder van de auto was. De enkele stelling van eiser dat

deze wijze van parkeren, gezien de omstandigheden in de [straatnaam] , niet ongebruikelijk was, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Anders dan eiser stelt, staat de omstandigheid dat verbalisanten ten tijde van de aanhouding de stellingen van eiser niet nader hebben onderzocht, ook niet aan het opleggen van de EMA in de weg. Op grond van de omstandigheden zoals opgenomen in het proces-verbaal mocht het CBR aannemen dat eiser bestuurder was. Het is in deze procedure aan eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit heeft hij onvoldoende gedaan.

De Regeling is dwingendrechtelijk van aard, hetgeen inhoudt dat voor het CBR geen ruimte bestaat om een belangenafweging te maken

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

8. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 22 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…].

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid;

[…].

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist’.

Bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III

[…]

d. betrokken weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

[…].

Artikel 3

1. Feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van politie.

[…]

Artikel 11

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

[…]

e. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet.